Vertaal
Naar andere talen: • passer > DEpasser > ENpasser > ES
Definities in het Frans: Passer (13x)
Definities in het Nederlands: passer (19x)
Vertalingen passer FR>NL
[pɑse]

1 aller d'un lieu à un autre, se déplacer - gaan (door)

  'passer dans la rue'
  door de straat lopen

  'Je suis passé devant chez toi.'
  Ik ben langs je huis gekomen.

  'laisser passer ··· '
  iemand doorlaten

  'passer d'une pièce à une autre'
  van het ene vertrek naar het andere gaan


2 traverser - door ... (heen) gaan

  'passer par Paris'
  door Parijs heen gaan


3 disparaître, s'effacer - verdwijnen

  'La douleur est passée.'
  De pijn is verdwenen.


4 s'écouler - verstrijken

  'Le temps passe vite.'
  De tijd gaat snel.


5 être présenté, projeté - verschijnen

  'Ce film passe au cinéma.'
  Deze film verschijnt in de bioscoop.

  'passer à la radio'
  uitgezonden worden op de radio


6 être admis - overgaan (naar)

  'passer en seconde'
  naar de vijfde klas gaan


7   passer pour
être considéré comme - doorgaan voor

  'passer pour mort'
  voor dood doorgaan
[pɑse]


1 utiliser, employer - besteden (aan)

  'passer du temps à faire ··· '
  tijd besteden om iets te doen

  'passer une mauvaise journée'
  een moeilijke dag doormaken

  'passer ses vacances à la campagne'
  zijn vakantie op het platteland doorbrengen


2 mettre sur soi - aantrekken

  'passer une robe'
  een jurk aantrekken


3 donner - (door)geven

  'passer ··· à ··· '
  iets aan iemand doorgeven


4 subir - ondergaan

  'passer un examen'
  een examen afleggen


5 aller au-delà, traverser - oversteken

  'passer le pont'
  de brug oversteken

  'passer la frontière'
  de grens over gaan

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
passer (ww.) geven (ww.) ; verstrekken (ww.) ; verlenen (ww.) ; schenken (ww.) ; aangeven (ww.) ; aanreiken (ww.) ; aankomen (ww.) ; bezoeken (ww.) ; opzoeken (ww.) ; langskomen (ww.) ; inlopen (ww.) ; voorbijkomen (ww.) ; op bezoek komen (ww.) ; aantrekken (ww.) ; dichttrekken (ww.) ; verlopen (ww.) ; vervallen (ww.) ; aflopen (ww.) ; voorbijgaan (ww.) ; vergaan (ww.) ; verstrijken (ww.) ; besteden (ww.) ; doorbrengen (ww.) ; slijten (ww.) ; inhalen (ww.) ; passeren (ww.) ; voorbijrijden (ww.) ; erdoor komen (ww.) ; oversteken (ww.) ; dwars oversteken (ww.) ; reizen door (ww.) ; doorheen reizen (ww.) ; toestoppen (ww.) ; aanlopen (ww.) ; komen aanlopen (ww.) ; doordrukken (ww.) ; doorstoten (ww.) ; drukkend door iets heen brengen (ww.) ; voorbijvaren (ww.) ; zift (ww.)
passer doorkomen ; doorverbinden met ; doorverbinden ; gebeuren ; geraken voorbij ; langs komen ; migreren ; overgaan ; passen ; plaatsen ; plegen ; wandelen ; inscheren
Bronnen: interglot; Wikipedia; ICT-Woordenboek; Download IATE, European Union, 2017.

Voorbeeldzinnen met `passer`
Voorbeeldzinnen laden....


Synoniemen
FR: advenir
FR: arriver
FR: circuler
FR: dépasser
FR: excéder
FR: mourir
FR: outrepasser
FR: sasser
FR: survenir
FR: tamiser

Uitdrukkingen en gezegdes
FR: il passe un ange NL: daar gaat een dominee voorbij
FR: passer du blanc au noir NL: van het ene uiterste in het andere vallen
FR: passer chez quelqu'un. NL: bij iemand aangaan
FR: passer à  l'ennemi NL: naar de vijand overlopen
FR: il faut en passer par là  NL: daar zit niets anders op
FR: on ne passe pas NL: verboden toegang
FR: passer en proverbe NL: spreekwoordelijk worden
FR: passer sur qc. NL: niet aanrekenen
FR: cela passe mes forces NL: dat gaat mijn krachten te boven
FR: passer en compte NL: boeken

Download de Android App
Download de IOS App