NL: aanschietenSynoniemen: aandoen, aanklampen, toesnellen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangeschoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik schiet aan jij schiet aan hij schiet aan wij schieten aan jullie schieten aan zij schieten aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangeschoten jij hebt aangeschoten hij heeft aangeschoten wij hebben aangeschoten jullie hebben aangeschoten zij hebben aangeschoten
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik schoot aan jij schoot aan hij schoot aan wij schoten aan jullie schoten aan zij schoten aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangeschoten jij had aangeschoten hij had aangeschoten wij hadden aangeschoten jullie hadden aangeschoten zij hadden aangeschoten
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanschieten jij zult aanschieten hij zal aanschieten wij zullen aanschieten jullie zullen aanschieten zij zullen aanschieten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangeschoten hebben jij zult aangeschoten hebben hij zal aangeschoten hebben wij zullen aangeschoten hebben jullie zullen aangeschoten hebben zij zullen aangeschoten hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanschieten jij zou aanschieten hij zou aanschieten wij zouden aanschieten jullie zouden aanschieten zij zouden aanschieten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangeschoten hebben jij zou aangeschoten hebben hij zou aangeschoten hebben wij zouden aangeschoten hebben jullie zouden aangeschoten hebben zij zouden aangeschoten hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
schiet aan
|