Vertaal
Naar andere talen: • shake > DE • shake > ES • shake > FR
Vertalingen shake EN>NL

1 to (cause to) tremble or move with jerks: “The explosion shook the building”
schudden

2 to shock, disturb or weaken: “He was shaken by the accident”
schokken

1 an act of shaking: “He gave the bottle a shake.”
het schudden

2 drink made by shaking the ingredients together vigorously: “a chocolate milk-shake.”
milk shake

'shaking (Zelfstandig naamwoord)

an act of shaking or state of being shaken, shocked etc: “They got a shaking in the crash.”
schok

'shaky (Bijvoeglijk naamwoord)

1 weak or trembling with age, illness etc: “a shaky voice”
beverig

2 unsteady or likely to collapse: “a shaky chair.”
wankel

3 (sometimes withat) not very good, accurate etc: “He's a bit shaky at arithmetic”
zwak

'shakily (Bijwoord)

beverig

'shakiness (Zelfstandig naamwoord)

beverigheid

'shake-up (Zelfstandig naamwoord)

a disturbance or reorganization.
reorganisatie

no great shakes

not very good or important: “He has written a book, but it's no great shakes.”
niets bijzonders

shake one's fist at

to hold up one's fist as though threatening to punch: “He shook his fist at me when I drove into the back of his car.”
de vuist ballen

shake one's head

to move one's head round to left and right to mean 'No': “'Are you coming?' I asked. She shook her head.”
nee schudden

shake off

to rid oneself of: “He soon shook off the illness.”
van zich afschudden

shake up

to disturb or rouse (people) so as to make them more energetic.
wakker schudden
© K Dictionaries Ltd.

Ondersteuning bij redigeren, proeflezen en schrijven in het Engels
Professionele hulp bij Engelstalig schrijven Vraag professionele hulp bij het schrijven van zakelijke, academische of persoonlijke teksten in het Engels door native speakers.

Overige bronnen
to shake schudden (ww.) ; bibberen (ww.) ; heen en weer bewegen (ww.) ; hort (ww.) ; laten schrikken (ww.) ; omschudden (ww.) ; rillen (ww.) ; schokken (ww.) ; schokkende beweging (ww.) ; beven (ww.) ; sidderen (ww.) ; stoot (ww.) ; tremor (ww.) ; trillen (ww.) ; triller (ww.) ; trilling (ww.) ; vibreren (ww.)
the shakede schok (m)
shake barst ; wrikken ; verwrikken ; verwikken ; stoten ; spleet ; shake ; schudden ; schok ; opschudden ; horten ; hobbelen ; doen wankelen ; doen schudden ; dakspaan
Bronnen: interglot; Download IATE, European Union, 2017.; Wakefield genealogy pages


Voorbeeldzinnen met `shake`
Voorbeeldzinnen laden....


Synoniemen
EN: be seized with
EN: beat
EN: bob
EN: cut
EN: have a fit
EN: jolt
EN: judder
EN: pulsate
EN: pulse
EN: quake

Uitdrukkingen en gezegdes
EN: shake! NL: (Am.) je hand erop
EN: shake one's fist at (in a person's face) NL: iemand dreigen met de vuist
EN: shake hands (with a person ) NL: (iemand) een hand geven
EN: shake a foot, (Am.) a hoof NL: dansen
EN: shake in one's shoes NL: beven van schrik
EN: shake down NL: afschudden, uitschudden NL: uitspreiden NL: tot een schikking komen
EN: shake off NL: (van z.) afschudden
EN: shake out NL: uitschudden, leegschudden NL: uitspreiden
EN: shake up NL: door elkaar schudden NL: wakker maken
EN: in a (two) shake(s), in a brace of shakes NL: in een wip
EN: he was all of a shake NL: hij stond te rillen als een rietje