Overpelts dialect

Dialecten > Limburg (BE) > Overpelts
Het dialectenwoordenboek Overpelts bevat 67 gezegden, 1099 woorden en 3 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

67 gezegden

ben je helemaal?heddet of kriedet?
Daar krijg ik het van op mijn heupenDoar krieg ik hut vliejgend schiejt van
Daar word ik zot van.Doa wor ich hoorendul van!
dat gaat helemaal nietdè git och tigen oawe boksezolder/... tegen ow zjat
dat trekt nergens opdé trekt op ginnen urgel
een mooi meisjee schoeë mèchtje
een oude auto en een nieuwe autonenaawenotto en nenouwenotto
er vol voor gaangoan met dieje pèrdekop
ga van die weg afgut van dieje wéég aaf
geboorte is nabijer is vuur in de schouw
geen zin hebben't hangt mich mèn kloete oet
genoeg geeten hebbendik zijn
hef je voeten ophuft ouw puut op
het is ijskoud buiten't vriest det krakt
het is te laattis veulste loat
het is zonde't is sun
het werkt niet goedder zit wa jimmy op
hij heeft hem de waarheid gezegdhei hit 'm de levieten gelézen
hij heeft nietshij hit ginne nagel vur oan z'n koont te krabbe
hij is al weghij is al de riêp aaf
hij is booshij is in zén koont gebete
Hij is erg dronkenHij is zoe zoat as ne Zwitser
hij is gehaasthei lopt boe dé 't geliék is
hij is weghij is riëpe snië
hij kan wat hebbendien hit oech stierekloéte
hij trekt een zuur gezichthij kiekt of want 't soep régent
hij zet hem onder drukhei dut 'm den dringer oan
hoor jij niet?hurde gè nie?
hou toch opschèt toch oêt
iemand die waardeloos isiemand van késkeschiet
iemand tegensprekenkriet nou toch 't vliegend schieet
iemand zijn vriendin afsnoepeniemand dor zen kuulen rieen
ik ben hier niet graagich bin hei nie geir
ik ben moeich bin zo muuch as een spekmoaj
Ik ben uitgeputIch bèn zoe muuj as een moaj
Ik heb genoeg geëtenich bin dik
Ik heb het je nochtans gezegdIch hem et och nog gezèèt
Ik heb het u nog zo gezegdIch hemmet och nog zoewe gezeed
ik jou ookich och oech
ik kom dadelijkich koom drek
ik weet het nietich wieget nie
ik zal je eens...ich huf och onder aowe boksezolder
ik zie het niet zittenich zie er e koot in
in de plooiinne ploei
in uw blootje staanin ouwe nakse stoan
je bent niet goed snikge ziet nie wiies
je broek hangt laagouw boks hangt op half zeuven
je geraakt niet van hem afgè hèt 'm geloaè
je hand uitstekenow haand oétstéke
Kakken gaat voor 't bakken ook al is de oven heet.kakke git veurt bakke oech al is den hoven heeit
kijk eens niet zo boosTrekt nie zoen lank gezeecht
leg hem niets in de wegschoept 'm nie tiggen zèn schinken
loop eens wat snellerzet er de zuk is in
mijn vriendin of echtgenote is zwangerdie van os zit vul
nu breekt mijn klompnou zekt mich de stoof oêt
Nu breekt mijn klomp!doa zakt men boks vanaaf
ober! tafel 2zoatnoat! toafel 2
tegenvallernou zèkt mich toch de stoof oeet
thuis in huis zit een muis onder de tafelthoes in hoes zit een moes onder de toffel
trek je broek omhoogtrekt ouw boks op
veel geld uitgevenis den ôs vet?
waar is hij? daar is hij!boesie? dosie!
Waar trekt dat nu op?boe trekt dé op?
Wat krijgen we nu!?!Nouw zèkt m'n stoof oêt!?!
We hadden wat we wildenwa hauwe wa we wouwen
weet jij het?widde gèt?
wenenlup luête hange

1099 woorden

's avondssoaves
's morgens's mûrges
1iên
1000doêzend
2twiëe
3drei
7Zeuve
8aagt

A

aalbessenaolleberen
aaltonzeikton, bèrton
aanleg rond het huis, rond de omgeving, rondom iets...rontelum
aanrechtne pompebak
aardappeleneirpel
aardappelenpatatten
aardappelenstomppetazie
aardbeieirbeer
aardeeirt
achterbouwschop /schubke
ademôssem
Aertsvannen Ars
afgeroomde melkzwiers
afgevenafgève
afstandsbediening van tvtéleviesiekeske; 't keske
afvalvoelicheit
afvoermoos
ajuinjoen
akeleiklôkskes
al heel langalzeleve
allemaalallemoal
alsas
alses
altijdaltied
altijdaltiejt
altijd opnieuwelkeskier opnouw
anjerssnuffels
appelmoesprot
appelspijsappelspies
appelspijsprot
armenerm
asfaltwegkiêzel (lange ie)
asfaltwegmacadam
astridlaanstieëvert (steenvaart door beek)
autootto
autobandenottobèn
autovelgenzjanten
azijneek

B

babbelenbuurten
baby of klein kindklènne
bakkenbek
balbôl
balkenbrijkerpoewt
balkenbrijkrapoeèt
ballenbûl
banaanbanoan
bareelhuis (overweg) roethuiske
batterijpil
batterij (auto) akku
bedelaarbêddeleir
bedelaarerme
bedelaarschoêïer
beek, slootsloêt, hult
beekjebikske
beetjebitske
behoorlijkhennig
BelgiëBels
benbin
ben jeziede gè
ben jijzedde gij
bengelkôrt-oer
benzinenaft
bergeiksewegzandstroat
besbeer
bestekgetuug
bezinksel (in koffiekan) dras
BHsuntijè
BHtettezjeir
bibliotheekboekerij
Bietkroeët
bietenkroeêten
bietenkroeten (gerekte oe)
bigbag
bij hun thuisthunit
bij jou thuistulliet
bij manier van sprekenbè menier van sprèken
bij ons thuisthoes
bijenkorfbiekurf
bijnabekan
bijnabekans
bijtenbiêten
binnenkoer, erf boerderijmèstroff
blaadjebluike
bladerenbleûr
bladluizendilften
bleekbliêk
bleken (door de zon de was laten blekenop de blijk leggen
bliksemweerliecht
bliksemenweerliechten
bloedblût
bloedworstbulling
bloemkoolblümkuel
bloempjesbluumpkes
blok houtklaamp
blokjeblukske
blote manne nakse vènt
boekje buukske
boekjebuukske
boekweitkoek boegezekoek
boekweitkoekboegezekoek
bofdikoêr
bollerikkenbolleriken
bomenbuûm
bomen naast steenwegkiezelboeêm (mv. = kiezelbuûm)
boomboëm
boomstronkpoest
bootboewet
bord (aardappelen enz...) platte teluur
Bord (om uit te eten) teluur
bord (soep) kluur
bosbeuhs
bosbessen aolleberen
bosbessenaolleberen
bosbessenbosberen
bosbessenoaleberen
botknook
botschink
botergoei boter
boterhammen (om mee te nemen) poetzak
boze vrouwkoi wieef
braambesbrombeer
brandkastkofrefôr
breekijzerpens
breinaaldenbrejiezers
brembreem
broedenbrujen
broekboks
broeksriemboksebaand
broekzakbokse tès
broekzaktès
broerbruur
broersgebrujers
broodjebreuike
broodzakbuul
bruinbroen
BudelBuul
buikboêk
buikgriep hebbenschieterij hebben
buiksprekerboêksprêker
buitenboeten (langgerekte oe)
buitenspelafseit

C

chicorei (koffie) prot
chocoladechokloat
CLEPiieel koi mèchtes
confituurgelei
corsetcoszet

D

da zal uw gat varenda zal ouw strump voaren
daardoa
daar is hijdos ie
daarnettunzjust
dadel (vrucht) dat
dadelijkdrêk
dadelijkmedieëmen
dadelijksebiet
dadelijkseffes
dagelijks werk in het huishouden't hoeshoawen doen (met langgerekte oe)
dampdoomp
dampendômpen
darmdèrm
dat is iemand van nietsdè is er iene van keskeschiet
de bloemen water gevende blümkes waeter geiven
de eigenaarden eigenèr
de gemeentevijver't koot
de hele boelden hiele santebeklang
de hele boelden hiele santeboetiek
dekselscheîl
delhaize in het lindelbij drika
dementkins
denken dinken
denkendinken
deur helemaal openwagewiêt
diareeaan de platte zien
diarree schiejt
diarreehet schiejt
diarreeplatte kak
diarreeschiejt
dichttouw
Die van hierlangsDie van hei neffe
Die vrouw is nimfomaandè wicht kan gin boks om her liejef verdrage
dikke buikdikke pens
dikke vlieglol
dinsdagdèzeg
dinsdagdinzig
doe die deur dichtdut die plank in da koot
Doe eens doorTapt m is af
doe niet zo onnozelduut nie zoe onnujezel
donderdagdonderig
doopmeterpeît
dooppeterpé/petere
dooppeterpeei
dorp (het) tdurp (het)
dorpeldulper
dorpeldulper (u = als de e van je)
dorpeldûrrepel
dorpsfiguurzjang van den ars
dozendoëzen
draaiwindhow-mow
driedrei
drievierdenflesdrijkabbersefles
drijvendriêven
drinkbusbedong
dronkaardzoeplap (langoe uitspreken)
dronkenzoat
droogkastdrujegkaas
dropklitskoek
druivelaardroevewiegert
druivendroeven
dubbeldobbel
duifdoef
duimdoem
duimspijkerpenais
duivendoeven (gerekte oe)
duivenhokdoevekoot (lange oe)
duiverkûpper
duivindouvin
duizeligdeul
duizendschoontrôssnôffels
duwendouwen
dwarsdweirs
dwarsbalkpetrel
dwarsligger (spoor) bils

E

echoweerklaank
eekhoorneekkeurke (Linnels)
eekhoorninkbiegelke
ééniejen

E

een bakjee bèkske
een BHne sutjièn
een brommernen tuf
een dodenen doeje
Een frietje gaan eten bij wijlen frituur Pelt (rip) u Peltstopke moake
een gate koot
een grasspriete spierke groas
een hand voleen henvelke
een hemdeen heem
een kikkerne kwakvors
een kikkervisjee kulekupke
een kleede klied (langgerekte ie)
een lijke liek (gerekte ie)
een madeeen moj
een onderhemdjee onderliefke
een schommeleen suur
een stapel hooieen hoeimiet (ie langgerekt)
een wegne weeg
eendenênnen
eergistereniergisteren
eerlijke vinderiejerlijke vinner
eersteurste
eertijdsvrûger
eetbordteluur
eikelikkel
elastiekjeelastiekske
elektriciteitelentriek
elkaarelkoar
emeltspekmoî
emmerummer
eng (te) strang
enkeleêtteleke
enkele mensenne man of ettelik
etenèten/schoften
evenefkens

F

feestenfisten
fietsvulo
fietsenmakerde Seppe
fietsenplaatpetent
fietspadde fietsepoad
fietspadfietspaed
fluisterenfluusteren /fezelen
fopspeenne tutter
fotoportret
fotograafpertrettentrekker
fotograferentrekken
fototoestelkedak
frigoiêskâs

G

ga aan de kantgut oet de weeg
ga je meegudde mej
ga weglopt ne de vantjes
gaar (groenten) murf
gaat het?geget?
gatkowet
gat (kleding) koot
gat (klein) kutje
Gazon of grasgroes
ge moet me niets wijsmakenge moet mich gin bluskes wiesmaken (langgerekte ie)
gebonden takken houtmuttert
gedraag jevuuchtoch
gedraag uvugt og
geheel, onbeschadigdoalik
gehoorzamenlûsteren
gehurktop zên hoewke zitten
gehurktop zijn hoeke zitten
gek als een deurzot geliek een klink
geleidebrief (douane) passevang
gemakkelijkhennig
gemeentegemènt
geschaafdgeschroefeld
geslagenaafgepeird
gevengeîven
gevenlangen
gevogelte, vogelsgevuggel
gezinhoeshaawe (langgerekte oe)
gezondhêl
gierigaardknoet (langgerekte oe), pin
gisterengister
gladglaotig
glasgloas
glazengloazen/pinten
glijbaanschuufaaf
glijbaan (ijs) slipperboan
glijbaan (speeltuin) schuifaf
glijden op ijsbaanslibberen
goederentreinmarchandiest
gommetje (snoep) zjiepke
graaggère
graanafvalkriensel
gracht of beekhult
grasveldgroes
graszode flag
graszodeflag
graszodene poest
greppel (in drassig weiland) zouw
grijsgriês
groeiengruien
groengrûn
groententuinhoof
groepklocht
grondhèrt
groot gatkowet
grootmoederpeit
grootvaderpee
grootvaderpeei

H

haagtoêng
haagbeuk (haag) heirenteiren (toëng)
haantje de voorsteperjân
haantje de voorsteprejân
haarheur
haar (hoofdhaar) hoar
haarspeldhoarspel
haashoas
hakbijlkapstêl
haken (handwerk) kresteren
haken (handwerk) kristeren
hamhesp
handhaand
handenhaan (langerekte a)
handschoenhaws
handschoenenhawsen
handtassjakosch
handvolhamfel
hardhoart
haringheîring
harkreik
harmonikamonika
heb je...hedde gè
heb jij hem nog gezien?Hedde gè t'em nog geziien?
hebbenhemme
hebbenhemmen
heefthèt
heesakkerhezerke
hef dat eens ophuft dè is emoëg
heffenhuffen
hegtoen
hegtoêng
heggemusrobberke
Heide (gehucht) den Halt
hekwerkgrillen
helemaalhielegaans
hem (ac. van hij) heum
hemdheem
hennenhinnen
het erf (de oprit) mestrof
Het is niet waargut oan
het is niets waard't is gin kloete wèrd
het motregend't miezerd
hielvèrs
hierhèj
hij is aan het liegenseffes zitte mèn tesse vol
hij krijgt er van langshij kriegt ze gemète
hij loopt tegen de lampie lupt tigen de laamp
hobos't hobes
hoboshobbûs
hoe komt het datboemei kumt dé
Hoe zit het?Hoe zieget oet?
hoeden (hoofddeksels) huj
hoeden (schapen) hujen
hoekjehuukske
hoeveel hoeveul
hoeveelhoeveul
holhool
hondhoond
hondenhôn
hondenhun
hoogmishomes
hooimijthoejmiejt
hooimijthoejmiet
hooivorkgaffel
hooizolderschèlft
hooizolderschelleft
hoopje/ruben sleurshupke
hou je goedhaddoch
hou uw mondhad oaw bakkes
hou uw mondhad oawe smoel!
Hou uw mondhat ouwen teut
hout blokklaamp
houten, van houthouteren
houtmijtmuttertmiet (langgerekte ie)
houtskoolkroêskool
huidziektekrouwsel
huidziekte (soort) krouwsel
HuisHoes (langgerekte oe)
huisafvalstroatemest
huismuszjirs
huizenhoezer
huizenhuis (huijs)
hydrofoorgroepstorkpoomp

I

iemand die geld verspiltdien hit é koot in z'n han (langerekte a)
iemand die hoogvaardig isne Jan men kloeten
iets doen alsofconsjuus
ijscrème
IJsIEs (langgerekte ie)
ijsglijbaanslipperboan
Ijskarcrèmekèr
ijzelhiezel
ijzeliezel
ijzeriezer
ikich
ik ben wegich bin de kloeten op
Ik ben wegIch bin ewég/pleite
ik ga naar huisich guj ne hoës
Ik heb het u nog gezegdIch hem 't och nog gezeed
ik heb hongerich kiek schèèl vanne honger
ik u ookichochoech
ik weet niet waar dat isich wiët nie boe dè is
ik zei het hem nogich zee 't hum nog
ik zie het niet zitten ich zie er e koot in
in Nederlandop den Hollander
indrukwekkendgrellig

J

jajoat
jachtvergunningpederm
jedich
jeow
je maakt het te bontgi ziet het unt begèèje
jeukjuksel
jichtflorrecien
jijdich
jonge kipeen pul
Jorian WillemsZoatnoat
juistzjuust
julliegellie

K

kaas kêis
kaaskeis
kaatseballenketsbûl
kaatsenketsen
kachelstoof
kachelpookstoofiezer (langgerekte ie)
kadijk (gehucht) kauedieek
kadijk (gehucht) koating
kakkenscheiten (langgerekte ie)
kakkenschieten (lange ie)
kale mankletskop
kalender'n almenak
kalfmutte
kamerjaspinwaar
kandijsuikerbôssokker
kastkaas
kastjekèske
katapultkatteprul
katje, jonge katkêtje
katjesspel, rollebollenkêtjesspeul
kauwgomne keboy
kauwgomsjiek
kauwgumkoboj
kerskiers
kersenkiersen
Kerstmiskoarsmis
kervelkellever
kijkenkieke
kikkerkwakvôrs
kikkerdrilpaddegerijl
kikkervisjekuleköpke
kikkervisjekullekupke
kind (jongen) jong
kind (meisje) wicht
kinderenjung
kinderenwichter
kink (in de kabel) vroonk
kippenhinne
kippenhokhinnekoot
klaarvèrig
klaar, gereedvèrig
klaprooseulen
klederenklier
kleine jongenjeungske
kleine jongenkléi menneke
kleingeldkléigeld
kleuterklaskakschool
klokhenbrôk
klompkloomp
kloosterkluster
knaphennig
knapzakpoetszak
knieknèj
knieenkneije
knijpenpitsen
knikkerbolleker
knikkerhuuf
knikkershuven
kniptorknikker
knoopknoêp
knoopjeknupke
knoopsgatknupskoat
knuffelenfletsen
koeienkuij
koekjekuukske
koel (fris) kûl
koele schaduwkulle schoaj
koffietaszjat
koken, in de pot roerenkiskassen
kombots
kommetjekûmke
komtkeumt
konijnkenien
konijnknien
konijnne kenien (lange ie)
konijnenknien
konijnenknien (korte ie)
konijnenpijpknienspiêp
kookpankastrol
koolkuul
koolzaadoliesmaauwt
koordziejel
koordjekurtje
koppig iemandensêlpoewik
koppig zijnensêlen
koprollenkupke schieten
kopspelden/naaispeldenkopspéllekes
kopzorgenkopbreikes
korsetkorsee
kraanvogelkroeênekroan
krabbenkretsen
krantgezet
krasschêr
krijtkriêt
krimpenkrumpen
kromkroomp
kruidenkroêd
kruipenkroêpen
kruisdagenkruusdaag
kruiwagenkroewagen
krullenkrollen
kuikenkuuk
kuilkoel (kroêtekoel)
kuipkoeêp
kussensloopkustreksel
kwaadkoat
kwaad, kolerigklèrig
kwijtkwiêt

L

laarzenbotten
laatloat
labbonenpêrsbonen
ladderlier
lagerliejeger
lam (schaapslam) lêmeke
lampjeampoel
lampjelemke
langlaank
langs hierhèilangs
largelars
leliehaantjetierhinneke
lendenleei
lengstrop
leopoldlaande lang kieézel
Leopoldlaande lange kiezel (met lange ie)
leopoldlaanlangekiêzel
leurder met matten (arabier) tjoektjoeker
libelsnieër
libelsnijer
lichtliecht
liederenliêkes
lierkappestrang
lieveheerebeestjedierehinneke
lieveheersbeestjehemelbistje
Lieveheersbeestjetierehinneke
lijdenlieën
lijsterklinster
lijsterbesklinsterbeer
Lindel-Hoeven't Linne
lindelsebaande kieézel
lindelsebaanlinneseboan
lip/lippenlup/luppen
lommelloemel (boêtelans dûrp)
loon (14-daags) konzjuûm
lopenloêpen
luchtlôcht
luciferdoosjestekkeduske
lucifersstekskes
luiden (van klokken) lujen

M

maandagmondig
maandagmoo-ndig
Maar neenmoajè
madeliefjemeizoetje
man en vrouwne vent en e vromes
mannenmanslui
mannenventen
marktmèrret
masker (carnaval) mombakkes
medaillemedallie
meesjebiejmuske
Meikevereikemulder
meisje mèchtje
meisjemechtje
meisjesvrullie
mensmiens
mensen met weinig aanzienvolk van keskeschiet
merelzwarte melder
met vuurke spelenfinkelen
miermorzeik
mierenmorseikes
mijmich
mijn vrouwdie van mich, die van oas
mijn vrouwdie van oas
mijnwerkerkoolputter
misdienaarmèsdiener
mistmok
moemuug
moemuuj
moedermojer, mon
Moestuinhoof
mogenmeugen
molenmeulen
molenaarmulder
molenaarsvrouwmulderin
mondbakkes
mondmoond
mondsmoel
mondharmonicamoondmuziek
mondharmonikamondmeziek
morgenmeurre'gen
morsenknoêjen
mototuffer
motorlierkabbelstrang
muismoes (gerekte oe)
muismoes (langgerekte oe)
muizenmuis
muntstuk 25 centiem (oude frank) kwartje
muntstuk 5 centiem (oude frank) knepke
muszjiers
mutspoets
mutspots
mutsaardmuttert

N

naaispeldenkopspellekes
naaispeldennullekes
naaktpoeiernaks
naar
nadenkenprakezeren
naoogst, hooitoemet
Napoleonwegstieëwicht (steenweg)
natnoat
neerpeltnèrpèlt
nietnie
niet goed gezind zijnweirs
niet netjes, onnetonnuttig
nietsniks
nietsnutflierefluiter
nieuwnouw
nieuwsnouws
nochtanspertang
nooitnoeit nie
nooitnog nie bekans
nootjenutje
nutteloosvur nen èveveul

O

ogenoegen
ondergoedlievet (lange ie)
ongeveer't rouwste
ongeveerontreent
onnuttige praatschèèle ziever
ontkennenaafstrie'en
onverzorgd iemandne schobbejak, ne voellerik
onverzorgd iemandschobbejak, voelderik
onweerdonder
onweerweerliecht
op blote voetenbèrrevoets
op krediet kopenop de pof koëpen
op stap gaanop gank goan
op zoekop zuuk
opnieuwopnow
opnieuwvanèèr
opnieuwvanhèr
opscheppenstuten
OpschepperStoefer
orenoeren
orgelulger (u = als de e van je)
oudaawt
oude klerenkoj klier (lange ie)
ovenkrabberrochelgeird
overallkloon
overgevenkotsen
overpeltPelt
Overpelts dialectPelter
overvloedigrejoal
overweg (treinspoor) traveîr

P

paadjepejke
paadjepuike
paalpoal
paaltjepulke
paardpèèrd
paardpeijrd
paardenbloemgauwstôm
paardenbloempisbloem
paardenmolenpeirtjesmeulen
paardenrennenpèèrdekoers
paarspeirs
pad (paadje) wigske
pannekoekPannekoek
pantoffelssloffen
parelhoenpetaat
pasenpôasen
passantveurbijkomer
peer'n peir
peluwpulleft
perzikenpiersen
petklak
pijnpeing
pintpeent
plaatsplak
plakkenplekken
plastic zakbuulke
plastiek zakjeeh netje
pluimploem
poederpoeier
poedersneeuwsnipsnuuw
politieplies
politieagent (vroegere gemeentepolitie) booi
pollepelpotlepel
pompebakstintje
ponneypenee
pootje badenputje bojen
poreipoor
portefeuilleporteful
postzegeltember
prentjebilleke
prik (zuigaaltje) negenoêg
prikkeldraadpinnekesdroad
prikkeldraadpuntdroad
proppenfrotte
pruikpruuk
pruimproem
pruimen proemen
pruimenproemen
puistjepoetske
pullovertriko, plover
punttumb
punttump
pyjamapiezema

R

raararrig
raarorrig
radijsjesradieskes
radio Signaalmooie radio
railsrels
rand aan spekzwaars
regenwormpiering
rekenmachinetelmachien
rekkertje (elastiekje) litske
remfrè
rennerkreûr
rijkswachtergenderm
rijvenschèren of reiken
ringlaande ring
ritssluiting (broek ) piskoot
rode koolroeje kuul
roggekoren
rolluikenplaveturen
roofvogelklamper
roomzoan
room op melkzaen
rozijnen broodkrinten mikske
rubber laarzenkoetsjoewe botten
ruggegraatstraank
rusthuisaudmennekeshoes (lange oe)
ruzieketjespeul
ruzienstéchelen

S

saussaws
schaarscheir
schaduwculeschouj
schaduwkuleschoi
schapenscheuep
schapen hoedenschuip huuien
scharenslijperscheireslieper
scharnierhêr
schemerlamplampedèr
schoenenschoên (langgerekte oe)
schoenveternastel
schoffelschoefelke
schommel suur
schommelsuur
schoptroefel
schortschollek
schoteldoekschotelvod
schouderdoekneuzik
schriftschriefboek (langgerekte ie)
schrijvenschrieve
schroevendraaierturnevies
schrootaawt iêzer
seffenssubiet, seves
Sellekaertstraatde geitekieézel
sellekaertstraatgeitekiezel
seringenbelsjemienen
seringenbelzemienen
sigarettenpeukjestumpke
Signaal radiomooie radio
siroopstroewep
siroopstroweb
sjaalsjal
slakslek
slecht vrouwmensvoel hot
slechte broekkooj boks
sletmatras van pelt
slijksliek (Lange ie klank)
slipperslets
sloothult
snelnijig
snijbonensnipperboënen
snijdensniejen
snoeiensleunen
snoeiensnuien
snoeien (bos) stekker trêkken
snoepsnuik
SNULKUJELHOAS
sodaduvel
soepsop
soepbordtluur
sokkenzuk
spadeschup
speelbalspeulbal
speelbalspeulbôl
speelplaatsspeulplak
spelenspeule
spelen (bruut) brikkelen
spelen (met vuurtje) finkelen
spijbelenheggeschool hâuwen
spittenspaaien
spittenspoaien
spittenspôjen
spoorwegroet
spoorwegrût
spotprentschaamp
spruitensproete (lange oe )
spugentuffen
spugen (overgeven ) kotse
stalletjestêlleke
stampotpettazzie
stank voor dankstaank vur daank
stationstôsie
steekvliegdoas
steenne stiejen
stekelbessenkroenselen
stekelbessenkronselen
stelenstijlen
StepTrontinet
stoelenstuul
stofjasscholk
stofvegenstofveigen
stokkluppel
stokjestûkske
stom meisjetroela
stookoliemazoet
stopcontactpries
strijkijzerstriekiezer
strostroêj
stropenstrujepen
struikstroêk
struikenstruuk
struisstruus
stuk houtne klaamp
stukadoorplekker
stukje hoog gras in koeienweischitsbuske
suikersôkker
suikervlaknubbelkesvloai / potsokkervloai

T

taai vleestèj vliejes
taartgateau
taartvloaj
tafeltoffel
tafellakentoffellaken
takkentek
tamzeeg
tandwielkaampwiel
tarweterf
taszjat
teelbalkloe-et
teemszei
tegen zijn zinnoei (langgerekte oe)
tegendraadsweirs
televisietellevies
telkensalle honsgezeike
telkenselk hondsgezeik
terugtrapremtorpedo
thuis thoes
thuisthoes
thuis / bij onsop den eird
thuis bij hentunnet
thuis bij utûliet
tiptup
toetouw
Toegangsweg (perceel) servetuutwigske
toilet't huiske
toneelspelkonzeir
tot nog eenstot in den proemetieet
touwtje springenkurtje springen
treuzelenhumssluppen
treuzelentrienselen
tuinhoof
tuintoen (lange oe)
tuin (voor groenten) hoof
tuinierenheuven
tuinierenhôven
tweetwieje

U

uijoeng (langgerekte oe)
uiluul
uilskuikenuilskuuken
uitschotkrapuul
uitschuivenoewtschampen
uitstekenoétstéke
uitwerpselen van een konijnknienskeutels
urinerenzeike
uw voetenow vuut

V

vaarsveirs
vaatdoekschotelvod
vallen van harde woordengrômmes
van mijn erfvan mè gelèg
vanavondtoavont
varkenverke
varkenshokverkeskeu
varkenshokverkeskeui
varkenskotverkeskeu
veelveul
veel uitgevenhit de witte koe gekalft
veld bemestenzeik varen
velgzjant
vensterroêt
ventielsepap
ventielsoepap
verwiêt
verkeerdverkirt
verklikkenverkwekken
verloofde (jongeman) vrijer
verloofde (juffrouw) lief
vernielenveronzjoeren
verse groentenvorse grûnten
verstoppertje spelen piepke bergen
verstoppertje spelenpiepke bergen
vervelendambetaant
vervelend iemandambetanterik
vervelend iemandkretsdêrem
vervelend iemandvervèlende poetzak
ververwim van de huyer
verwaand iemandgrotskloêt
verzuipenverzoepe
veternestel / nastel
vettige vingersvèttige doemmels
vijftienvieftien
vijgvieg
vijverloperwoaterspin
vis- jachtvergunningper derem
vislijnvisgère
vlavloaj
vlaaivlouj
vlaamse gaaibonte melder
vliegenraamhors
vloerheîrd
vloer van schuurden
vlooienvleuj
vochtigklammig
voetbalvoebal
voetballenshotte
voeten vegenvegt ow vüt aaf
vogeltjeveugelke
voorveur
voor gek staanveur schuppegek stoan
voorschootscholk
voortdurendhemelop
vorkket
vorkverket
vork van een fietsfoers
vrederechterzjuus
vrijdagvrè-dig
vrijwilligêksprês
vroedvrouwgoei vrouw
vroedvrouwgoei vrow
vroegmisvrumes
vrouwwiêf
vrouw (echtgenote) vromes
vrouwenvrullie
vuilvoel (langgerekte oe)
vuilerikvoelerik
vuilerikken, viezerikkenverkeskui
vuilkarvoelkèr

W

waarboe
waarboeë
WaarBoewe
waar is hijboesie
waar is hij?boes ie
waar is hij?boessie?
waar woon jijboe wonde gè
waarmeeboemei dè
waaromboeveur
waaromvurwa
wafelwoffel
wandelenkuiere
warmwèrrem
warm waterwèrrem waeter
wasdraaddruugdroad
wasgoedlieved
washandjevuddeke
washandjewaslepke
wasmachinewaasmesjien
wasmandliêvetmaân
wasmandlievetmand
wasspelddruûgspel
wasspeldlieverdspel
wasspeldpeg
wasspeldpiek
wastobbebasèng
wat een rommelwa nen hekseketel
waterwoater
waterspuit (tuin ) spriet
watertorvismojer
wc't huuske
WC't huuske
WCHuiske
WCzeikpot
wegweeg
weggetjewigske
weggetje (klein) puike
welgesteld zijner wermkes een zitten
wenenbeuken
wenenjanken
wenenschreejen, beuken
wenenschreûwen
wervelwindjehouw-mouw
wetsteenstreek (zeis)
wijnwiên
wind lateneen poert loaten
winterkoolwinterkuul
winterkool (groene kool) gruun kuul
wit broodmik
woensdagwoenzig
woensdagavondwoenzigenoavond
wortelpoewet
wortelpôot
wortelpureepoewtestoomp / poewtepetazie
wortels (groenten) poeeten
wortelstamppotpoeétenpetazie

Z

zadelzoal
zak (in een broek) tès
zakdoeksnotvots
zakjezekske
zakje (papier) buulke
zakken (bv. van aardappelen) zek
zaklamppitslamp
zaklantaarnpitslaamp
zakmeskniêp
zakmesjepennemês
zatzoat
zaterdagzutterig
Zeer zekeras ge dè mè wit
zeizee
zeiszeisie
zenuwenkrienselkespis
zenuwen (dat werkt op mijn zenuwen) do krieg ich krullekespis van, do kroepen oew nastels van oet ouw schoen
zetelzeitel
zeugzoog
zeurpietzagebeir
zeven zeuven
zevenzeuven
zich vlug wassene katteweske
zozoewe
zoalswie
zoektocht houdenpielke jagen
zoetzût
Zolder in schuurschelleft
zondagzonnig
Zothoorendul
zoutzaawt
zuipenzoepe
zure pruimzoer proem
zuurzoer
zwaluwenzwâlften
zwarte bessenmoosberen
zweethandenzwiejethaan
zweetvoetenzwiejetvuut
zwijgthad oew bakkes
zwijgtzwiecht

3 opmerkingen

  1. Piskoat dut ow piskoat tow. Doet u rits toe
  2. Taalgebruik van vrachtwagenchauffeurs
  3. perderem = permission de porter d'armes