Putters

Dialecten > Gelderland > Putters

Putters wordt gesproken in Putten Putters bevat 21 gezegden, 256 woorden en 3 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers.

PDFLog in

21 gezegden

als je van te voren al weet dat het zal mislukkenniks weerd knienen in de wienter, allemaol waoterpenzen
bah, poeh-poeh / hehe, foei tochfoi toch
ben je een haartje betoeterdbi'je noen helemaol besukerd
dat mes is erg bot.dat mes is zo stomp, daor ku'je wel op gaon zitten en naor Keulen riejen.
een flinke meideen hups ding
hij kan het niet betalendie kan 't niet liejen
hij zegt zomaar wathie kletst mar een end heen
hij zit te zuchten omdat het moeilijk ishie zit te puusten of hie een bot moet drieten
ik kan lezen en schrijven met die persoonik kan egen en ploegen mit die man
in ondertrouw zijnoender de gebojen staon
je moet nodig naar de kapper.je hen een beste smacht um de barg.
je schiet niet echt op.'t liekt wel of je mit twee benen in één kous lopen.
je wordt er niet beter vanje loopt van de gaffel in de greep
man, wat is dat koud zegblak (s) kaoter jong, wat is dat koud
niet weten wat je kiezen moetha' k mar een kop die wis wa' k wou
och jij, met je grote mondoh jie mit je grote dwarskip
uitroep van vermoeidheidhè foi
waar je werkt, moet ook gegeten worden.waor je gaon krabben, moe'je oek gaon pikken.
Weet je wat zonde isBotter op je kont smeren en dreug brood eten!
ze is zo mager als een latzie / die is zo schraoi dat ze rammelt
zo droog als sinterklaas zijn achterstezo dreug as kloasje voars kont

256 woorden

A

aan rommelen, prutsenmoeken
aardappeleerpel, erepel
aardbeieerdbees
aardejeir
ademnaojem, aojem, aosem
afstraffen, wegjagenkasseboenderen
anderaar
andereare
andersaarst, anders
andijvieandievie
armoedearmeu

B

bakhuisbakhuus
balkenbrijbalkebrie
BarneveldBarreveld, Bareveld
bedeesd, verlegenkuum
benauwd / bedrukkend weermoekerig
berkbirk
beschuitenpapbeschutepap
biggenkeujen
bijbie
binnenstebuitenkrang
blaarbleer
blindbliend
bloedenbloeien
bloeienbleuien
boerderijboederie, boerderie
bokkingbukkem
boterbotter
braambrummel
braden / pruttelensmirken
brandewijnbrandewien
briefbreef
brilfok
broeierigmoekerig

C

castrerenlubben
catechesatiekurkegezaosie
chagrijnig persoonbriezel
consistoriekamergarfkamer

D

daarheen, daar naartoedaor opan
deurdeur
dezedisse
die kant uitgindop
diefscheumerd
dik iemandgortpens
dorpdarp, daarp
droogdreug
druk bezig zijnweusten
druk tekeer gaanhiesen
druk zijnboesterig
duifduuf

E

eeltzwil
een eind wegeen end vort
een ingetogen bescheiden mager meisjeeen spientmuus
elastiekstiek
emmernemmer
erg mooiMaches mooi
ErmeloArmelo
erwtenaarten
etensrestjemoekje

F

flauw (van eten) lak (bv. lakke botter)
foeifoi

G

gat in de wegduul
gat in de wegknip
geld ontvangen of tillenbeuren
gelovengleuven
genoeggenog
gereedree
gierigaardcentedrieter, zunige drieter
GijsbertGiep
glurengloepen
goede kamerde heerd
gordijngedien
grasgres
grasmusgresmors
grondgroend
groot stukbonk
grote behoefte doendrieten

H

haar in de knot't haor op zolder
haashaos
hard werkenboesteren, weusten
HarderwijkHarderwiek
hazewindhondhaozewiendhoend
hectarebunder
heel ergaldernoods
heel ergiezig
heideheed
heiningpaalvreepaol
herfsthaarst
herkauwenneriken
herrie makenboeteren
het haren van een zeiszeisum haoren
heuvelstik
hittehet
hondhoend, hond
hoofdkaasheufdkeis
hoofdpijnkoppien, pien in de harses
hooizolderhilt
huilenbrillen
huilen, jankenbriezelen
huilen, je zin door drijvenmulen

I

iemand die niet deugtbraoierd, briezel
iemand die veel weg gaat, isklepkoent
ijzeriezer, iesder
ik hebik het
in de herfstsarest
In grote matekats

J

JacobJauk
jonge jeneverjongertje

K

kaarskeers
kaaskeis
kalf, koekuusjen
kapperbarbier
kerelkéél
kerkkark, kaark
kersenkarsen
keukengeut
kievitkieft
kijken, bespiedenlupen
kinderenkiender
kipkiep
kippenrenkiepeloop
klauwbekapper (koe) klauwekluver
klein kind, peuterkruumel
klerengrei
kletskousraotelmasjien
knoeienmoeken
konijnknien
kortste (weg) richtst
kraamvisitewievevet
kruipenkrupen
kruisbesknoepbees, knoeper (d)
kruiwagenkruuiwagen
kwaadleed, kwaod, hellig

L

laarsleers
ladderleer
langzaam lopenSjoeksen
lenteleinte
libelle, waterjufferglaozemaker, glaozewasser
lijsterliester
luikluuk

M

maartmeert
macaroni-pappuupjespap
magerschraoi
manchester (broek) besjester
meikevereekmulder
meisjedeerntje
mensmins
mesthoopmestpluus
mestvorkgreep
mistig, dampig weerheiig weer
modernyank
moedermoer, moe, moet, moetje
moedermoet
mokkenpratten
mondmoend
mopperen tegen iemandbekken

N

naaimachineneimesjien
naar huis toeop huus opan
naastbeneffen
nagelnegel
narcistelozen, tielozen
NijkerkNiekark
nunoen

O

omheiningvree
onsoens
ooi, ooilamgirm
opjagenheujen
opzijbeneffenum

P

paardpeerd
pijppuup
pissebedkelderzog
pittig, vrijpostigstrabant
plezierschik
poes, katbalkhaos, dakhaos
precieskrek

R

radenraojen
ratrot
reumarimmetiek
rijdenrieje
roderooie
rondneuzenscheumen
ruziearremoed

S

schaarscheer
schandeschaand, sjaand
scheetdreet, wiend
schepbats
schoenschoe
schortschulk
Sint-MaartenSinte-Marten, Sinte-Marten in de wienter
sinterklaassienterklaos, klaosjevaor
slaslaot
slakslek
slijmerigslieberig
smeerpoetssmeerpuup
snee b.v. in je handkip
sneeuwsnee
speculaassienterklaos
standvastigstrabant
steelsteul
stierbul
Stijl (ook wel dwarslat in een stoel) stik
suikersuker

T

tante AaltjeAaltje-meu
tarweweit
teen, tenentee, tejen
terug getrokken, kalm, rustigbleu
tintelenkellen
tochtig (v.e. koe) spillijk
toilethet huusje
tuinbonenplatte peters

U

uiuui, u, look (ouderwets)
uiluul

V

vaarskalfkuuskalf
vadervoar, voader
venster, raamvienster, raam
verbaasdbeduust
verhitverhetst
veulenvulling
vitragegloazekleed
Vlaamse gaaimarikolf
vleesvleis
vleesvarkenzouter
vliesvluus
vloekenvleuken
voerbak voor de varkenszeuning
voorveur
voorraadkast of binnenste van een boomspient
voortgaanavveseren
Vreemd kind of meisjeVreemd kuken
vrouwfrommes, wief
vrouwenfrullie

W

warm etenmuus
waslijndreuglien
wewullie
weg (niet aanwezig) vort
weg gaanvurt
werkwark, waark
werk tussen twee schaften inschoft
werkenwarken
wijwulie
wijswies
winterwienter
winterkoninkjetunekrupertje
wonenwoenen
wroeten, werken in de grond, tuinvreuten

Z

zakbuul
zenuwenzeningen
zere plekstee
zeugzog
zeurenknoren
ziek dier (kip) seibel
zij (meervoud) heulie
zoekenzeuken
zuchtenpuusten
zuinigerdknieperd
zwart werkenbeunen

3 opmerkingen

  1. De papklok is het klokkengelui om negen uur 's avonds. Dit geeft aan dat het bedtijd is.
  2. De woorden U of uw komen niet voor in het putters dialect. Net als in het engels worden alleen je, jie en joe gebruikt.
  3. In het Putters is het heel gebruikelijk dat wanneer je het over een "tante" hebt
    dat je eerst haar voornaam zegt en direct gevolgd door het woord "meu"= tante

    dus tante Aaltje wordt: Aaltje Meu