NL: aanleunenDE: aanleunen (leunen tegen): anlehnen, lehnen gegen
FR: aanleunen (leunen tegen): s'adosser à
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
aangeleund
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik leun aan jij leunt aan hij leunt aan wij leunen aan jullie leunen aan zij leunen aan
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb aangeleund jij hebt aangeleund hij heeft aangeleund wij hebben aangeleund jullie hebben aangeleund zij hebben aangeleund
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik leunde aan jij leunde aan hij leunde aan wij leunden aan jullie leunden aan zij leunden aan
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had aangeleund jij had aangeleund hij had aangeleund wij hadden aangeleund jullie hadden aangeleund zij hadden aangeleund
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal aanleunen jij zult aanleunen hij zal aanleunen wij zullen aanleunen jullie zullen aanleunen zij zullen aanleunen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal aangeleund hebben jij zult aangeleund hebben hij zal aangeleund hebben wij zullen aangeleund hebben jullie zullen aangeleund hebben zij zullen aangeleund hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou aanleunen jij zou aanleunen hij zou aanleunen wij zouden aanleunen jullie zouden aanleunen zij zouden aanleunen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou aangeleund hebben jij zou aangeleund hebben hij zou aangeleund hebben wij zouden aangeleund hebben jullie zouden aangeleund hebben zij zouden aangeleund hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
leun aan
|