Zeels dialect

Dialecten > Oost-Vlaanderen > Zeels
Het dialectenwoordenboek Zeels bevat 41 gezegden, 876 woorden en 3 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

41 gezegden

't gaat van kwaad naar ergervan de kluëten tegen 't berd
't steekt mij tegen't ang mijn voet'n uit
aanstellerigop zijnen bouver
Als iets niets meezit, zit het serieus tegenAs 't al tegegåat za nen hond de kèrk omvèr zjieëken
dat kan ik mij niet veroorlovenda ka mijnen bruinen nie trekken
de eersteden isten, d'iste
een lelijke gezichteen lulleke miene
een mep rond zijn oreneen vlåe rond zijn urr'n
een mooie borstenpartijne vrieë vaveuren
een niemendalletjeeen scheet in een flesse
een sneetje van de uier'n schelle van d'n eur
een zielig iemandnen droeven apostel
ga eens opzijgot uit mijne gerlap
gewichtig doentantelafairen verkupen
gierigsteeg van afgoan
het bij iemand verbrod hebbenin ieënen zijn råpen gescheet'n emmen
het is een verliezerè ee 't spek å zijn klüeten
het is een verloren zaakt'schaap is de preute af
Hij loopt op zijn laatste benenZij watter zie blieëk
iemand bij de kraag vattenbij zijnen schabbernak pakker
iemand die van het rechte pad afwijktne schief zjieker
iemand liggen hebbenem een vore rêen
iemand verwensenge kum mijne zak obblåezen
Je bent stom als een rundGè zij zu sempel as oune kop dik es
klein van gestalteamper ne spuk gruet
Kookt de waterketel al? Ja allang.De müer, zoeëtsjaa? Jåen alangka.
meer dan één persoon met die naammieër as ieën koe die Bloar it
oorveegeen vloa rond ou üeren
pikzwartzü zwert as ne müer zij gat
rechtuit, rechtaangien tantelafairen verkupen
ruzie hebbender zit een håer in de botere
speciale gelegenheidJiri op cafe!!! (massaal roepen)
stoppen met iets te doenmijne zak afklopp'm
tegen iemands zintege zijne meug
uit mijne weguit mijne gerlap
verfrommeld zijnda komt uit 't peird zij gat
vreemd gaanover zijn stringe terten
wat is dat voor ietswes da veriet
Wat zei hij, wat doet hij, hoe heet hijWa zeetsje, wa toetsje, oe noemtsje
weggaan, er vandoor gaanmijn schup afkuis'n
ze is in verwachtingz'es teeg'n d'n oek van een ronde taffel gelüepen

876 woorden

(Winter) soepSmokkel
's avondstsouvest'n
's middagstsnoenst'n
's ochtendstsmèrgest'n
1centiem (voor deWOI) alfken

A

aalschepbèërloete
aangezichtweez'n
aanmaakhoutstoofout
aardåerd
aardappelpetat
aarde (grond of wereld) Eiërde
afdakdeuze
afstandsbedieningbaksken
agressief persoonagressiev'n
allee jongallij gije
alsas
amaiowè
anti-roestverf (rode menie) rüe miene
apen, aapjesoup'n, oupekes
appelmoesappeltrut
arbeidslameur
arm (lichaamsdeel) èrm
arm (toestand) gjien'n nougel emm'n om on ou gat te kravv'n
arm iemandnen eirmoezoaer
armbandbrangelee
as van steenkoolschramoelzen
asbakassenbak
aspergesasperzen
atletiekerne luueper
autootto
autopedtrontinet
autopedtrontinette

B

baardbåerd
bakkeroefteflikker
balgommelaa
balpenstielo
bangbenaat
bangerikschou schete
bedbedde
bedisselenkonkelfoezen
bedpanzjiktieële
beenbieën
beetje scheelschaloens
bendeopsjerik
benzinenafte
bepotelenoverpampeln
beu kindoupejonk
beukenootjebiekenotsjen
bevrorenbevrooz'n
bier drinkenpotte schel'n
biertjene pot, em pinte
bigvigg'n
bijnabekans
bijnabekan
bijnaost
blaaskaakblageur
blaffenbassen
blauwblaat
blauwbla, blaat
bliksemhemellicht
blindenblaffeturen
bloemenblommen
bloemenblomn
blootvoetsberrevoets
boekentaskarnesjair
boekentaskannasjeiër
boekentaskanaseir
bokfopperik
Boodschappenkomisses
boodschappentaskabaa
boombuuëm
boontjesbuuntjzes
bord (soep-) (diepe) talluere
borreltjefoezzelken
borstelbustel
borstenmammen
borstenbollen
borsten (vrouw) tetten, memmen, loezen
bosoutrik
boterhambottram
boterhambotram
botermelkkerremelk
braakliggend stuk grondvouge
brandnetelstingels
brandweerpompiers
breienbrein
breiwolsjette
breiwolsette
brievenbusbwoate
bromfietsbrommere
broodpuddingpottink
brouwenbraan
brutaalasschrant
buiten adem't ert af
buiten ademtenden åassem
burgemeesterbörremister
burgemeesterturkenterter
buurtwinkelbei dn dikken raf

C

caféstammenee
caviastinse ratte
chicoreipeen
chrysantallerheiligenblomme
condoomcapote

D

dadelijksebiet
dakgootkornisse
damesmantelpalto
dasplastrong
dat is fijndes leutig
dat is tof!das fijn
de derdede (n) derde (n)
de gbde sarama
de huurduishure
de liesiekenissen
de relatie tussen neven en nichteneigeregswers
dekensarge
dekselschele
denk er nog niet aanda peis ik
deurkrukklinke
deurlijstsjambrang
dikkopjepuiloemeken
dikwijlsiëegallig
dikwijlsdikkest (en)
dinsdagdeisendag
dinsdag deisendag
dobbelsteenteiërlink
dokterdoktoor
dokterdokteur
doktermarsjoeffel
dom iemandNen troeten
dom meisjetuite, kalle
dommentroet'n
dommeriktroet'n, wuit'n, annewuit'n
doodmoepompaf
doodskistlichter
doodslaanduudslogen
doorwerken, voort doendeur doen
draagtaskaba
driedrè
driehonderddrêonderd
drinken (gulzig) loeten
drinkflespulle
drolrendel
dronkenzat
drukte (menigte - toeloop) begankenis
duimspijkerpunijze
duimspijkerpineieze
duizendduusd
dwaas persoonmoemmere
dwars doorlossen deur
dwarsliggerdweiëszak
dynamometernen uisel

E

eenne, nen
eenieën
een aanstellerne jan mijn kluëten
een bergnen huuep
een beu menseen geiette
een boterhamnen botram
Een dommerikne muten
een emmernen iejmer
een glas bierne gloazn botram
Een inwoner van Merksplasspetser
een kwartjeu kartjsen
een lage zoldereen schelfken
een maneen mannemens
een onozelaareen simpele duive
een oude vrouween a meken
een simpel meisjetrezebeze
een specialeeen tiptoerte
een vrouween vra
een vrouw die grondig poetsteen pluutte
een wenend kindeen schriëmuile
eendenze
eerstist
egelstekelveierken
eitiekenei
ei, eierenê, êr'n
eigenaardigRåal
eilandêland
eitjetiekeneiken
eitje (kindertaal) tiekeneiken
elastiekrekkere
elastiekrekker
elektricieitelentric
emmerieëmer
enkelsknoessels
enkelsknoesels
eretekenmedalze
ergvrieëd
ergensieveransten
ergenserges
erwtjesertjzes
eventjesrezzekes

F

familie verwittigen bij een sterfgevalhoeien
faseindelingde gezegdes van de timon
fietsvelo
fietsvielo
fietspedalenterten
fietsstuurgiedong
flauwerikflaan tiest
fluisterenfezel'n
fluitenscheuffelen
foefelaarknosseleir
fopspeenpijpe of tute
fototoestelportrettentrekker
frakkazzjoelzje
freaknen alven

G

ga uit mijn weggaet uit mijne gerlap
garnalengernout
gasgaaze
gat, gatengat, goaten
gedurendetwenst
geelgijel
geeuwengaupen
gehaktgekapt
geitjebellegetjen
geitje (kindertaal) bellegetjen
gelijk, zoalsgelek, zuas
geluksvogelsjans buzze
gescheiden vrouwleefdige weeve
gesuikerd muntjeeen valdaken
geulzeppe
gevaarlijkprijkeleus
gevaarlijkpreikeleus
gevangenisbak
gezichtsmoelle, tootte, muile
gierig zijnde ruuek allieen goat deur de scha
gierigaardpezewever
gladpleijn
glasklonkoart
glazuurreziersel
goed samengaanacoorderen
goedendagdjeur
goederentreinmarsjandies
gommetjesjijipkes
gooienroe'n
gootsteenpombak
gordijnstorse
gordijnstosse
graaggeiërn
graag, gaarnegiêëren
grindkeikes
groentegroensels
groot zijnkevin
grootmoedermit / mitte
grote (dorst) gralekken (dust)
gulreaal
gulpspriet
gulzigaardschoeffel
gum snoepjesjezipken

H

haagweire
haagwiêër
haan (kindertaal) tiekenoan
haaroar
haarhoar
haardiêërd
haasoas
haasten, voort makenaffeseren
Haja (stopwoord) Awa
handand
handtassjakkosse
handvolrafel
handvolaafel
hardert
harenieëven
harkrouke
hartert
le
hebben en houdenbataklam
heel lomp zijnzu lomp ast peird va Christus
heidaarheilaba
heilig oliesel toedienenberechten
hek (het) 't ekk'n
helicopterrekorter
hemelpanderik
hen (kindertaal) tiekeninne
hesp epse
hespepse
het eerst't ist
het stationde stouese
Het zal welzijnvan neiggest da
hetzelfdevans gelijken
Hij is op zijn gezicht gevallenhij hé kasseibrand
hondond
hond (kindertaal) boevenhond
honderd100
honingeunink
hoofduuëft, kop
hoofdvlees (hoofdkaas) kop
hooguuëg
hooivorkgaffel
hoor
horlogeorloege
horlogeorloesj
horlogemakermonterikkeflikker
horlogemakerorloezezooer
houdenaan
houden vangeire zien
houweelpiosje piosse
huichelentoten trekken
Huiseen uis
huisuis
huisjesslakmuishond
hutsepotsmokkel

I

idiootpeird va Kristus
iemand die iedereen naar de mond praatflammakker
iemand die tegenwerktkluëtzak
iemand die van gedachten verandertfrakkekieërdere
ijshoorntjetoeter kaad
ijsjetoeter kaat
ik denk er niet aan!schet omuug, pep gij mij nekeer gij!
ik voel mij niet goed'k voel mè mottig
ik zal dat niet doenbakkendoe
in verwachtingin possiesse
ingestortin ieën gescheet'n

J

ja hetjoat
ja hijjoa
ja hoorja zunne
ja ikjoak
ja ikjoik
ja zejoas
jaarjoar
jaarmarktjarremert
jaarmarktjorremert
jarig zijnverjoarn
jaspalto
jas (ne) frak
jasfrakke
jasfrak (ke)
jeneverjeaneuvel
jeuküksel
jeukenükken
JoëlNAIN
jongste (van het gezin) kakkenestsjen
juliiegulder, gunder
jute verpakkingamblazje
jute zakboale

K

kaakkouke
kaalbluuetekop
kaalhoofdblutekop - pletskop
kaarskeiëse
kaaskoas
kachelstoove
kachelstove
kalfmutten
kalftroeten
kamerkommere
kastkasse
kastanjekastanznote
katkatte
katkattemienne
katkattemiene
katapultmik
katapultne mik
kater (van het drinken) outen kop
kauwgomsjieke
kerel, gozer, makkerbleeken
kerktoezichter of kosterde swies
kerkwachterde swies
kermiskermoelzje
kermiskoekjeammelie
kerskaazebeeze
kersenkazen
kerstdagkestag
kettingkeet'n
keutelrendel
kikkerpuit
kikkerdrilpuirek
kikkervisjepuiloeme
kindpiep
kinderfeestbartjes kidibull party
kindergebittandebieterkes, bietemannekes
kinderstoelkakstoel
kinderwagenfotture
kipkieken
kipkieken - moeder ;)
kip aan t spitnen houen
klapluikblaffetuurken
klauterenklefferen
kledingbeschermer tegen mottenmotteballen
kleefpleistersparradra
kleerkastklierkasse
kleine zoldereen schelfken
kleuterschoolkakschool
kleuterschoolfreubelken
klompenhouten schoenen
klompenblokken
klompenmakerblokmoukere
kloof in de mondhoekenschurrebek
kloosterkluuester
knikkermerrebol
knikkermerr
knikker (grote) bolleket
knikkerbaankerrekrekel
knipperlichtpinker
knoeienmuëssen
knutselenfotteren
koe (kindertaal) koebui
koe, koeienkoe, koeën
kofferkoeffere
koffieladderdedoeë
kokenzoeën
kolenkitne koolbak
komenkommen
kookpotkastrolle
kookpottest
koolkuele
koolasseschramoelzen
koopcentrumkuuepcentrum
koordjekurreken
koortjekurreken
kop koffiekomme kaffee
kopenkuuëpen
koppelingambrieage
koproltoempelpatrijs
kortademig, aamborstigdempig
koudeallergieverroan
krabbenkravven
kroonkurkschilken
kroonkurkstopsel
kruiwagenkerrewougen
kuikentsjiepken
kuikentjetsiepken
kussentoot'n, muil'n
kussenslopenflawijnen

L

laag (niet hoog) lieëg
laag, lagenlaug, laugen
laarzenbotten
laatsteleste (n)
ladderlieëre
lage zolderschelfken
lampekapabbazjoer
landbouwerboer!
landbouwerne vandjurren
lang iemandpannelatte
Lange benenLange tremen
Lange jaspalto
latenloaten
lawaai makenlaweiten
leeuweriklieëwerk
leurderfokker
lichaamlijf
licht geraakt iemandtrunte
liesiekenis
linkshandig zijnne slunksepuuet
lomperikdoazerik
loodsangaar
lucifersteksken
luierpisdoek
luikblaffetuure

M

maak je weg, verdwijnmekt ou
maanblikkerinne
maandmond
maandagmondag
machienmasjien
maïssponse terve
man met behaarde buikden ourenbuik
man met radioraddioactieven
mantelpalto
manueelmee d'hand
marktmert
meelijwekkende vrouwsluëre
meikevermolder, malder, mulder
merelmeirlo
merriemerre
mesthoopmessink
met gespreide benenscherlabieëns
met iets sleurenschokkedeiezen
metermit
meter en petermit en pit
mijn jongste broeronze klèn'n
mijn oudste broeronze gruëten
min of meerhalvelings
misstappenverfurtellen
mistsmuër
moedermoedre
moeder-mamameiken
moeialachterwoarasse
moeilijk iemandkrevvenbijter
mondgeule
mondtootte, muile
mooischuën
moordenaarmollekleunder
mortelmurtel
mortelmurtele
mosterdmostoart
motorkapcapo
mutspillemutse
muziekboxooparleur

N

naaktbluët
naaldnalze
nachtemmerpispot
nachtkleedtabboard
nageboorteschuëmaksel
navelbandjeaffelschroeërk'n
NederlandOlland
neefkoz'n
neen hetnjiet
neen iknjiek
neen iknieèk
neen zenjies
negentignegentig, tnegentig
nergensniefranst
nergensnieveranst
Nertsbontmiene
net nie droogklamp
neteltingel
netelstingelen
neusfliep
neusneus, neuze
neusvochtsnottebelle
neusvochtkeise
nietwaarnoi
nietwaarawa
nochtanspertang
nochtans pertang
nutte tooiplansier

O

obesitasslijkevet
ocharmeajirre
oeioewij
OLHeer beestjepieternelleke
olielampkinkee
om de beurtover d'hand
omruilenmangelen
omruilenvermangel'n
onderkleedkommieniezong
onderwijzermist'r
ongeschoren benenangora kousen
ongeveera veir gelijk
onhandigslungse puueten hemmen
onlangsoverlest
onnozelaarnnewuiten
onnozelaarannewuiten
ontrouwe manne schieefzjiekkerre
onweervlouege
onze buurmanden dieen hier neffest
oogsjoerder
oog, ogenuuëg, uuëgen
oor, orenurre, urren
oorwormurrezuiper
op een hoop't uëp
op het voetpad gaanop 't planchier goan
opgetutte vrouwsalongpoppe
opnieuwvederom
opnieuwverdrom
opscheppenstoeffen
optimistoeptoep
opzadelenopsolferen
opzijopzè
oudersaars
overdadig geschminktmoemer
overdekte schutplaatsafdaksk'n
overgevenspau'n
overjasperdesu
overvallenoverbommelen

P

paaltjepalken
paardkavvalzje
paardpiêërd
paardenbloempisblomme
paardenbloemenpisseblommen
paardenmondpiêërdemuile
palingploemslinger
palingvissenporen
pannenlappenmollekes
pantoffelssletsen
parapluparlapper
parelhoenpandaar
pasenpouessen
pedaalpidal
peperkoekpongkoek
perenboompêrelêr
perzikpazink
peterpit
piemeltjepiluiterken
pijnzeer
pinksterensingksen
pitten (in sinaasappel) kerrekes
plaatsenplasseeren
plafondblaffong
plassenzieëken, pissen
plat bordtaluuere
poederpoer
pokenkoteren
politiepollies, polliese
politieagentsjampetter
pookkoterrauk
pookkoterouk
postzegeltember
potonderzettersbèrrekes
pratenproaten
pratentreuvelen
precies (gelijk) bots (gelijk)
precies, net alsofbots
preipirê
prentjebieleken
prutserknosseleier
pyamapiezema

R

raar lopenlupt een bitje roar
raar mannekenward
raar, vreemråel
raar, vreemdråel
racefietskoersvelo
rammelaarkloterken
rammelenpreutelen
rap evenrezzekes, aga efkes
ratelne kotereir
ratelkotereir
rechtsreks
rechtuit (gezegd) vlak af (gezeed)
reflectorkatuëge
regencapebasjken
regenwormteek
remfrein
remmenfreinen
rijkaardfokkebol
rijkswachtersjanderm
ritstierette
roddelmadamlameere
roestbroest
rokensmessen
rolluikperseine
rolluikpersijne
rolluikparsenne
rommelmarktaa mert
roodruued
roosterrustere
ruilenmangel'n
rukkensnokken
rupsviermoi
ruzieambras
ruzieboelzje

S

salamisossies
sandwichsantwiet
schaapschoap
schaatsenschoverdain
schabank
SchaduwLoemerte
schommelbeis
schommelbeize
schommelbiezabeize
schoorsteenscha
Schopeen schuppe
schoppen (boer) pijkerr'n (zot)
schorsschusse
schouderschaaer
schouder, schoudersschaar, schaars
schroevendraaiertoernavies
schuifafritser
schuin (over) noes (over)
schuwschau
seringenscherringeleirs
simpele zielmuller
sinaasappelappelsien
sintelsschrammoelzen
sintelszendels, schramoelzen
slasaloa
slasalloa
slaanboffen
slabbetjebavette
slagerbienhaar
slakslekke
slapenslaupen
slechte kwaliteitbazaar
sleeijsstoel
sleutelsneutel
smaakloos biermerrezjiek
snee (hesp) schelle (epse)
snelagaa
snobfloize
snoevenboffen
snurkenronken
soepsoepe, sjoepe
soepborddiepe taluuere
soepvleesboelie
spaakriejong
Spadeeen spåe
spatbordgerdeboe
speekselspuk
speelbalgommela
spelendzjokkeleuren
speurhondmoazerik
spinspinnekoppe
spinaziespinozze
spinaziespinazze
spleetgerreken
spookspriewoal
spookspriwoal
stappenterte
steenstieën
stekelbaarsbråme
stervenmollen-kikken
stoeferbloaze
stoeientjokkeleuren
stoeienjokkeleuren
stoepplansier
Stoeprandnem borduur
stommerikmetteko
stopverfmastiek
Straateen stråete
straatstroat
StraksSefves
stringreetveter
stripboekbielekesboek
stropenstruuëpen
stroperigrekkebuzze
struikelenverfurtelen
stuiterbalgommelaa
stuur (van fiets) giedong

T

taarttoerte
tachtigtaggetig
tafeltoffel
tafelkleedammelouken
tafelladetaffelschuive
takoutriksken
takkenbos'n spinse hout
tandartstantiest
tandartstantist
teentieën
tegenwerkenkluëten
tegenwoordigsirreworrig
tegenwoordigvan 't sirreworrig
ter plaatse trappelendesteren
terug, opnieuwvaneir
the bestFendt
tintelensingel'n
toch welbakkendoen
Toch wel / t och nietToetoet / battendoet
tochtig (vb van koe) spellig
tonglangerik
trappenterten
trein (kindertaal) tsoekentrein
treuzelenoetelen
triestig iemandschrieëmuile
troepbattaklang
trouwentraaen
trouwentraaën, traven
Tuinnen of
turnenjemenasj
twaalftwalve
tweehonderd200
twintigtwuntug

U

uit de wegmekt ou
uitgeteld zijnteutegommelaa
uurwerk met slingerringelateur
uw haar wassenmijene kop wasn

V

vaasvaze
vaderaken
vadervaddere
vaginapreute
vaginafepe
vaginatreuze
vals spelenzeuren
valsspelerzeurzak
valt benedenpletst beneen
varkentutteveirken
veerressour
veertigvirtig, tvirtig
veiligheidsspeldtoespelle
veld-buiten-landoperik
veldslamuiznurn
veldslamuiznurrekes
velgzante
velgzjante
veloursbroek'n floren broeke
vensterluikblaafetuure
vensterluikenwotterbloaren, blaafeturen
ventielsiepape
veranderensjangeren
verfrommeld zijndas precies deur een koë eur ol getrokkn
Vergeet het maar!Da ziede van hier!
vergietstramein
verkoopvandiesse
verkoudheidvallink
vernielenverrinneweren
versnellingenvitessen
verwernd kindbedervelink
vetersrijkurden
viervier, viere
vijfvijf, vêf
vijftienveftien
vijftigvijftig, veftig, tveftig
vingerflikker
vlaaivloa
vleeskrie
vleugel (vogel) vleurink
vliegenraamasperante
vliegertouwklau
voetbalgommela
voetpadtrotwoir, planchier
vogelkooikeeve
vogeltje (kindertaal) pietevogelken
vollediggillegans
voortmakenaffeseren
voortuinvurhof
vorkverket
vreemd figuurne roalen apostel (e)
vrijgezeljonkman
vroedvrouwachterwoarasse
vrouwmosse
vuurwerkvierweierk

W

waaienwoan
waard, herbergierwoard, erbergier
waard, waardevolwiêërd, wiêërdevul
waarzegsterachterwoaerasse
wagenwaugen
wandklok met slingerringlateur
warme waterkruikweirme bloaeze
wat voor eenoekene
waterploemp
waterwotter, watere
waterslanglansse
WC't husken, 't vertrek
wcthusken
weggaanafterten
weggaanritsen-foeë fokken
wei, weide
wel ja (a) ba ja
welkewakkene
wenenpijpen
werkentrafakken
werkentraffakken
werkmantravauman
werpen, gooiensmijten
wesp wipse
wespwipse
wiedenwien
wielertoeristgod ons hier op de bouenne
wielertoeristdebielen
wijwunder, wulder
winkelenkommiessen doen
wit/roze spekslappe treuze/slappe wieze
woensdagwunsdag
wonenweunen
wordenwerren
wordenworre
worstwust
worstwuste
wortelwuertel
wortelenwurteln
wurgenversmachten

Z

zadelzoale
zakmelis
zakgeldne pré
zakgeldne cens
zal hijzoutche
zal ikzouk
zal jezoudegei
ZaterdagZotterdag
Ze zijn gelijkze zijn eender
zeefstramien
zeefstramijn
zeefzift
zeemvelzieëme lap
zeer, ergnêg
zeilbasse
zeszes, zesse
zestigzestig, tzestig
zeventigzeventig, tzeventig
zichzelf snijdenou êgen snêin
zijzunder, zulder
zij, zijkantzê, zêkant
zijn kans wagenem offeturen
zingenparnassen
zo nodigmalgree
zoalszuas, gelek as
zoenbeeze
zomerrufterik
zonlichterik
zuinigprofeitig
zullen wezoumen
zwalpendweiselen
zwaluwzwalm
zwartzwert
zweetvoetenzwietpuueten stinkpatees
zweetvoetenzwitpuût'n
zwezerikkensipiten
zwijgaad ou tootte

3 opmerkingen

  1. 3. bij de uitgang `en` wordt enkel de `n` uitgesproken
  2. Het moeilijke bij de fonetische weergave van een dialect is hoe klinkers worden uitgesproken.
    å is dezelfde klank als in het Noors: een zware a, bijna een ou. Komt vaak voor als tweeklank met een doffe -e, b.v. dråen-draaien /
    è klinkt als de e in ver maar dan lang uitgesproken /
    ië is een tweeklank die klinkt als ie-e /
    ü klinkt als de uu in vuur /
    ei is zoals de standaard-ei maar niet als tweeklank (dus zonder die ie klank erna)
  3. Met alleen een woordenlijst dek je een taal natuurlijk niet helemaal af. Het Zeels heeft, om maar iets te noemen, de Germaanse Umlauten in de 2de en 3de persoon enkelvoud van een aantal sterke werkwoorden overgehouden. Bijvoorbeeld: Lüepen - ik lüep, gè lupt, è lupt, wulder lüepen, gulder lupt, zunder lüepen. Merk op, dat de 2de pers. mv, net zoals in het Duits een -t vorm is. Iets wat in het algemeen Nederlands helemaal verdwenen is.