NL: bannenDE: verbannen, des Landes verweisen, exilieren, ins Exil schicken, in die Verbannung schicken
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ban jij bant hij bant wij bannen jullie bannen zij bannen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebannen jij hebt gebannen hij heeft gebannen wij hebben gebannen jullie hebben gebannen zij hebben gebannen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bande jij bande hij bande wij banden jullie banden zij banden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebannen jij had gebannen hij had gebannen wij hadden gebannen jullie hadden gebannen zij hadden gebannen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bannen jij zult bannen hij zal bannen wij zullen bannen jullie zullen bannen zij zullen bannen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebannen hebben jij zult gebannen hebben hij zal gebannen hebben wij zullen gebannen hebben jullie zullen gebannen hebben zij zullen gebannen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bannen jij zou bannen hij zou bannen wij zouden bannen jullie zouden bannen zij zouden bannen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebannen hebben jij zou gebannen hebben hij zou gebannen hebben wij zouden gebannen hebben jullie zouden gebannen hebben zij zouden gebannen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ban
|
DE: bannenSynoniemen: verbannen, des Landes verweisen, exilieren, ins Exil schicken, in die Verbannung schicken
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gebannt bannend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich banne du bannst er bannt wir bannen ihr bannt sie; Sie bannen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gebannt du hast gebannt er hat gebannt wir haben gebannt ihr habt gebannt sie; Sie haben gebannt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich bannte du banntest er bannte wir bannten ihr banntet sie; Sie bannten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gebannt du hattest gebannt er hatte gebannt wir hatten gebannt ihr hattet gebannt sie; Sie hatten gebannt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde bannen du wirst bannen er wird bannen wir werden bannen ihr werdet bannen sie; Sie werden bannen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gebannt haben du wirst gebannt haben er wird gebannt haben wir werden gebannt haben ihr werdet gebannt haben sie; Sie werden gebannt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich banne du bannest er banne wir bannen ihr bannet sie; Sie bannen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gebannt du habest gebannt er habe gebannt wir haben gebannt ihr habet gebannt sie; Sie haben gebannt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich bannte du banntest er bannte wir bannten ihr banntet sie; Sie bannten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gebannt du hättest gebannt er hätte gebannt wir hätten gebannt ihr hättet gebannt sie; Sie hätten gebannt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde bannen du würdest bannen er würde bannen wir würden bannen ihr würdet bannen sie; Sie würden bannen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gebannt haben du würdest gebannt haben er würde gebannt haben wir würden gebannt haben ihr würdet gebannt haben sie; Sie würden gebannt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du banne
|