Vertaal
Naar andere talen: • run > DErun > ESrun > FR
Vertalingen run EN>NL

1 (of a person or animal) to move quickly, faster than walking: “He ran down the road.”
rennen

2 to move smoothly: “Trains run on rails.”
lopen

3 (of water etc) to flow: “Rivers run to the sea”
stromen, lopen

4 (of a machine etc) to work or operate: “The engine is running”
(laten) lopen

5 to organize or manage: “He runs the business very efficiently.”
leiden

6 to race: “Is your horse running this afternoon?”
rennen

7 (of buses, trains etc) to travel regularly: “The buses run every half hour”
lopen

8 to last or continue; to go on: “The play ran for six weeks.”
lopen

9 to own and use, especially of cars: “He runs a Rolls Royce.”
rijden in

10 (of colour) to spread: “When I washed my new dress the colour ran.”
doorlopen

11 to drive (someone); to give (someone) a lift: “He ran me to the station.”
rijden

12 to move (something): “She ran her fingers through his hair”
laten gaan

13 (in certain phrases) to be or become: “The river ran dry”
worden

1 the act of running: “He went for a run before breakfast.”
het hardlopen

2 a trip or drive: “We went for a run in the country.”
tocht

3 a length of time (for which something continues): “He's had a run of bad luck.”
periode

4 a ladder (in a stocking etc): “I've got a run in my tights.”
ladder

5 the free use (of a place): “He gave me the run of his house.”
vrije beschikking

6 in cricket, a batsman's act of running from one end of the wicket to the other, representing a single score: “He scored/made 50 runs for his team.”
run

7 an enclosure or pen: “a chicken-run.”
ren

'runner (Zelfstandig naamwoord)

1 a person who runs: “There are five runners in this race.”
hardloper

2 the long narrow part on which a sledge etc moves: “He polished the runners of the sledge”
rib

3 a long stem of a plant which puts down roots.
uitloper

'running (Bijvoeglijk naamwoord)

1 of or for running: “running shoes.”
hardloops-

2 continuous: “a running commentary on the football match.”
doorlopend
one after another; continuously: “We travelled for four days running.”
achter elkaar

'runny (Bijvoeglijk naamwoord)

liquid; watery: “Do you like your egg yolk firm or runny?”
zacht, waterig

'runaway (Zelfstandig naamwoord)

a person, animal etc that runs away: “The police caught the two runaways”
vluchteling

'run'down (Bijvoeglijk naamwoord)

tired or exhausted because one has worked too hard: “He feels run-down.”
doodmoe

'runner-'up (Zelfstandig naamwoord)

a person, thing etc that is second in a race or competition: “My friend won the prize and I was the runner-up.”
tweede

'runway (Zelfstandig naamwoord)

a wide path from which aircraft take off and on which they land: “The plane landed on the runway.”
startbaan

in

having (no) chance of success: “She's in the running for the job of director.”
in, uit de weg

on the run

escaping; running away: “He's on the run from the police.”
op de vlucht

run across

to meet: “I ran across an old friend.”
tegen het lijf lopen

run after

to chase: “The dog ran after a cat.”
achterna zitten

run aground

(of a ship) to become stuck on rocks
© K Dictionaries Ltd.

Ondersteuning bij redigeren, proeflezen en schrijven in het Engels
Professionele hulp bij Engelstalig schrijven Vraag professionele hulp bij het schrijven van zakelijke, academische of persoonlijke teksten in het Engels door native speakers.

Overige bronnen
to run hardloopwedstrijd (ww.) ; lopen (ww.) ; ladderen (ww.) ; ladder in kous (ww.) ; ladder (ww.) ; in stromen neerstorten (ww.) ; in stralen lopen (ww.) ; in elkaar overlopen (ww.) ; hollen (ww.) ; hardlopen (ww.) ; luiden (ww.) ; hard rennen (ww.) ; gutsen (ww.) ; gulpen (ww.) ; gaan (ww.) ; draven (ww.) ; draaien (ww.) ; besturen (ww.) ; bestorming (ww.) ; stormloop (ww.) ; zich begeven (ww.) ; werken (ww.) ; voeren (ww.) ; vloeien (ww.) ; vervloeien (ww.) ; vervagen (ww.) ; uitvoeren (ww.) ; stromen (ww.) ; stormlopen (ww.) ; beheren (ww.) ; stormaanval (ww.) ; sprinten (ww.) ; runs (ww.) ; run (ww.) ; rennen (ww.) ; racen (ww.) ; pezen (ww.) ; offensief (ww.) ; attaque (ww.) ; administreren (ww.) ; aanval (ww.)
the runde loop (m) ; de doorloop
run lopen van motor ; aanrijden ; lopen ; loop in de zin van stroming ; lengte ; lasrups ; laslaag ; in zijn werk gaan ; in een trek gelegde rups ; het doen ; gang ; functioneren ; draaien van motor ; doorgang ; bil ; aanloop ; loper ; machinegang ; oplage ; opraken ; reiken ; rit ; sleepweg door het bos ; snellen ; stromen van een model ; uitloop ; veldlengte ; verloop ; verwerkingsgang ; vlucht ; voorrijden ; zich uitstrekken
Bronnen: interglot; memberfiles.freewebs.com; Wikipedia; Wakefield genealogy pages; Vlietstra; KDE opensourcesoftware; Autowoordenboek; Download IATE, European Union, 2017.; MWB; cibg.be; TU-Delft-Hydraulic-Engineering-Glossary


Voorbeeldzinnen met `run`
Voorbeeldzinnen laden....


Synoniemen
EN: administer
EN: dash
EN: direct
EN: exercise
EN: flood
EN: gallop
EN: go
EN: go for a run
EN: go jogging
EN: go running

Uitdrukkingen en gezegdes
EN: he who runs may read NL: dat zie je zo
EN: run a person home NL: om het hardst lopen met iemand om thuis te komen
EN: run blood NL: bloed verliezen NL: bloeden
EN: run a thing close, fine NL: iets er net afbrengen
EN: run a person close NL: iemand vlak op de hielen zitten
EN: my blood ran cold NL: 't bloed stolde me in de aderen
EN: run its course NL: gewoon doorgaan
EN: run dry NL: opdrogen, opraken
EN: run errands NL: boodschappen doen
EN: run one's head against NL: met het hoofd lopen tegen
EN: run high NL: hoog zijn, oplopen NL: hooggespannen zijn