NL: autorijdenSynoniemen: rijden
DE: die Fahrt, die Autofahrt
EN: the drive
ES: el conducir
FR: le usage de la voiture
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
autogereden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik rijd auto jij rijdt auto hij rijdt auto wij rijden auto jullie rijden auto zij rijden auto
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb autogereden jij hebt autogereden hij heeft autogereden wij hebben autogereden jullie hebben autogereden zij hebben autogereden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik reed auto jij reed auto hij reed auto wij reden auto jullie reden auto zij reden auto
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had autogereden jij had autogereden hij had autogereden wij hadden autogereden jullie hadden autogereden zij hadden autogereden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal autorijden jij zult autorijden hij zal autorijden wij zullen autorijden jullie zullen autorijden zij zullen autorijden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal autogereden hebben jij zult autogereden hebben hij zal autogereden hebben wij zullen autogereden hebben jullie zullen autogereden hebben zij zullen autogereden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou autorijden jij zou autorijden hij zou autorijden wij zouden autorijden jullie zouden autorijden zij zouden autorijden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou autogereden hebben jij zou autogereden hebben hij zou autogereden hebben wij zouden autogereden hebben jullie zouden autogereden hebben zij zouden autogereden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
rijd auto
|