Boakels

Dialecten > Noord-Brabant > Boakels

Boakels wordt gesproken in Bakel Boakels bevat 52 gezegden, 502 woorden en 0 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers.

PDFLog in

52 gezegden

't regent dat het niet mooi isut reigent dêt hoorst
alles en iedereenden hille Pil (=Peel)
daar heeft hij een oogje opdor hittie un uijgske nôp
daar komt hij aan op zijn lawaaierige klompendôr kumt ie angeborteld op zijn klômpen
dat bestaat nietdê besti nie
dat doet hij nietdê duut ie nie
dat heeft veel inspanning gekost om die boom neer te halendê hi veul kreum gekôst um dien bôm um te doewe
dat is een pienter vrouwtjedê jis un hel weefke
dat is niet veel (stelt niet veel voor) dê beschiet nie
dat kan hij heel goeddê hittie grif
dat krijgt hij nietdê kriet ie nie
dat molentje draait flink ronddê meulentje toorst z'n best rônd
dat schiet niet opdê beschiet nie
de eerste keerd'n uurste keijer
de haan heeft de hennen getreden (besprongen) d'n hoan hi de henne getreeije
de hoge herende hôg hirre
de huiskamer vegend'n herd kêijere
de zaak overhoop zetten (bij iemand die verkering heeft beeindigd vlak voor voorgenomen huwelijk) toffele
de zeug is aan het biggende zôg is an 't bagge
Deurnenaar (spottend) Deurensen bêêl
die verkoopt costuums aan huisdie gi mi de pak nêve de deur
die verkoopt costuums aan huisdie gi mi de pak rônd
heb jijhedde gai
hier op aanheejier op in (ook: tin in)
hij fietst met een zeemleren lap in zijn broek (tegen schrale billen) hai fietst mi nu zeimlere lap in zun bôks, tiggen d'n blikhers
hij heeft diarreehaj is an de vlugge
hij heeft voor priester gestudeerd gehadhai hi de klirre aangehad
hij heeft voor priester gestudeerd gehadhai hi de klirre angehad
hij is het zathai hitter schôn genôg af (ook: hai hitter tabak af)
hij is in een flits vertrokkenhai is mi ne schiem vertrokke
hij kon niet komenhai kôs nie komme
hij neemt een koekjehai vet un kuukske
hij zeihai zi
iemand te pakken hebbeniemes op de lut hebben (ook: iemes kulle)
ik ga op huis aanik doew op huijs an
ik heb geen zin om dat te doendê zuuk ik nie
ik heb gefietstik ben wizze fietse
je kunt gerust achterom komenaachterum is 't kermis
mag jij datmudde gaai dê
met de Kerstmi de Korst
met gesloten beurzenmi toe beurze
onkruid vergaat nietonkruid vergi nie
op (b.v. kraam-) bezoek komen met een presentjemi de krommen êrm ankomme
op die manier (in die geest) op zônne zin
op een drafjeop un drefke
op het heetst van de dagop ut hitst van den dag
precies hetzelfdekrek inder
streken uithalen (als iemand verkering heeft beeindigd vlak voor voorgenomen huwelijk) toffele
verstoppertje spelenmeuske bêrge
voor je zelf opkomenoewe kant keijere
ze gaan tekeer, dat het niet mooi isze gôn tekeier dêt môuwt
ze is boosze raid 'm

502 woorden

's avondssoaves
's middags'smiddes
's morgens'smêrges

A

aanrechtgutstein
aapôap
aapjeepke
aardappelerpel
aardappelenerpel
achteromaachterum
ademôssum
alles en iedereend'n hille Pil
arbeidererbeier
armoedeêrmoei
armpjeermke
autopedgleijer

B

baalbêêl
balken aan kar (waaraan paard gespannen wordtburries
bedevaartbivvert
beenbein
beentjebinke
beetjebitje
benen (mv zn) bein
besbizzem
beslag voor pannekoekentimper
bessenbizzumme
bestaanbestôan
bestaatbesti
bestaatbusti
bezembessem
bezijdenbezeijes
bezoek (visite) volluk
bibberenrêiren
bigbag
biggen (werpen door zeug) bagge
bijkeukengeut
bijnabekant
binnendoorbinnendur
blaadjebleijke
blijf afbliejaf
bloedbloe
bloembloem
bloempjebluumke
blootsvoetsberrevoets
blut / platzakkeps
bodebooi
boekjebuukske
boekweitboekent
boerenkoolstamppotboeremoes
bomenbuijm
boombôm
boomgaardboogerd
bos droge takken (gebundeld brandhout) mutserd
bosjebûske
bossenbûs
botsenbutse
braambessenbreime
braden / bakkentisse
brandstof (hout, turf, steenkool) stook
broekbôks
broekjebukske
broekzakbôksetes
broodmik
broodzak (knapzak) knik
BrouwhuisBrawwus
brutaalstrant
bundelbussel
bunzingfis
burgemeesterburgemister (heel vroeger: d'n bôrger)

D

daaromdurrum
dadelijkseffens
dadelijkseffes
dat is nietdes nie
dat is niet veeldê beschiet nie
dennenappelkroot
dennenappeltjekrutje
deugniet (etter) strikkel
DeurneDeurze
deze kant optin in
diarreede vlugge
diarreevlugge
diedieje
die van jullied'allie
die van onsd' ôns
die van onsd'óons
dinsdagsdinzus
directmee
directeur van melkfabriekbôtterkletser
doe jij hetdoede gai ut
doendoewe
doetduu (hai duugut)
doet hij hetduu hai ut
donderdagsdônderus
door hebbendur hebbe
door twee takken gevormde vorkmik
doordeweeksswerrus
doosdous
doosjeduijske
dorpscentrumstroat
dorsmachinedorsmussien
draadjedruijjke
drempeldûrpel
drogendruijige
droogdruijig
droog koekjedruijig kuukske
dropsep
druifdreuf
druivendreuve
duifdeuf
duifjedeufke
duivendeuf
duizendduujzend
dun smalfing
DuurSchailuk

E

een hele tijd'n heijel hort
eerstuurst
egaal (glad, gaaf, effen) gif
egelpinegel
eksterikster
elastiekstiek
elkaarmekander
embouchure (vaardigheid om blaasinstrument te blazen) ammazuujr
embouchure (vaardigheid om blaasinstrument te blazen) ammazuur
ergensirgend

F

fabriekfubriek
foppenkulle
foppenkulle (ook: op de lut hebben)
fopspeenfiep
frunniken (frommelen) haffele

G

ga aan de kantgô oit de weeg
gaat hetgiggut
gaat hijgittie
gaat zegisse
galopvierklets
gangetjegêngske
gedoe (problemen) trammelant
geeftgift
geelgorsschreever
geitmieneke
gelegdgeli
gelovengluijve
gemakkelijkhendig
gemakkelijk genoeghendig zat
gemeentebodegemintenboij
GemertGimmert
genoeggenôg
genoeggenôg (ook: zat)
genoeggenôg (ook: zat)
gevelgeijjvel
gevelgeijvel
gierigaardpeen (ook: finge pizzerik)
gindsginsweid
goed / gemakkelijk kunnengrif hebben
goot achter de koeien in de stalgroep
grasveldje (om was op te laten drogen) blêik
graszoderûs
gretig (erg belust) vreijd
groenlinggruuninger
groentetuin bewerkenheuve
groep (grote hoeveelheid) klôcht
groepje ACHTER elkaar wandelende mensenganzemars
grootmoedergrutje

H

handvolhaffel
harmoniehermenie
hectarebuunder
heeft hijhittie
heel (compleet) alling
heel veelun heijel dil
heethait
heetheijt
heetsthitst
heggemusblauwleggertje
HelmondHelmud
hemelhimmel
herseninfarctbeslag
het gewone volkgepeupel (ook: klutjesvolk)
het regent dat het giet't reigent dêt hôorst
het regent dat het niet mooi is't reigent dêt hôorst
hetzelfdeinder
hij doet hethai duugut
hij heefthai hi
hij heeft er schoon genoeg vanhai hitter schôn genôg af (ook: hai hitter tabak af)
hij is booshai raid ' m
hittehait
hitteheit
hoe is hethoejeest
hoedhoewd
hoedenhuuij
hoepelreijp
hondhônd (ook: soek)
hondenheund
hoogtehugt
hooivorkgaffel
hooizolderschelft
horlogelozie
houdt het ijs alleijt ut ijs al
huilenschruwwe
huishois
huisje (ook WC) heuske
huiskamerherd
huiskamer vegend' n herd kêijere
huizen (mv-zn) heus
huizen (w.w.) heuze

I

iemandiemes
in een galopop unne vierklets
in galopop unne vierklets
inspanningkreum

J

jeneversnêivel
jij hebtgai het
jongensjoong
jongetjejeungske
jou / jouwjaw
julliegallie
juten dikke schort (voor op de boerderij) plegger

K

kabaal maken (door mens of dier) b.v.met lopen, springen, spelen enz.) bortele
karbonadekermenoai
karnemelkmôllek
kastjekeske
kerstmiskorsmus
kippenhokhennekooi
kitig vrouwtjefoorske
kittig vrouwtjefoorske
klaarverrig
klagenpermeteijre
kleermakersnêir
klokjeklûkske
klompen (=blokken) blûk
klompen (blokken) blûk
klompenmakerklumper
klompjeklumpke
kniekneij
knoeienbrasse
knopenknuijjpe
koekoew
koeienkoei
komenkomme
komenkommen
konkôs
konijnk'rningt
koningkunning
kop koffietas koffie
kopjekeumke
kopjekûpke
koppigkûppig
koren (graan) kôrre
korfkûrf
koudkaauw
krantjekrentje
kreegkrig
kreegkrig (krig hai ut of krigde gai ut)
krijgenkriejge
krijgtkrie (krie hai ut, kriede gai ut)
kruis van de broek (achterste gedeelte) zulder
kruisbeskroezel
kruiwagenkraige
kuierenkûire
kunnenkanne
kwakjekwekske

L

laagteligt
laagte (in het landschap) zink
laatst (onlangs) korts
laatstelêste
lampjelempke
lek aan dakgootneuzendrûp
lepellippel
loopslups
looptlupt
lopenloupe
luchtloocht

M

maalderijmôlderei
maandags'smôndes
mag ikmuggik (ook: meuk )
mandmaand
mandjemêndje
mannetjemenneke
mannetje (ook jongetje) menneke
marktmert
medaillemudallie
meestaldiksentijd
meikevermûlder
meisjedurske (of djirske)
melkrômme
melkwagenrômkaars
merelmilling
meteropnemer (electr.) leechtmenneke
metselaarmetseler
mijn (bez.vnw) meen
MilheezeMillus
MilheezerwegMillusseweg
misschienleechteluk
misschienleechtverrig
misschienôppesoart
moemuujg
mogenmugge
molenmeule
mondjemeundje
mooimouwie (ook: schôn)
mopperenkeeve
morgenmêrge
morgenvroegmêrgevruug

N

na de middagtaafturre
naar huis gaanop hois an doewe
naargelangnovvenant
naastnêve
nagelnoagel
nageltjeniggelke
nauwelijkskwêluk
neerhalen (muur, boom e.d.) umdoewe
nemen / pakkenvatte
niemandniemes
niemandniemus
nietnie
niet graagnouwie
nietwaar (toevoeging aan het einde van een zin)wônne (in het Helmonds: `wonnie`)
nieuwnêij
nieuwnêijt

O

omhooggehouden schort (om er b.v.groenten in te leggen) slip
omploegenumdoewe
omslagdoeknuzzik
omspittenumdoewe
onderwegonderweeges
onderwijl (in het voorbijgaan) impussant (ook: meepussant)
ongeduldigongeduurig
ongeveerumtrent
onkruidpenge
onkruidplukkum
onkruid (met lange stelen) zaaimanne
onkruid (met lange stelen) zaaimannen
onlangskorts
ontgeldenbesniejte
oorouwer
oortjeurke
ootje (in het ootje nemen) lut (op de lut hebben) (ook: kulle)
op (bv kraam-) bezoek komen met een presentjemi de krommen êrm ankomme
open directoiresnelzêiker
opnieuwôppernêijt
oppermanuuperman
oppoetsen / opruimen (wat geknoeid of vies gemaakt is) ôpdoewe
opschuivenôpscheuve
opstapelentassen
orenôrre
overhemdboezeroen

P

paadjepeijke
paardpjerd
paardenbloemerdskral
paardentuigpêrdegetuug
parapluperrepluuj
pastoorp'stouwer
perzikenpirzikke
petroleumstinkollie
pienterhel
pijppeep
pimpelmeesjebiejmeeske
platzak / blutkeps
politiepliessie
pompjepumpke
portemonneeknibbeurs
precieskrek
precies (net) krek
precies (net) genoegkrek zat
proevenpruujve
proppeschieterschietbus

R

raamroam (ook: venster)
raampjerumke
rafelenraifele
richtenmikke
roofvogelstôotvogel

S

sabbelenzoebele
sabbelenzoebullu
schaarscheier
schadelijkschailuk
scheermesschars
schietloodschietloud
schoffelschoeffel
schoof (bundel graanaren) gêrf
schootslip
schopschup
schortscholk
schraal achterwerk / billen (meestal door 't fietsen) blikhers
schrale billenblikhers
schrapenskaarze
schrapen (bijeenvegen) skaarze (bijjin skaarze)
schrijvenschreve
schrikkenverschiejte
schroefjeskruuifke
schuifjescheufke
seringkruijnagel
sinaasappelappelsien
SinterklaasSintereklôs
slangetjeslêngske
slotje (op deurtje of raam) = blokje dat om spijker draaitvrelleke
smidsmed
sneeuwsnuw
snoepjesnuupke
sociale dienstde sociale
sokkenhôzze (ook: sûk)
spannen (tekeergaan) krulle
speculaasjespiklôssiemenneke
spelenspeule
spit in de rugkrimmer
staartstart
stamppotpetazzie
steedsdeeger
steedsdeger
stepgleijer
steunbeerpenant
stoelstoewel
stoelenstuujel
stof (dat op kan waaien) pôf
stukje touwzilke (ook: tawke)

T

tafeltoffel
takjetekske
taptemelk (ondermelk) spuuling
tarweterw
tegen (iets) aantenge
tegen de avondtiggen d'n donkere
tepel (van koe) strikkel
tijdje / poosjehortje
tochevvel
tongtoong
tongetjeteungske
totzienshawdoe
tredentreije
troffeltruijfel
tromtroom
trommetjetreumke
trotsgruts
trouwensêvvel
tuinbonenflodderbônne
turfklot
turfstrooiselklotsgemul

U

uitzoeken (uithoren) vundere

V

vanavondt'oavund
vanmiddagtumiddug
vanmiddagtemiddig
vanzelfvanaiges
vanzelfsprekend, naar verwachtingrôluk
varkenkuus
varkenvêrke (ook: kuus)
veel'n heijel dil
vegen (met bezem) kêre
veld (akker) plak
verdommesverdies
verfvêrf
verlagen / uitdiepen van stuk grond (door laag geel zand er onderuit te halen) uitleige
verstoppertje spelenmeuskebêrge
verstrooid / vergeetachtigdutselêchtig
vertrekkengon
vertrekken (met fiets auto) anrije
veulenvulle
vindenvinge
vlaamse gaaimalkûrf
vlugvindig
voetvoewt
voetenvuujt
vogelkooitjevuggelkuskôike
vogeltjevuggelke
voorvur
voordeurvurdeur
voortaanvôrt
VorkVerket
vrijdagsfraidus
vroedvrouwgoeivrouw
vroegvruug
vrouwenhoofddeksel (met veel kant er aan) pôffer
vrouwtjeweefke

W

waarheidwôrrend
waarheidwôrrent
waaromwurrum
waarschijnlijkleechteluk
waarschijnlijkleechtverrig
waarschijnlijkôppesoart
wanneerhoeneijer
wat zegt hijwa zittie
waterwatter
weet jij datwitte gai dê
wegen (met de hand, om het gewicht te schatten) kwikke
weljabê joa
weljabêjoa
werkschort (van juten voor op de boerderij) plegger
wetstaaf (om zeis aan te scherpen) wetstrikkel
wie doet hetwie duugut
wielewaalwiewaw
windweind
woensdags'swoenzus
wondkorst / zweerroof

Z

zakdoektesnuzzik
zakjezekske
zakmeskniep
zaterdagssôtterus
zeizi
zei jij datzidde gai dê
zeiszaissie
zeugzôg
zoalslek as
zodadelijkm'ndinne
zodadelijkmundinne
zoekenzuujke
zojuist / even geledenkrek
zolderzulder
zomaar (niet voor het echte) vur sles
zondagssôndus
zonnetjezunneke