Vertaal
Naar andere talen: • monter > DEmonter > ENmonter > ES
Definities in het Frans: Monter (17x)
Definities in het Nederlands: monter (4x)
Vertalingen monter FR>NL
[mɔ̃te]

1 aller vers le haut - (naar boven) klimmen

  'Il est monté à l'arbre.'
  Hij is in de boom geklommen.

  'monter sur une chaise'
  op een stoel klimmen

+ l'aux. être


2 atteindre un niveau, une hauteur plus élevée - stijgen

  'L'eau monte.'
  Het water stijgt.


3 augmenter - stijgen - toenemen

  'Les prix montent.'
  De prijzen stijgen


4   monter à cheval
faire du cheval - paardrijden


5 se placer dans un véhicule - instappen

  'monter dans sa voiture'
  in zijn auto (in)stappen

  'monter dans le train'
  instappen in de trein

  'monter sur un bateau'
  aan boord gaan van een schip
[mɔ̃te]


1 parcourir en s'élevant - naar boven klimmen - beklimmen

  'monter une côte'
  een helling beklimmen

  'monter les marches'
  de treden oplopen

+ l'aux. avoir


2 transporter plus haut - naar boven brengen

  'monter ··· au grenier'
  iets naar de zolder brengen


3 assembler les pièces de - monteren

  'monter un meuble'
  een meubel monteren


4 augmenter l'intensité de ··· - doen toenemen

  'monter le son'
  het geluid harder zetten


5 préparer, organiser - op touw zetten - organiseren

  'monter un coup'
  een list bekokstoven

© K Dictionaries Ltd.

Overige bronnen
monter (znw.)de stijging (v)
monter (ww.) opstijgen (ww.) ; omhoogkomen (ww.) ; opvliegen (ww.) ; klimmen (ww.) ; omhoog gaan (ww.) ; omhoogklimmen (ww.) ; omhoogstijgen (ww.) ; opstaan (ww.) ; rijzen (ww.) ; gaan staan (ww.) ; omhoogrijzen (ww.) ; verheffen (ww.) ; hogerop komen (ww.) ; zich opwerken (ww.) ; bevorderd worden (ww.) ; rijden (ww.) ; ensceneren (ww.) ; in scene zetten (ww.) ; opheffen (ww.) ; tillen (ww.) ; lichten (ww.) ; optillen (ww.) ; omhoog brengen (ww.) ; omhoogheffen (ww.) ; naar boven tillen (ww.) ; vooruitkomen (ww.) ; uit een minder gunstige positie vooruitkomen (ww.) ; jezelf opwerken (ww.) ; paardrijden (ww.) ; monteren (ww.) ; assembleren (ww.) ; in elkaar zetten (ww.) ; opklimmen (ww.) ; opklauteren (ww.) ; naar boven gaan (ww.) ; omhooggaan (ww.) ; oprijzen (ww.) ; beklimmen (ww.) ; bestijgen (ww.) ; omhoog trekken (ww.) ; naar boven trekken (ww.) ; omhoog rukken (ww.) ; opgaan (ww.) ; omhoogrukken (ww.) ; naar boven brengen (ww.) ; naar boven dragen (ww.) ; opwaarts dragen (ww.) ; omhoogdragen (ww.) ; oprijden (ww.) ; opwaarts rijden (ww.) ; omhooglopen (ww.) ; omhoogstappen (ww.) ; opwaarts gaan (ww.) ; naar boven klimmen (ww.) ; naar boven stappen (ww.) ; heffen (ww.) ; stijgen (ww.) ; opwerken (ww.)
monter stellen ; bouwen ; hoger zetten ; monteren ; opstellen ; spannen ; inlaten
Bronnen: interglot; Wikipedia; Download IATE, European Union, 2017.; ICT-Woordenboek

Voorbeeldzinnen met `monter`
Voorbeeldzinnen laden....


Synoniemen
FR: ajuster
FR: assembler
FR: combiner
FR: élever
FR: embarquer
FR: escalader
FR: gravir
FR: grimper
FR: hisser
FR: manigancer

Uitdrukkingen en gezegdes
FR: monter à  cheval NL: te paard stijgen
FR: monter sur les planches NL: toneelspeler worden
FR: monter en voiture NL: in het rijtuig stappen
FR: monter en grade NL: tot een hogere rang bevorderd worden
FR: monter à  bicyclette NL: fietsen
FR: monter une montre NL: een horloge opdraaien
FR: monter une affaire NL: een zaak op touw zetten
FR: monter la tête à  quelqu'un. NL: iemand het hoofd op hol brengen

Download de Android App
Download de IOS App