Vertalingen acudir ES>NL
acudir
werkw.
1) ir una persona a un lugar, en especial si ha sido convocada -
gaan (naar) | acudir a una reunión - naar een bijeenkomst gaan |
2) pedir ayuda a alguien -
zich wenden | Los niños acuden a su madre si tienen un problema. - Kinderen wenden zich tot hun moeder als ze een probleem hebben. |
3) presentarse recuerdos o imágenes a una persona -
toesnellen | Cientos de ideas acudían a su mente. - Honderden ideeën kwamen in hem op. |
© K Dictionaries Ltd.Overige bronnen
| acudir (ww.) | aanlopen (ww.) ; erbij komen (ww.) ; komen aanlopen (ww.) ; opdagen (ww.) ; opduiken (ww.) ; opkomen (ww.) ; toelopen (ww.) ; verschijnen (ww.) |
Bron: interglot
Voorbeeldzinnen met `acudir`

Voorbeeldzinnen laden....
Synoniemen
ES: abalanzarseES: acercarseES: acercarse andando a pieES: aparecerES: arrojarseES: asistirES: caminarES: comparecerES: dirigirseES: encaminarse