Vind een (dialect)woord

Toon woorden

Op de kaart

Op deze kaart staan 36 dialectwoorden voor `aarzelen`. Zoom in of verschuif de map om ze beter te zien. Klik op een woord om de naam van het dialect te zien.
Hier zijn 10 willekeurige andere dialectwoorden : Ze is zwanger (40x) : zeurkous (51x) : grootmoeder (82x) : stamppot (40x) : bibliotheek (32x) : jicht (31x) : binden (29x) : ik ga naar bed (21x) : vanzelf (63x) : horzel (32x)



39 vertalingen voor het Nederlandse woord `aarzelen`

  1. aarzelen = twieffelle (Opglabbeeks)
  2. aarzelen = êiseln, twiefeln (Kortemarks)
  3. aarzelen = in bedink stoon (Mestreechs)
  4. aarzelen = oarzel'n (Westerkwartiers)
  5. aarzelen = twijfeln--treuzeln (Brakels)
  6. aarzelen = twiefele (Bilzers)
  7. aarzelen = drummele (Groesbeeks)
  8. aarzelen = dàsteren (Rous (Sint-Genesius-Rode))
  9. aarzelen = twiéfelen (Budels)
  10. Aarzelen = truntn (Veurns)
  11. aarzelen = trunten (Lochristis)
  12. aarzelen = treintele (Riemsts)
  13. aarzelen = dubben, duppen, trutselen, treuzelen (Sint-Niklaas)
  14. aarzelen = tertelen (Zolders)
  15. aarzelen = déggere (Bilzers)
  16. aarzelen = sjipetiëre (Bilzers)
  17. aarzelen = sjippetiëre (Bilzers)
  18. aarzelen = taffelen (Waanroods)
  19. aarzelen = treneren (Heist-op-den-Berg)
  20. aarzelen = wifelje, wifkje, drige, driigje (Fries)
  21. aarzelen = treuzelle (Opglabbeeks)
  22. aarzelen = èèsel'n (West-Vlaams)
  23. aarzelen = treneire (Kortenbergs)
  24. aarzelen = twiefelen (Opglabbeeks)
  25. aarzelen = druitelen (Tiens)
  26. aarzelen = hippeteppe (Opglabbeeks)
  27. aarzelen = sèmmele (Tilburgs)
  28. aarzelen = drènsel' n (Lebbeeks)
  29. aarzelen = sjupetère (Vlijtingens)
  30. Aarzelen = Drökkele - drummele (Liemers)
  31. aarzelen = treuzel'n (Westerkwartiers)
  32. aarzelen = sjippëtieërë (Munsterbilzen - Minsters)
  33. aarzelen = trutselen (Zottegems)
  34. aarzelen = èsel'n (Wevelgems)
  35. aarzelen = pienekeuteln (Klazienaveens)
  36. aarzelen = twijfelen (Kaprijks)
  37. aarzelen = semmele (Mechels (BE))
  38. aarzelen = traineren (Bevers)
  39. Aarzelen = Tertelen (Heusdens)