Vossems Vossems wordt gesproken in Vossem, een gemeente in Vlaams Brabant en deelgemeente van Tervuren. Vossems bevat
3 gezegden, 486 woorden en
0 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers.
Log in
3 gezegden beuzze geiven van katoen geven op radaai gaan op stap gaan zijn devoeren doen zijn werk doen
486 woorden A aar ei adai weg, verdwenen affront vernedering afront schande aftoeken afranselen aftoeken slaan aftrekker flessenopener aftrekker kurkentrekker ait hout ait oud ajooin ui allemoal allemaal ambras heibel amende bekeuring anneke ekster annekesnest warboel appelseen sinaasappel as als astrie straks attrapeiren betrappen averechts achterstevoren azaain azijn B b§dd§len (§ doffe e) schreeuwen babbelkais lameir bais regenbui bakkes gezicht balladeuse looplamp bash dekzeil baskul weegschaal batiement gebouw baven bouwen bavet slabbetje bedoeft muf bedoempen bedampen bee bier begankenis drukte beik beek beir beer beis kus beiven beven beiven bibberen beiweg bedevaart bekkan bijna bekke beetje bekker bakker benei beneden berdemoike klein lichtje berrevoets blootsvoets bessem bezem beurger burger beustel borstel bienaaver beenhouwer billeke foto billeke plaatje bishke beestje blaait blauw bleiten wenen bloaze blazen bloets deuk blokken klompen boat baard boebel bult boeffer beroepsmilitair boeis buis boekig koppig boekkig bokkig boekkig koppig boem boom boesjendvol boordevol boestering bakharing boesterink bokking booik buik botten laarzen bra erg bra kaait zeer koud braaver brouwer brikkei aansteker broebelen mompelen bucht rotzooi C calpain schooltas cassoel kookpan commissies boodschappen D daishtereir prutser daisteren knoeien daisteren morsen dashteren morsen dazen achteruit gaan de zie de zee deef dief dei die deiven duwen den troep het leger derdisterweiren kapot doen desduvel pikdorser dettien dertien deust dorst dier duur dikkenek arrogante dikkes dikwijls doajust daarjuist doef klap doei deur doeiken duiken doeiveshapper duivenmelker doeivesjapper duivenmelker does doos doets kookketel voor kleren dol hommel draai drie draissen regenen drash regenbui druug droog duvel duivel dweis dwars E eel hiel een bais reigen een regenbui een beeke een bij een doef een doffe slag een eng een eend een gaat een geit een gebeur een buur een keidel een pit een knoesel een enkel een meer een mier een plastron een das een vleeg een vlieg een voeze vrucht een voze vrucht eer aarde eiring haring eit erwt eiten erwten eizel ezel eng eend erroize opwinding espres met opzet ett hard ettefretter bars persoon ettefretter hartenvreter ettefretter zeurkous eulf elf F faait fout fafoel dikkenek fakteur postbode feiselen fluisteren ferket vork fernain insekten op planten fikfakken beuzelen fla flauw flaa flauw floam fluim floeis straks foefeleir oneerlijke G g§b§len (§ doffe e) overgeven g§dd§ (§ doffe e) val gaat geit gazet krant geil geel geirnoot garnaal gekapt gehakt gelettig glad gemainte gemeente genken wenen gerat helemaal ges gras geubelen braken geudde val gewente gewoonte gielegans helemaal gobbe domoor goestink hebben zin hebben graais grijs graaizen wenen graizen wenen grecht gracht greip riek greun groen gritsel hark guedde val H handteif handvat hank schap hee hier heimel hemel hielegans helemaal hoeis huis hoenger honger houille kolen houillenboer kolenhandelaar I iemer emmer ien één ienkelgeld kleingeld iet heet in tets op tijd in't snoeike in't oog J jawadde amaai joazakken heigen joengelen jongeren just juist justeire waterput K k§pper (§ doffe e) mannelijke duif k§z§len (§ doffe e) werpen kaaike kijken kaais kous kaaise kousen kaait koud kabberdoesjke cafeetje kaits venijnige vrouw kallebas brieftas karna hangslot karottentrekker plantrekker kask helm kaspoesjeir stofjas kasprooi kast kazakdroeier overloper keek kip keikelen kittelen keimel kemel keir kar keis kaars keis kaas keiskop nederlander keiver kever keiveroot kever keizewa madeliefje kekevlies kippevel keust korst kheutse koorts kiekefretter Scheldnaam voor Brusselaars kifkif gelijkwaardig klaan klein klashkop kaalkop klet klap kliere kleren kloefkapper lomperik kloeits hoeveelheid kloek moederkip kloeten pesten klot kluit knoesel enkel knoeselen stekelbessen koei koe koeiterhoak pook koesch rijtuig kollebloem papaver kommeune communie korbïjaar lijkwagen kornish dakgoot kotteer kwartier kozze kozijn krak uitblinker krakkebaas blauwe bes krebber schoffel krebber schrepel kreitelek ergerlijk kreiten plagen krewellig prikkelbaar krikkel zenuwachtig kroem krom kul onzin kurre varken kwaaize halvegare kwaaize idioot kwaaize kwibus kweddeleer pruller kweddelen moeilijkheden kwein oude vrouw kwistenbiebel kwibus L laaif lichaam labbekak flauwerik lameir kletskous lamenteiren jammeren lampetten bierdrinken lavelier laurier leifke onderhemd leipel lepel lemme lam leste laatste lier ladder lillek lelijk loake laken lodder bromvlieg loeffer onbeholpene loeirik luiaard loeis luis loemmer schaduw loemp lomp loeten grillen loeten kuren lup lip luu leeuw M maase meid mankeliek gebrekkig maske meisje maur modder meimel houtworm meit maart melber knikker melter milt memmen zeuren menne jongen merbel knikker merge morgen met markt metteko kwajongen metteko vervelende jongen mettekoo stouterik meug moe meurg gaar meutte kalf miester meester miezelen motregenen mijmel houtwormkever moer waterketel moind maand mokke meisje (mooi) mooisj muis moor modder N naig erg neeus nieuws neffens naast neige negen nestel veter neut nieuw nie neen nieverans nergens noeigelenboeik navel noois neus O oechel struik oeg oog oeille kolen oer oor opneimvod dweil opneut opnieuw opsolferen aansmeren overboeft teveel gegeten P paltau jas parraa prei pashakroet voddevent paulink paling paut poort pazen peizen pei oude man pei vent peir peer peiremispel wesp peit paard pertang nochthans peuttes angst pijpel vlinder pikdesser maaidorser pikkuur inspuiting pil lampbatterij poef schulden poembak wastafel poepes schrik poet poot poetrel metalenbalk polle hand pollen handen pompier brandweerman posjenze geduld potloat potlood pottepei dronkaard prei loon prei wedde R raar mannetjeskonijn raclette vloeraftrekker rats helemaal rekkertje elastiekje roefeling rammeling roemel rommel roet rood ros feeks rustinneke fietsplakker S schaa schouw schaufelink houtkrullen schaup schaap schaver schouder scheir schaar schup schop seir serre seuze deken shipke kuikentje sjanzaar gelukzak sjat kaffee tas koffie sjerp sjaal sjik kauwgom slezze slede sloape slapen sloeffen pantoffels sloekker slokop slum slim speen, aambeien spein spieken spuwen spraa bedsprei stamenei herberg steikelverken egel steir ster stoeffer pocher stoem stom stoempen duwen stoof kachel stopsel kurk straut straat stroat keel T taigeste hetzelfde taike snul tainke tante taloor bord taufel tafel taut taart teiren durven teirlink dobbelsteen tenoste toekomende ternoeën plagen ternoo daarna ternoo erna tes broekzak teut flessenhals toefelen werkjes doen toeffelink pak slaag toeffelink rammeling toot muil treig langzaam trossel tros tweulf twaalf twie twee U uit de not ontwricht uksel jeuk uuplink kussensloop V v§z (§ doffe e) kikvors vaaif vijf vaaiver vijver valees valies vareus trui veer vier veloo fiets venneir opnieuw verdaisteren opdoen verdisterweiren kapotmaken verdistruweiren vernielen vergrezzelen verschrikken verneet gratis verschieten schrikken versingeld verschroeid verwezzeld verweesd ves vers vessem hiel veus kikvors veusschoet voorschort veust vorst (winter) veust vuist viesgezind kwaad vinster venster vlieger vliegtuig vlies vlees voe vrouwtjeskonijn voilkeir vuilniswagen voischdoen voortdoen vra vrouw vroem wederom vroem weerom vroenk stronk W waa weide wanten handschoenen wauter water weik week weuttel wortel weuttelen wortelen wuffel puistje wuffel wrat Z zaait zout zabberen morsen zebberen motregenen zeine zenuwen zeive zeven ziever zever zievereir zeveraar zjilei vestje zooien koken zooig vrouwelijk varken zwanzen onzin verkopen zweer schommel zwette zwarte zwettekeir vuile vrouw zwolm zwaluw zwozze zwoerd