Vertalingen abastecer ES>NL
I abastecer
werkw.
proporcionar cosas necesarias -
(toe)leveren , bevoorraden | abastecer de elektricidad - van elektriciteit voorzien |
II abastecerse
werkw.
equiparse con cosas necesarias -
zich van het nodige voorzien | La ciudad se abasteció de agua. - De stad heeft een watervoorraad aangelegd. |
© K Dictionaries Ltd.Overige bronnen
| abastecer (ww.) | bevoorraden (ww.) |
Bron: interglot
Voorbeeldzinnen met `abastecer`

Voorbeeldzinnen laden....
Synoniemen
ES: abastecer de víveresES: aprovisionarES: avituallarES: equiparES: facilitarES: guarnecerES: pertrecharES: proveerES: proveer de vituallasES: suministrar