Vertaal
Naar andere talen: • prendre > DEprendre > ENprendre > ES
Definities in het Frans: Prendre (3x)
Definities in het Nederlands: Prendre (1x)
Vertalingen prendre FR>NL
[pʀɑ̃dʀ]

1 saisir, tenir avec ses mains - nemen

  'prendre un verre dans le placard'
  een glas uit de kast pakken


2 mettre sur soi, contre soi - nemen

  'prendre ··· dans ses bras'
  iemand in zijn armen nemen


3 enlever - afnemen

  'prendre ··· à ··· '
  iets van iemand afnemen


4 aller chercher, emmener - (mee)nemen

  'prendre de l'essence'
  benzine tanken

  'passer prendre ··· '
  iemand ophalen


5 considérer - beschouwen

  'prendre ··· pour un idiot'
  iemand voor een idioot houden


6 faire en sorte d'avoir - zich verschaffen

  'prendre des renseignements'
  inlichtingen inwinnen

  'prendre le pouvoir'
  de macht grijpen


7 boire, manger - tot zich nemen

  'prendre son repas'
  zijn maaltijd gebruiken

  'prendre un verre avec des amis'
  een glas drinken met vrienden


8 nécessiter, exiger - vereisen - vragen

  'prendre du temps'
  tijd kosten

  'prendre beaucoup de place'
  veel plaats innemen


9 arrêter - arresteren

  'se faire prendre par la police'
  zich laten arresteren door de politie


10 attraper - vangen

  'prendre un poisson'
  een vis vangen


11 surprendre - betrappen

  'prendre ··· en flagrant délit'
  iemand op heterdaad betrappen


12 utiliser, faire ··· - nemen

  'prendre le train'
  de trein nemen

  'prendre la parole'
  het woord nemen

  'prendre du retard'
  vertraging krijgen


13   prendre l'air
sortir à l'extérieur - een luchtje scheppen


14   prendre feu
se mettre à brûler - vuur vatten


15   prendre l'eau
laisser l'eau pénétrer - water doorlaten
[pʀɑ̃dʀ]


1 fonctionner, avoir l'effet recherché - werken

  'feu qui ne prend pas'
  vuur dat niet aangaat

  'ruse qui prend'
  list die werkt

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
prendre (ww.) afhalen (ww.) ; wegnemen (ww.) ; weghalen (ww.) ; oppikken (ww.) ; afhalen en meenemen (ww.) ; stelen (ww.) ; plunderen (ww.) ; ontnemen (ww.) ; toeëigenen (ww.) ; vervreemden (ww.) ; kapen (ww.) ; verduisteren (ww.) ; jatten (ww.) ; roven (ww.) ; inpikken (ww.) ; ontfutselen (ww.) ; ontvreemden (ww.) ; wegkapen (ww.) ; benemen (ww.) ; gappen (ww.) ; snaaien (ww.) ; verdonkeren (ww.) ; wegpikken (ww.) ; verdonkeremanen (ww.) ; wegpakken (ww.) ; achteroverdrukken (ww.) ; leegstelen (ww.) ; grijpen (ww.) ; vatten (ww.) ; klauwen (ww.) ; verstrikken (ww.) ; ondernemen (ww.) ; aangaan (ww.) ; aanpakken (ww.) ; vastpakken (ww.) ; vastgrijpen (ww.) ; beetnemen (ww.) ; vastnemen (ww.) ; beetpakken (ww.) ; beetgrijpen (ww.) ; ingrijpen (ww.) ; zich bedienen (ww.) ; toetasten (ww.) ; toegrijpen (ww.) ; aanhouden (ww.) ; oppakken (ww.) ; arresteren (ww.) ; gevangennemen (ww.) ; inrekenen (ww.) ; te kort doen (ww.) ; depriveren (ww.) ; beroven van (ww.) ; veroveren (ww.) ; graaien (ww.) ; grissen (ww.) ; aanwerven (ww.) ; rekruteren (ww.) ; buitmaken (ww.) ; oprapen (ww.) ; opsnappen (ww.) ; beschuldigen (ww.) ; laken (ww.) ; kwalijk nemen (ww.) ; aanwrijven (ww.) ; blameren (ww.) ; nadragen (ww.) ; iemand iets verwijten (ww.) ; voor de voeten gooien (ww.) ; iemand iets aanrekenen (ww.) ; binden (ww.) ; boeien (ww.) ; kluisteren (ww.) ; ketenen (ww.) ; vastklampen (ww.) ; aanklampen (ww.) ; intrigeren (ww.) ; fascineren (ww.) ; bevangen (ww.) ; bezetten (ww.) ; ontoegankelijk maken (ww.) ; iets halen (ww.) ; vangen (ww.) ; werven (ww.) ; nemen (ww.) ; ontvangen (ww.) ; aannemen (ww.) ; accepteren (ww.) ; aanvaarden (ww.) ; in ontvangst nemen (ww.) ; gebruiken (ww.) ; hanteren (ww.) ; gebruik maken van (ww.) ; bezigen (ww.) ; kiezen (ww.) ; uitzoeken (ww.) ; selecteren (ww.) ; uitkiezen (ww.) ; schiften (ww.) ; uitpikken (ww.) ; ziften (ww.) ; selectie toepassen (ww.) ; opnemen (ww.) ; absorberen (ww.) ; opslorpen (ww.) ; opslurpen (ww.) ; beginnen (ww.) ; starten (ww.) ; aanvangen (ww.) ; van start gaan (ww.) ; pakken (ww.) ; verkrijgen (ww.) ; kopen (ww.) ; verwerven (ww.) ; eigen maken (ww.) ; iets bemachtigen (ww.) ; te pakken krijgen (ww.) ; cadeau aannemen (ww.) ; meenemen (ww.) ; ophalen (ww.) ; afnemen (ww.)
prendre aanslaan ; wortel schieten ; bevriezen ; halen ; in beslag nemen ; innemen ; kennen ; lopen ; maken ; overnemen ; slaan ; treffen ; opstijven
Bronnen: interglot; Europakinderhulp; Download IATE, European Union, 2017.; ICT-Woordenboek; Trueterm


Voorbeeldzinnen met `prendre`
Voorbeeldzinnen laden....


Synoniemen
FR: accaparer
FR: adopter
FR: agripper
FR: appréhender
FR: arracher
FR: arrêter
FR: atteindre
FR: attraper
FR: avoir
FR: capturer

Uitdrukkingen en gezegdes
FR: prendre de l'âge NL: oud worden
FR: prendre à  coeur NL: ter harte nemen
FR: c'est à  prendre ou à  laisser NL: graag of niet
FR: prendre à  témoin NL: tot getuige nemen
FR: prendre congé NL: afscheid nemen
FR: prendre le deuil NL: de rouw aannemen
FR: prendre les devants NL: vooruitlopen
FR: prendre femme NL: trouwen
FR: prendre fue NL: vlam vatten
FR: prendre la fuite NL: vluchten
FR: prendre en grippe NL: een hekel krijgen
FR: prendre le large NL: het ruime sop kiezen
FR: le prendre haut NL: een hoge toon aanslaan
FR: prendre mal NL: kwalijk nemen
FR: prendre la mer NL: zich inschepen, zee kiezen
FR: prendre quelqu'un. au mot NL: iemand aan zijn woord houden
FR: prendre la mouche NL: opstuiven
FR: prendre son parti NL: berusten, zich schikken
FR: prendre en pitié NL: medelijden krijgen
FR: prendre le voile NL: non worden
FR: prendre son vol NL: opstijgen, opvliegen
FR: à  tout prendre NL: alles wel beschouwd

Staat je antwoord er niet bij of heb je een vraag waarbij het vertaalwoordenboek geen hulp kan bieden? Vraag het dan op `Vertaalhulp`
Download de Android App
Download de IOS App