Sint-Niklaas dialect

Dialecten > Oost-Vlaanderen > Sint-Niklaas
Het dialectenwoordenboek Sint-Niklaas bevat 1297 gezegden, 2514 woorden en 7 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

1297 gezegden

aan wat ben je nu weer aan het denken?wa stodde doar nô weer in ô broek te kraan? zidde ô overuren ont uitrekenen?
aardappelen oogstenputtette steken; puttetten uitdoen
afgelegd zijnin lijk liggen
afgunst opwekkeniemand doûgen uitsteken
afsnauwende neus afbijten
al langs om meeroe langer oe meer
al slepend (met de voeten) gaansloefen
al spelend met een stoppelbaard op de wang van een kind wrijveneen bordje (= baard) zetten
al zijn geld verkwistenal zè gaalt opdoen
allemaal tesamenallemoal tuggoar
alles gaat tegenalles sloag tegen
alles is in orde met mijalles is in dun oak mè mij
alles is van hemei eé geel dun utsekluts
alles of alles wat er overschietgeel den annekkusnest
alles ongegeneerd opetenalles opfretten
alles opetenalles opeten mè oren en poten
alles wat er isgeel den batteklang
als de koffie te slap is zegt men...ge kunter ô gazet deur lezen
als die ergens is kan hij niet naar huis gaandas een trekploster
als die vrouw praat of lacht hoort men haar van verda vramengs is een echte schetteras
als dieren van haar of pluimen veranderenze zin ont ruiven
als een ouder het in 't hoofd krijgt om te trouwen, is er geen tegenhouden aanas een ou schuur ont brangen gerokt is er geen blussen oan
als ge dat maar weet!as ge (ache) da mor wit!
als ge ontevreden bent....leigt er ô kop (ô neus) bè als 't ô nie oastot
als het gratis is komt iedereen er op afas 't vur niet is loûpe ze de benen van onder older gat
als het kietelt in je handpalm.... zegt men...de boter zal gon opsloagen
als het regent en ook de zon schijnt't is duvelkeskermès
als het van mij afhangt....vur mè port....
als het weer goed blijft gaan we....as 't weer meesloagt gommen.....
als iemand de deur niet sluitge ziddier nie in de keirk zulle
als iemand de soep even laat staan omdat ze te heet is....zegt menéed ô moeder ô nie leren bloazen tèn
als iemand een boer laat .... (zegt men dikwijls) gift dien boer ne stoel
als iemand eerst zegt wat jij wou zeggen...:ge pakt mé de worden uit minne mongd
als ikazukkik
als ik in uw plaats was zou ik...ak van ô was zuk (zunnuk) ....
als je dat maar weet!a ge da mor wit
als je handen jeuken....zegt men:de boter zal gon opsloagen
als je zo verder doet zal ons geld rap op zijnzoû goddur dun eirmen tijd in bringen
als men iemand tegenkomt of begroet zegt men dikwijlsdzjuir
als men iets naar iemand toegooit ....zegt menzoe smijte ze de konink zèn andschoenen oûk
als men vreest dat iets verkeerd gaat aflopen'k mag er nie goed op (ô) peizen
altijd bereid zijn tot een wederdienst't éé plezier is 't ander wjeird
altijd opnieuwva kom vurdrom
alvorens dat te gaan doen gaan we eerst....veurdammen da gon doen gommen eest....
amateursharmonie (=al spottend) 't muziek van Temst
bang zijnschoeft zin, mette poepers zitten
bedrieglijk opdringenopsolferen
beestig doenzènnen bjeir (beer) uitloaten
beet nemenne kloot afdrjaan
begrijp je mij?verstodde mè?
behangpapier met lijm instrijkenpappen
bekaf zijnpompaf zin; kèn op min tong getrapt; 'k ben de leuter af; ze kunne me vangen onder een klak
bemesten met aaltbjeiren
ben je helemaal gek geworden?zidde gè nô gelemoal op ô kop gevallen?
bezig zijnin de weer zin
bij de rechter moeten komenmoete veurkommen
bij die lukt allesdie ka vliege vangen mè zè gat
bij die man duurt het niet langdie mokt er korte metten mee
bijna voor niets (koopje) vur nen appel en een ei
binnen het jaarbingst tjoar
blauw oog (van vechtpartij) bla sie
blauw oog (van vechtpartij) blausie- blautsjieoog
buiten adem zijnop zènnen oasem trappen
buiten adem zijnop zèn tong getrapt ein
Christelijke jeugdopvang, jeugdbewegingpaternozjie
coîtis interuptusveur 't zingen uitte keirk goan; den trein nor Antweirpen pakken en in Beveren afstappen
daar bemoei ik mij niet meedor breekuk minne kop nie mee
daar ben ik het niet mee eenszoe zimmen nie getraat
daar ben ik niet bezorgd omdas 't minste va min zurgen
daar ben ik niets meedor bennuk vet mee
daar ben ik nooit mee overeen gekomendor ben uk nog nooit mee omgekunnen
daar ga je nog problemen mee krijgendor godde nog leinen mè roûn
daar gaat iets verkeerdda t (d) eugt tor nie
daar heb ik geen medelijden meedoar ék geen kompassie mee
daar heb ik wat beleefd (tegengekomen)!dor bèk wa tegen gekommen!
daar is het altijd plezantdoar is altit leven in de broarij
daar is het properdor kunde van de vloer eten
daar is iets mis (daar scheelt iets) doar is stront on de knikker, dor schuld iet
daar is niks meer aan te doen, het is gedaan't schoap is de preut af
daar kan je niet op rekenendor kunde gene stoat op moaken
daar krijg ik zenuwen vandor kréégk de wubbers van
daar moet ik nog aan wennenda foart
daar moet men hard werkendoar moete travakken, doar moet ô kloten nogal afdrjaan zulle
daar schrok ik vandoar verschoot ik van, da was verschietachtig
daar verschoot ik van'k verschoot mè ne bult
daar was eens...dor (dur) was ies...
daar was er ruziedoar zit een oar in de boter; doar zitte kat in dorlozjie; doar ange ze in de trapees
daar wil ik ook over meebeslissendoar wullekik ook minne zeg over ein
daar zal hij voor moeten boetenda sal ei moeten uitzweten
daarom, dat is de reden dat het hier....'t ka nie missen dant hier....
dat ben ik nietdasinnekiknie
dat bier heeft een flauwe, slechte smaakda bier is precies schotelwoater
dat brood is muf gewordenda brood is verduft
dat doet veel pijnda toe neig zeer
dat eet ik graagdas minne meug
dat eten brandt in mijn keel't eten is pikant
dat gaat nog slecht aflopen voor hemdoar got è nog lijnen mee roûn (ruun)
dat gaat traag vooruitda go furruit gullèk bone knopen
dat gaat voor u verkeerd aflopen (moeilijkheden mee krijgen) doar godde lijnen mé roûn
dat geloof ik nietmok ta de kiekens wijs
dat had ik nooit van hem gedacht dat hij dat zou doen?wie zud em da noargegeven ein?
dat hebben ze graagdas (u) olderen foar
dat heeft geen zin, dat helpt toch nietdas geen avangs
dat huis is vervallenda uis is onderkommen
dat is bijna gratisdas bukkan verniet
dat is een brave mensdas ne goeie loebas
dat is een eenvoudig meisjedas een seut (seutebees, seutemie)
dat is een ferme vrouwdas e prompt vramengs
dat is een flauwerik, die kan niet lachendas nen drogen apostel
dat is een gierigaarddie is steeg van afgoan
dat is een heel gierige mandas een echte pees
dat is een heel verandering (dat is even wennen) da foart
dat is een losbandig meisjedas nogal e pateéken
dat is een magere mensdas ne sprinkoan (spierink)
dat is een stipte, veeleisende men, een perfectionnistdas ne pezewever
dat is even wennen....da foart...
dat is flauwe praatdas zever in pakskes; das fla kul
dat is heel lekkerda smokt nôr den trog om nog; t is om ô duimen en vingers af te lekken (
dat is heel ouddassoe aat as de stroat
dat is heel zoutdas precies borrak
dat is het beste, dat is goeddas 't manneken
dat is het toppunt! (=afkeurend) 't zal nog gô verschoûnen!; kust noa min oûr!
dat is hetzelfde, daar is geen verschil tussendas zo breed ast lank is
dat is hij niet gewoonda sal zè gat foaren
dat is iets naar mijn smaakda stô mè oan
dat is jammerdassonde
dat is kwaliteit...das marsjangdies...
dat is lang geledendas lank (ge) leen
dat is mijn favoriet liedjedas mè lijflieken
dat is niet juistda klopt langst geen kanten
dat is nu geen nieuws meerdas aa fuil
dat is om moe van te wordendas om 't speen van te krijgen
dat is ons jongste kindjedas ons kakkenestje
dat is ook een speciaal figuurdas oûk ne galjaar
dat is straf bier (koffie) das steirk bier (kaffie)
dat is te duur voor mijda ka minnen bruinen nie trekken
dat is toch wel ergda sin nogal lappen
dat is verleden tijddas gepasseerd
dat is voor elkaardas in de sjakos
dat is watdas geéne kattepis
dat is wel zobajaat jong
dat is zekervaneiges da
dat is zeker, daar moet men niet aan twijfelenda sto gullèk ne poal bove woater
dat kan iedereen gedaan hebbenda kan eenderwie gedoan ein
dat kan ik goed gebruikenda kom goe fa pas
dat klein kind schreit bijna de hele dagda klei kind is een schreemuil ('nen bleiter)
dat lust ik weldas minne meug
dat maakt veel verschilda schul nogal wa
dat resultaat valt tegendas nie fet; das gene vetten
dat schiet niet op; dat gaat slecht vooruitda gô furruit gelèk bone knoûpen
dat valt gunstig uitda fal mee
dat van haarteur
dat van hemtsijn
dat van hentolder
dat van mijtmijn
dat van onstongs
dat van Utoan
dat verveelt mijdad ang min keel uit
dat was bijna raakda schulde geen oar
dat was emotioneeldadee mè gepakt
dat was er bijna opdas was bekangs kadeé
dat was hoegenaamd nietsda was een scheet in een fles, da was een scheet in nen netzak
dat was vorige weekdawas passeede week
dat weet ik aldas aa fuil
dat weet ik ook welda wit me gat ook
dat werkt (gaat) automatischda gô vantsaalf (s)
dat wil ik nietzoe gotte vlieger nie op
dat wordt nu nog erger; wat krijgen wij nu weer't zal nog gô verschoûnderen
dat zal ik eens onderzoekenda gonnik ies uitvissen
dat zal niet goed aflopendoar (dor) komme vodden van
dat zal nooit gebeurenda gebeur vaz (j) ulleven nie
dat zal op niets eindigenda zal op niet endigen gullèk Wannes zè wezen
dat zal wel niet waar zijn...me gat zei bakker...
dat zal wel, dat geloof ik nietlot gè me gezond
dat zal zo niet gebeuren hoorzoe gotte vlieger niet op zulle
dat ziet er versleten uitdat ziet er mor kaduuk uit
dat zijn bijkomstigheden, onbelangrijke dingenda zé fantelatieren
dat zijn oude spullendas aa nest
dat zijn uw zaken nietdor edde gè geen afjeiren mee
dat zijn uw zaken niet!dor edde gè niet mé te moaken!, dor edde geen affjeire mee!
dat zit stampvolda zit proppudde vol
dat zit verstrengeldda zit in de knossel
de aardappelen zijn gaar gekooktde petetten (puttettun) zè zocht
de baas vleien (bij de baas slijmen) een bazepoeper
de bloemen in de vaas zijn aan het verwelkende blommen in de foas zin ont vurslunsen (vurslengsun)
de boer ging naar huis en de straatjongens kwamen fruit stelenden boer ging nor uis en de stroatjongens kwammun boogoarden (bunderen)
de boter is sterkde boter is rengs (rangs)
de dag van vandaag....surreworrig
de dag waarop een vereniging een feestmaal houdtde smjeirdag ('t smjeirfeest)
de deur gaat moeilijk open en dichtde deur prompt
de dokter heeft mij goed onderzochtden doktoor éé me goe gevisiteerd
de dokter heeft mijn vader niet goed behandeldden doktoor ee min vodder mismeesterd
de duiven inkorven om te vervoerende duiven inkeven (in de keef steken)
de fruitbomen bloeiende fruitboûmen zin ont blommen
de grond lichtjes omspittende grond omdoen
de grote broodkruimels aan de zijkant van een huishoudbroodgebuurkes
de juiste som, met pasgeld betalen't is gepast
de kermis vierenkèrmessen
de kinderen spelen nog als het al donker isze spelen nog in den donkeren
de kinderen staan daar te lachende kinderen zin ont giechelen
de klokken luidende klokken luin
de kraag van mijn hemdde kol van minnem
de kraan in een vat bier slaan't vat oansteken
de manke Peer kwam daar binnende manke Peer kwam dor binnengepikkeld
de melk is geschiftde maalk kabbelt
de mouw vegenflemen
de pompbak is weer verstoptde pompbak is weer verstropt
de regen pletst tegen de venstersde regen kletst tege de ruiten
de regen zal lang duren't regent van omoôg, 't zal drei doagen duren
de spiegel is een beetje vuilde spiegel is wa bekeuzeld
de stoof doen uitdovenkotert de stoof ies uit
de top van mijn duim doet pijndun stjoep van minnen duim doe zeer
de volgende dagsanderdogs
de volgende keerte (de) noste keer
de waterketel kooktde moûr zoût
de wortelen kuisende wurtelen schrepen
de zaak is geluktlot de boere mor dussen (=dorsen)
de zon brandtde zon stikt
denken dat alles in orde iser grust in zin
deze avondvan den oavut
deze middagvan de noen
deze morgenvan de morgut
deze namiddagvan den achternoen
deze weekvan de week
diaree hebbenon den dunnen zitten
die appel is droog en smakeloosdien appel is zo voos as een roap
die bij stak mijdie bie stikte mè
die doet alles heimelijk, het is een stiekemerddie doedalles in 't geniep, 't is ne geniepigoard. da is nen achterdumsen.
die ervoordie dorveur
die gaat graag naar de kermisdas ne kermisvogel
die gehoorzaamt niet meerdor edde niets nie meer on te zeigen
die heeft er bij mij gelegenden denen eed in min roapen gescheten
die heeft gelukdie boft, die boft nogal, die é sjangs
die heeft mij een loer gedraaiddie é mè ligge gat; die é mè ne kloot afgetrokken; die é mè een pee gestoofd
die hond (mens) floddert met iedereendas nen allemanswies
die is altijd heel netjes gekleeddies altit afgebusteld
die is dik gewordendie is struis gewurren
die is heel slimdas ne slimmerik
die is lang en magerdas een panlat
die is slimdas gene mutten
die is stipt en zet de puntjes op de idie is sukkuur
die kan het goed uitleggen (...kan niet zwijgen) die eed e lank blad
die kan niet stil liggen in beddie lig daltit te krawietelen in 't bedden
die kan over alles meepratendie kan over alles meeklappen
die kan veel bier drinkendie kan nogal pintelieren
die kerel heeft vlooiendie kjeirel éé vloûn
die koffie is veel te sterkdie kaffie is echten brak
die man (vrouw) eet altijd zo gulzigdas ne schoefeljeir (schoefelas)
die man is een onderkruiperdie zit in 'nen anderen zèn roapen
die man is lichtjes mentaal gehandicaptdie ees alle vijf nie, die eé tur mor twee en nen bezekoek, die is nen toer te lank op de meulen blijven zitten
die niet heeft kan niet gevenge kun ne kei 't vaal nie afstropen
die oude man gaat nog kaarsrechtdas nog ne stuken
die peer is veel te rijpdie pjeir is mater
die persoon maakt alles defect (is een prutser) das ne moûskloût
die rook hindert mijdien dikke rook pakt me
die schoenen zijn te grootdie schoenen slokken
die soep is dundie soep is wiep
die van haarden euren
die van henden olderen
die van mijde mijnen
die van onsden onzen
die van uden uwen
die vrouw is heel armdie vra is een eirm schoap
die vrouw is zeer vuildie vrou is oageroest
die vrouw snoept veeldas een snoepdoos
die weet het nietdie wit van toeten of bloazen
die zak is te zwaar, we gaan hem lichter makendie zak is te zwoar, we gon èm verlochten
die zieke man ziet afdie zieken zie zijne peéren nogal
die ziet er braver uit dan hij isdie zuddons Heer geve zonder biechten
dik en luiopgebloazen gulllek een padde
dikke borstenveel volk in de stoassie / e ferm schap / ne fermen toog / dor kunde blompotten op zetten
doe alsof men iets niet gehoord of gezien heeftva krommenoas geboaren
doe het maar eens na dat kunnen er niet veeldoent mor ies noar dor meugen der veel achterkommen
doe het maar van elkaar (uit elkaar) doent mor vaneen
doe je best maarwjeirdô mor
doelloos rondwandelenrongddrevelen
doelloos van over en weer lopenvan ot nor jeir loûpen, va Peer nor Kljaas loûpen
doet het pijn? (bij kinderen) doent zeerkus (zeer)?
door een beroerte getroffeneen gerokteid krègen
door elkaar gooienoverhoop smijten
door en door nat zijn van de regenmesnat zin
door iets getroffen zijn, verdriet hebben'k was gepakt as ik oordun da zèn broer dood was
door niemand bezocht worden en geen vrienden hebbenva geenen oantrok zin
door zijn eigen fouten gestraft wordendeur zèn eige luizen gebete wurren
draaierig wordenongemakkelijk wurren (wegdrjaan, oardug wurren)
dronken vrouwzatte loet
dronken zijnstuk in zèn kloten ein
dwars liggen, niet willen antwoordendwjeis zin; mè zèn ure zitten
dwarsliggende mensnun dwjeisachtuggen
een appel waar een worm heeft ingezeten'nen appel mè een mjasteek
een arme, simpele mensnen duts va ne mengs
een beetje keukenzout dat men tussen duim en wijsvinger kan vasthoudene snufke zaat
een beetje ziek zijnziekskes zin
een beetje...wa...
een belofte maar gedeeltelijk nakomeniemand pjaan mè een doo mus
een bits antwoord krijgeneen scheef antwort krijgen; de neus afbijten
een blaam (vermaning, verwittiging) krijgenonder zèn vijs krijgen
een blauw oog (= door vechtpartij) een blaa sie
een boer (= geluid) makenzènne mutten loate keren
een boterham zonder beleg' nen drogen botterram
een brood van tarwemeele grof brood
een dik, onstoken, ooglideen pinkoog
een ei van een kipeen tikenei
een erfenis krijgeneirven; delen
een flater begaanne kemel schieten
een flauwte hebbensteirrukkus zien
een fout makenne kemel schieten
een gemakzuchtige vrouwmie gemak
een gespierde maneen kleérkas va ne vent
een gierige man of vrouween pin; ne gierugoard; ' nen droak
een glas kapot slaane glas in gruizelingen (gruizelmengten) sloagen
een groot vet, rond gezichte wezen gullèk een volle moan
een grote man en een kleine vrouw (= gestalte) ne frangen alf
een grote mond opzetteneen franke toot (smoel) ein
een harde, moeilijke ontlasting hebbensteeg moeten afgoan
een heel, heel dikke vrouwdas e noasiepjeird
een hond die met alle mensen bevriend is'nen allemanswies
een hoovaardige vrouween schitkont
een hovaardige manne zjaarman; ne strekevent
een jongen die vowassen wil doen...ei kan nog nie alleen pissen; ei is nog nat achter zèn oûren
een kinde kind
een kinderloze oom of tante waar men van kan ervenne suikernonkel, een suikertante
een klein beetje gehakt etene piellukke gekapt eten
een klein kind met speeksel van moeder inwrijvenmoederkeszalf
een klein sierdoekje in het zakje, linksboven, van een herenveststoeferken, vloekurken, nogndudzjuuken
een kleine hoeveelheidne kluts
een kleur waar men eigenlijk geen naam voor heeftappelblaazeegroen
een kloosterlinge die terug naar de wereld gaatze eed eur kap over de wjeir gesmeten
een knap meisjeeen ferme mok
een kraan in een biervat steken om te kunnen tappene vat steken
een kwade vrouween tang van e wiijf
een lieve babye lief boeleke
een losbandig leven leidenne flierefluiter
een loskomend velletje naast een vingernagelne nijnoagel
een man die liegt, ne leugenjeir
een mes laten slijpene mes loate wetten
een moeilijke, bazige vrouween pikketijn
een nors persoonnen azijnziëker, nen nurk
een nukige man, een dwarsliggerne neur van ne vengt
een onbetrouwbare, dubbelzinnige man'nen tweezak, 'nen jassendrjaar
een ongeduldige, onrustige mensnen eirentrapper
een opschepper zijnnen dikke nek ein
een oude maneen ou peeken
een pakje slaag geveneen poeierink (rammelink, koterink) geven
een pretentieus iemandne strongtkloût, ne jan min kloûten, ne zjaarman
een rijk iemandene mè kluiten
een slag in het gezicht krijgeneen muilpjeir krijgen
een slanke, kleine man met een dikke, grotere vrouwNe ronker op een eps
een slecht gedacht van iemand hebbene slecht oog in iemand ein
een snede (sneetje) kaaseen schaal (schalukke) koas
een spaarzame mensne potter
een strenge vrouween pieketein
een stuk taarteen spie toert
een trage, irriterende stemeen lamijnige stem
een vals reden opgeven voor iets't kingd moet ne noam ein
een valsspeler'nen oarzak
een venijnige, onbetrouwbare vrouwwa een serpent
een verwend, onhandelbaar kindne (n) bedorve strongt, ne (n) bedeirfstrongt
een vrouw die alles bewaart en niets kan wegdoeneen aa koar
een vrouw die altijd modieus gekleed iseen modepop
een vrouw die liegteen leugenas
een vrouw met zeer kleine of bijna geen borsteneur tetten angen op euren rug; zee twee punijzen
een weduwe die het niet aan haar hart laat komeneen lustige weef
een wind latenene loate vliegen
een zak met boterhammen meenemen naar het werkzènne schoofzak meepakken
een zeer koppige manne steenezel
een zeer lange neus hebben' nen neus ein gullek ne kapstok
een zeer magere mensne spriet
een zenuwachtige man die vlug kwaad iseen buzzukke vloon; iemand die rap op zè pjeird zit
eerst voor zichzelf zorgen en dan voor iemand anderswie datter eerst vur zijn eige zurgt en ten vur een ander zurg vur ne goeie vriend
eierdooiereen door van een ei
eindelijk is hij vertrokkenendulluk is ei voors gegoan
eindelijk waren ze dan toch akkoordop den duur woare ze toch takkort
en al de rest ooken eel dun annukkusnest
en opeens vertrok hijop één, twee, drei (in ene keer) was ei de piest in
er hangt ijs, buiten aan de ramener angen prekels on de vengsters
er is een ongeval gebeurddur is e maleur gebeurd
er is een regenvlaag op komst't zal go speten
er is een velletje naast mijn vingernagel gescheurdkè ne nijnoegal
er is gekrakeel (ruzie) zangen in de trapees
er is nog een beetje bier overdur is nog ne klets bier over
er komt niks van't van de kloûten, 't is va 'k zal ô gon ein
er maar op los radendur nor sloagen gelèk nen blengden nor een ei
er moet betaald wordendur moet boter bè de vis zin
er nauw op aan komenna steken
er schiet nog wat soep overder is nog ne klets soep over
er staat ons nog wat te wachtenwe zimmen nog nie on de nief petetjes
er staat schimmel op de muurde muur is bochtig
er vaart achter zetten om iets in orde te kijgende benen van onder zè gat lopen
er voor (het vorige) dorveur
er was eens...er was ies...
er wordt slecht weer verwachtkikt ies naar de lucht dur is wa op komst
ergens een klein bezoek afleggen, terloops binnenlopenieverangst noargoan
ergens langzaam naartoe gaanstjeirten
ergens overbodig zijndur bijzitten gelèk nen uil op ne kluit
ergens rondhangenpaleuteren
ergens veel tijd (moeite, geld...) aan iets bestedener veel tijd insteken
ergens welkom zijn, van pas komen, we hebben je juist nodiggelegen kommen
eten geven aan beestenvoeieren
etenstijd op het werkwe gô schoven ('t is schooftijd)
even iets aanraken of lichtjes aanstotentegen iets titsen
feest van een verenigingde smjeirdag
fietsenper vielo rijn
fijntjes glimlachengremelen
flauw van smaakflets
flauwe praat vertellenlullen, zeveren
flauwekul verkopenzever é pakskes verkoûpen
ga je eens...?godde ne keer...?
ga maar verdergo mor voors
ga uit de wegmikt ô
ga verdergô foûrt
gaat ge nu zwijgen!godde no ô muil (bakkes) aan!
gaat het lukken? lukt het?zalt goan? gont?
gaat u maar zittenzettô mor
gapende wondegabbe
ge moet een oudere, meer ervaren man geen raad gevennen aan oap moete geen toten leren trekken
gebroken koekjes die gewoonlijk onderaan in de doos liggenmikmak, brokkelingen
geef dat eensgifta ies
geef eens een mooi handje (tegen kinderen) gif ne keer een schoo pollukken
geef hem een schop onder zijn achterstegif dèm 'nen trok onder zè gat
geef mij maar een glas bier op kamertemperatuurgif mè mor e flesken bier van 't schap
geef mij maar een halfgekookt eigif mè mor e nis ei
geef mij maar een jenevergif mè mor nun druppel (nun borrel)
geen enkelegenen enen
geen geluk hebbenmalsjangs ein
geen honger (zin) hebbengeen goestink ein
geen rooie duit hebbengene rotten bal ein; gene noagel ein vur in zè gat te kraan
geen rooie duit hebbengene rotten bal ein
gehaast zijnostug zin
gehaast zijngepresseerd zin
gehurkt zittenop zèn uksen zitten
geluid dat hennen maken als ze een ei leggenkokkedein
geluid maken als men eetsmakken
geluk hebben in het spelne konijnepoot in zènne zak zitten ein
geweldige vaak hebbenuit zijn ogen nie zien van de voak
gierig zijnop zènne zak zitten
gij denkt dat ik geld teveel heb zekerge peist da gaalt 't op minne rug groeit zeker
gij durft ook nietsgi zè ne zeéker
gij hebt verkeerd gegeven (kaartspel) gè misgeven
gij hoort niet goed zeker?edde gè spruiten in ô oren?
gij komt op een slecht momentge komt ongelegen
gij moet beginnen spelen (kaartspel) gè moet uitkommen
gij moet de kaarten goed dooreen schuddenge moette korten goe schrangsen
gij moet zo niet reklamerengè moet zo nie van ô kjeis (neus) moaken
gij weet het precies zelf niet goed meerge wit zaalf mor den aalft van 't schoon weer nie meer; gètte klok ore luin mor ge witte klepel nie angen
gij ziet er zo bleek uitgè zè precies botermaalk
gij zijt ook een speciaal gevalgè zid oûk wa gescheten
gij zijt zot zeker?zidde gè va Lotje getikt?; zidde gè op ô kop gevallen?
gij, jullie (meer dan 1 persoon) gaan...gulder got....
goed eten en drinkengoe smjeiren
gramschap die niet lang duurtkattekoljeiren
grootpraat of overdrijvenmè spek schieten
grote handen hebbenanden ein gelèk koolschuppen
grote honger hebbenschjaal zien van den onger
gulzig etensloeberen, schrokken
gunstig weer om de oogst binnen te halenoestweer
haar boek...euren boek
haar schoenen...eur schoenen
haast je maar, laat het maar vooruit gaangif mor buzze (n) Zjeraar
haast u maar watspoeiddo môr wa
haastig afwerkenaflappen, flikken
haastig soep etende soep binnesjoefelen
haastig zijnostug zin
half zot zijnne slag van de meulen gat ein
hard zwetenzweten gullèk nen das
heb je dat al ooit meegemaakt! (gehoord, gezien) edde da vazjeleven al meegemokt (geweten)!
heb je het begrepen?eddet verstoan?
heb je je werk afgemaaktzidde kljeir gekommen?
heb jij dat allemaal opgegeten?edde gè da allemoal in ô boal geslogen?
heb jij iets?eddiet?
heeft u dat graag?edde da gjeiren?
heel afgelegen wonendor kom God è klein Peerke nie ; dor kunde mè ô gat bloot lopen
heel dom zijnzo lomp zin as 't achterste van e veirken
heel fijne, zachte regen't is ont zeveren; 't is mor muggepis
heel grote honger hebbenze zien vliegen
heel hard lachenne floeren oap lachen
heel hard overvegenzè leéf uitspoagen
heel nieuwsgierig zijnne kurieuzeneus
heel snel lopenloûpen dan ô kloûten gelijk angen
heel veelneig veel
heel veel, heel vuil, heel warm...vree feel, vree fuil, vree weirm...
hees pratenne puit in zèn keel ein
hem moet je zoiets niet wijsmakenbè èm pakta nie
het baat niet't is geen avangs, 't is nie genodderd
het bed opschudden't bed opschudderen
het beeld bovenop de Onze Lieve Vrouw kerk in Sint NiklaasMarja Vergult
het bewustzijn verliezenva zè zaalve goan, va zène suus goan, oardug wurren, wegdrjaan
het breigaren is verward't breigoaren zit in de knossel
het doet een beetje pijn't piekt een bitsjen
het doet heel veel pijntoe neig zeer
het duurt weer lang voor je er mee gedaan hebt hé!zidder weer ne nannekes nest van ont moaken tèn?
het een en het anderteen en tander
het eten is heel fel gezouten't is precies borak
het gaande gank
het gaat er niet in, het is verstopt't stropt ieverangst
het geeft nietda gif nie, tgif nie
het geld wil altijd bij dezelfde zijnden duvel schit alt op de groetsten oûp
het geluid van de zwemmers in het water't geplets van de zwemmers int woater
het geluid van spelende kinderen't gurravot van de kinderen
het glas is helemaal kapot't glas is geelegans kapot
het glas loopt bijna over (= tot de rand gevuld) Beverse moat
het gras maaien't gras afrijn (afdoen)
het haalt niets uitof dadde no sprikt of schit, 't is allemôl 't zaalfde
het heeft goed gesneeuwdté straf gesneet
het helpt (baat) niet't is geen avangs, 't is niets genodderd
het helpt nietdas zoveel as pist er ies tegen
het hout is verstikt't aat is verduurt
het iemand kwaadwillig zeer lastig makeniemand koejoneren
het is aan de zijkant't is vanstei; 't is opzij
het is aan het vriezende vriezeman is dor
het is af te wachten of hij goed gezind is't is te zien oe da zèn muts stot
het is beklemmend weer't is doef
het is een dommerik, dwaze snul't is ' nen annewuiten
het is een gemene kerel't is ne schurfterik
het is een gulzige eter't is ne slokkoard
het is een moeilijke, ontevreden persoon't is nun ertefretter
het is een onderkruiperei zit in een andermans kloavers
het is een scheleei kikt zoe schjaal as nen otter
het is er enen zonder complimentenei is effenaf
het is er mee gedaan't schoap is de preut af
het is er nevens, naast't is er neffust
het is gedaan met regenen en het wordt lichter't is over mè regenen en 't kleird al op
het is genoeg geweest'k èn dur min bekomst van
het is gratis, daarom zijn wij hiervur niet stenen dood é
het is hard aan het regenen't is ne goeie speet ontoen
het is hard aan het regenen't regent neig, 't regent aa wijven
het is heter aan het worden't is ont vurreten
het is hier pikdonker't is ier zo donker as een aal
het is hier zo donker, ik zie niets'k zien ier geen steek vur min ogen
het is kwart voor 1't is kort van den enen
het is maar een kleine regen't is mor een vloûg
het is me niet opgevallenken dur geen eirig in gat
het is me wat't is teen en tander
het is mislukt't is nor de kloûten
het is niet bedorvendor is niets oan
het is niet erg't ka géé koat
het is niet erg't gif nie, da gif nie
het is nu elf uur't is nô aalf uren
het is om zot van te wordendor wurruk onnozel van
het is roest geworden't is broest gewurren
het is twaalf uur't is twalf uren
het is van hen't is van ulder
het is vermengd geraakt't is ondereen gerokt
het is volledig afgewerkt't is gelemoal af
het is zwoel weer't is laf weer
het kakelen der hennen als ze een ei leggenkokkedein
het kan hem niks schelenei giftur nie om
het kan mij niks meer schelen!ze kunnen allemoal minnen zak opbloazen, ze kunnen de pot, dasse nor de kloûten loûpen!
het kind bevuilde zich tijdens het etenda kind is on 't smokkelen
het krakken't gekrak
het lichaam in de doodskist leggen en ze sluitenkisten
het lievelingskindje van de schooljuffrouw't kakke nestje
het lukt je niet hé?ô jeirink brjaa nie hé?
het mes snijdt niet't mes is bot
het niet afwachtener nie op schoven
het opnemen van vochtiets opdoppen
het past bij elkaar't gô bijeen
het regent hard't regent bloskus
het scheelde niet veelda schol nie veel
het spel winnen (kaartspel) uit zin
het stinkt hier naar ietsnor wa stinktadier
het valt me nu niet te binnenkan dur nô nie opkommen
het varken slobbert alles op't veirken sloebert alles op
het verveelt mijtang minne rekker ier uit
het vlees was droog't vlees was gullèk oûrn
het vordert nietda gô furruit gelèk bone knopen
het was allemaal moeite voor niets't was allemoal vur den hond zèn botten; 't is geen avangs gewist
het was bijna zo ver (gebeurd) da schulde nie feel; da was op 't nippurken
het was niks't was een scheet in een fles
het water in de ketel begint te koken't woater in de moûr begint te zoûn (broebelen)
het wijfjeskonijn zal gaan bevallende vooi zal jongskus gô krijgen
het wordt heter buiten't is ont verdoefen
het wordt stilaan koudertwurd allangsom kaar
het zal seffens gaan regenenze zin dor boven wa ont kljeirmoaken; 't zal subiet ne speet gôn doen, ze zé weer een schupken ont ljaan
het zal wel straks wel overgaandor tegen ist waal over
het zal wel vanzelf bedaren (overgaan) 't zal waal koelen zonder bloazen
het zat daar helemaal volda zat dor helemoaal volgepropt
hier heb ik erg veel pijnier kunde me doûdnijpen
hier is er plaats genoegier is plek (plots) zat
hier is iets niet juist (niet pluis) ier makeerdiets
hij (zij) lispeltei (zè) eed e voddeken ô zèn (eur) tong
hij (zij) zit in het krankzinnigengestichthij (zij) zit in de mafkeet, hij zit bij de broeders, zij zit in de poapennakkers
hij bemoeit er zich weer meeè sloagt er zènne gaffel weer tussen
hij bemoeit zich met alles't is ne moeial
hij bloedde heel hard't bloed zeékten dur uit
hij deed een grote inspanningei deé toch zèn duvvoûren
hij deed het onmiddellijkei deent mittunnenen
hij denkt er zelfs niet aan om...ei eet furza nie om...
hij die pijn voorwendtkaroatentrekker
hij doet geen moeiteei voagt er zèn kloûten oan
hij doet zijn best op schoolei doe goe zèn duvvoren int school
hij draait met de auto af zonder de richtingaanwijzer aan te zettenè draait af zonder te pinken (zonder zènne pinker oan te zetten)
hij eet weer teveelzèn ogen zè groter as zènnen buik
hij gaat moeilijkne mankepoot; ei mankt; ei inkt; ei pîkkelt
hij gaf hem een niet mis te verstaan antwoordei gaf èm ne goeie stek
hij gelijkt heel erg op zijn vaderei trekt eel goed op zè vodder
hij goot alles bij bij elkaarei was alles ont bijeenkletsen
hij heeft een heel dikke buikei eéd een dikke pengs
hij heeft een heel rood gezichtei zie so roût as ne kalkoen
hij heeft een koortsblaasje op de lipei eed een makkefie
hij heeft een trage, vervelende stemei eed een lamijnige stem
hij heeft eetlustei is in zènnun eet
hij heeft grote hongerzènnun bjeir grolt (dangst)
hij heeft het zelf gezegdei eént zaalf gezeet
hij heeft het zitten, ze hebben hem liggenei éént ô zè zeel
hij heeft iets teveel gedronkenei eed een bees oan
hij heeft moeten toegevenei é zènne stjeirt moeten intrekken
hij heeft veel pijn, ziet erg afei zie zènne pere nogal
hij heeft zijn hoed opei éé zènnen tist op
hij is al naar bed (gemeenzaam) ei is al nor zènne nest
hij is begravender groei gras op zènnen buik
hij is bewusteloosès van zènne suus
hij is bijna klaarei is omtrent gereed
hij is boos en niet aan te sprekenei zit mè zèn uren
hij is doodès dun ongd gô voeieren
hij is een stijfkop, een moeilijke vent't is ne nurk van ne vent
hij is er vlug bijei slopt er nie op
hij is halfwegei is alverwegen
hij is heel hoovaardigei eent oog in zèn steir
hij is heel magerge kundèm onder de deur schuiven
hij is in ongenade gevallen / hij is de schuldigeei eette boter geten
hij is net overledenès zjuust gepasseerd
hij is niet domdas genen uil
hij is niet meer zo jongei is niemmeer zoe jonk
hij is niet op de afspraak gekomenei é mè geplakt
hij is niet zo slimès zoe stom as 't achterste van e veirken
hij is nog jongès noch nis achter zèn oûren
hij is nog veel te jong, te onervarenei kan nog nie alleen pissen
hij is op zijn tenen getraptès in zè gat gebeten
hij is oud maar nog heel gezondès aat môr noch kloek
hij is overledenès gepasseerd
hij is slecht te been en mankt watei goa kramakkug
hij is verbitterd en kwaad op jouei is op a gebeten
hij is weer aan het overdrijvenès weer mè spek ont schieten
hij is weer met zijn schoenen (pantoffels) aan het slepenès weer ont sletsen
hij is weer veel geld aan het verdienenzènne meulen draai weer goed
hij is zeer armei eé gene noagel om in zè gat te kraan
hij is zeer magerès mor 't vaal over de benen, ès groatmoager
hij kan beter eten dan lerenès beter van innemen as van oanemen
hij kan bijna niet gaan van zattigheidei zwenselt over 't stroat va zattigeid
hij kan de fietsers niet bijhouden (volgen) ei verachtert
hij kan geen enkele vrouw met rust laten't is ne vrouzot
hij kan goed zijn plan trekkenei trekt goe zènne streng
hij kan het altijd slim oplossen't is ne plangtrekker
hij kan het niet vergeten't blift in zènne kop steken
hij kan niet langer wachten om te beginnen etenei springt erop gullèk nun bok op doaverkist (= haverkist)
hij kijkt haar begerig aanzèn oûgen drjaan nor 't ol van zè gat
hij komt stil (ongemerkt) voorbijei kom daf op zèn zokken
hij krijgt een oprisping krijgen bij het etenzèn moag keert, ei lot een boerken, ei lot ne mutten
hij ligt heel hard te snurkenei lig te ronken gulllèk e veirken
hij ligt niet stil in bedei lig te wietelen
hij lispeltei eéd e voddukkun ôn zèn tong
hij loopt helemaal kromei loûpt soe krom as ne zichel
hij loopt helemaal kromès zoe krom as een zichel
hij loopt mooi rechtopei loopt soe recht as een kjeis
hij loopt onrustig rondei loopt rond gullèk e kieken dad een ei moet gô leigen
hij loopt ver vooruit op de groepvurrop lopen
hij luistert weer nietlankst die kant oort ei nie goed
hij mag eens naar de kapper gaanei mag zèn kalot ies loaten afdoen
hij moet gelijk hebbenei go geen oar achteruit
hij pakte mij bij de kraagei pakte mî bè mènne schabbernek
hij pist veeldie kan nogal zeeken
hij slaapt rustig en vastei slopt gullèk een roûs
hij slikt ongemanierd zijn eten binnen't is ne slokkop
hij staat naaktei stod in zènnun bloten, ei stod in zènne paddurrun
hij staat op het punt om te beginnen wenenei eé ne krop in zèn keel
hij staat vol blaasjesei sto fol mè wuffels
hij trekt een lelijk gezichtei trekt e vies wezen; ei kikt koat
hij verblijft in het gekkenhuisè zit in de Niesstroat (bè de Broeders)
hij vertrektei kuist zèn schup af
hij viel en had twee builen op zijn hoofdei viel en at twee boebels op zènne kop
hij viel van de trapei stukte van den trap
hij volgt mij overalei angdon min sleppen
hij wankelt en kan moeilijk gaanei loopt rond gullèk ne puit op nun erte wegel
hij was ineens wegin enen keer was ei riebedebie, in enen keer was ei de piest in
hij werkt zeer hardei werkt tege de steiren op
hij wou het vlug verstoppenei wulde 't rap wegfoefelen
hij wou mij weer iets verkopenei wulde mè weer iets opsolferen
hij wou zich vlug verwijderenei wulde rap wegstjeirten
hij zal daar niet lang blijven werkenei zittor op ne schupstoel
hij zal niet lang meer levenzèn pijp is veir uit; ès veir den ond gô voeieren
hij zegt nietsei moeft nie
hij zit daar weer eens niets te doenès weer ies zèn kloten ont schuren
hij zit gehurktei zit op zènnun nuk
hij zit op de schommelès ont biezebeèzen
hoe heet jij?oe eette gè?
hoe is het mogelijk....niet waar hé?godmariei
hoe kijk jij nu weerwa fur e wezen trekte gé no weer
hoe staat gij daar nuoe stodde dor nô
hoeveel huishuur betaal je daar?oeveel verwoonde dor?
hoeveel kost dat?wa kostta?
hoovaardige manstrekevent
hoovaardige vrouwschitkongt
hou je goedaad ô struis
hou maar op 't is genoeg geweestgè dal ongderd
ieder om beurtaalk op zènnen toer
iedere helft van het achterstede koaken van 't gat
iedere mens is verschillendnie alle koeien eéte Bloar
iedere weekalle weken
iedereen kan missenda kan bè nun boer oak veurvallen
iedereen vindt wel iemand om mee te trouwenop ieder potje past e schilken
iemand afsnauweniemand de neus afbijten
iemand als vijand (tegenstrever) krijgeniemand tegen krijgen
iemand bedriegen (foppen) iemand een pjeir stoven
iemand benadeleniemand ne kloot aftrekken
iemand die 's nachts lang uitblijftdas ne nachtkuil, das een nachtkoetse
iemand die alles bewaart en niets kan wegdoeneen aa koar
iemand die alles defect maaktne moûskloût of : ne mouspot
iemand die alles juist wil hebbenne muggezifter
iemand die altijd alles beter weet'nen alweter
iemand die bedriegt of valsspeeltnen oarzak
iemand die flauwe praat vertelt't is ne zeverjeir
iemand die het huis binnenkomt als men over hem aan het praten isas gê van den duvel sprikt ziede zènne stjeirt
iemand die hevig stinktei stinkt gullèk nen bok
iemand die in zijn neus peutertei (zij) vang zèn (deur) pielewuiters
iemand die niet erg snugger isdie é doûk tweirm woater nie uitgevonnen
iemand die niet zo sterk isiemand mè puitemacht
iemand die niets anders doet dan iets kopen en het terug verkopen't is ne sjoefeljeir
iemand die om het minste lacht't lacht en tsie nie
iemand die onverstaanbaar, binnensmonds praat'nen broebeljeir
iemand die overal blijft hangen en niet naar huis kan gaanplakploster
iemand die rap kwaad iseen buzzukke vloûn
iemand die schrik heeft't is 'nen broekschijter, nen labbekakker
iemand die veel naar de kerk gaat't is ne keirkuil, ne piljeirenbijter
iemand die voortdurend liegtdie zuigdalles uit zènnen groten teen
iemand die voortdurend liegtdie liegt dat ei zwart ziet
iemand die wartaal uitkraamtwa zidde noa weer in ô broek ont kraan
iemand die zeurtdie kan nogal zoagen
iemand die zich vlug kwaad maakteen buzzukke vloûn
iemand een loze belofte doen'k zal tèn ies e vogelke vur ô vangen
iemand een onbeschoft antwword geveniemand een scheef antwort geven
iemand een rammeling geveniemand een kotering, botering geven
iemand een vermaning geveniemand een ruppriment geven iemand onder zèn vijs geven
iemand foppeniemand een pee stoven
iemand foppen (bedriegen) iemand bè den bok doen
iemand goed inzepen en wasseniemand een goeie schoddering geven
iemand hebben die in nood u helpt en ondersteunteen goei acherdeur ein
iemand iets ongevraagd opdringeniemand iets opsolferen
iemand iets te veel aanrekenenmè een dubbel vurket schrijven
iemand in het gezicht slaaniemand een toert geven
iemand jaloers makeniemand 'd ogen uitsteken
iemand kennen van vroegeriemand kennen van oanziens
iemand laten vallen over je uitgestoken beeniemand poütsje schjeiren / poütsjelappen
iemand liggen hebbeniemand ne poater schilderen
iemand met een niemendalletje tevreden willlen stelleniemand pjaan mè een doo mus
iemand met een te korte broekdie é woater in zènne kaalder stoan
iemand met kleine oreniemand mè muizenoorkes
iemand met rust lateniemand grust loaten
iemand niet kunnen verdrageniemand nie meugen... nie moeten ein
iemand niet met rust laten, moeite doen voor ietsiemand (iets) achternoarlopen
iemand omhelzeniemand tegen zènne zjiellé trekken
iemand onbeleefd afsnauweniemand de neus afbijten
iemand ongevraagd iets verkopeniets oasmjeiren
iemand opjagen in zijn werkiemand achter zè gat zitten
iemand prijzen, loveniemand beboffen
iemand roepen om mee te gaaniemand meeroepen
iemand slim uitvragennôr iets lutsen
iemand spontaan helpen met ietsiemand e plezier doen
iemand te rap af zijniemand zènnen botterram afpakken
iemand teveel laten betaleniemand stropen
iemand vernederenkleineren
iemand zoveel geven als hij nodig heeftiemand gerieven
iets doen zonder veel goestingva zèn ert ne steen moaken
iets dunner maken (vloeistof) oalengen
iets gescheiden houden (iets niet tesamen doen) apart aan
iets gewoon zijniets gewend zin
iets haastig wasseniets uitflodderen
iets houdeniets aan
iets in het geniep doeniets onderdums (al kaks) doen; 't in in de maa ein
iets in het klad schrijveniets int vuil schrèven
iets in het oog houdeniets gwasloagen
iets in twee gelijke stukken uiteendoen (breken) ; iets in twee stukken snijdeniets talvendeur doen
iets innemen tegen de diarreéiets pakken da stopachtig is
iets lang laten durener een aaman uis van moaken
iets langzaam doen (aarzelen) treuzelen
iets naar de vaantjes doeniets verkwanselen
iets niet durven zeggeniets opkroppen
iets niet kunnen vatten, begrijpendor èk gene pak op
iets nodig hebbeniets vandoen ein
iets om zeep helpeniets vermoûsen
iets ongevraagd rondvertelleniets on 't zeel angen
iets onhandig doenoaneenflansen
iets onopgemerkts doenal kaks doen, al slinks doen
iets regeleniets arranzjeren
iets teveel betaald hebbendor èk min broek ô gescheurd
iets uit het hoofd kenneniets van buiten kennen
iets van zin zijn (niet willen toegeveniets in zèn steir ein ('t in zèn steir ein)
iets verkopen zonder winst of verlieser juust ôn uit kunnen
iets vertellen zonder nadenkenklink ut nie zo bots ut
iets vuil makenpladesteren
iets zijn gang laten gaan zonder in te grijpeniets loate (n) betijn
iets zogezegd spontaan doenal kaks doen
ik ben bijna de beste van de klas'k ben dun besten van de klas op een oar nô
ik ben bijna falliet'k ston bukkangst in de Warande
ik ben dikker geworden'k ben bègekommen
ik ben direct terug'k ben op ne pink (wiep) terug
ik ben druipend nat van de regen'k bè zo nat as ne messoop; k bè mesnat; 'k bè zeékende nat
ik ben duizelig'k ben oardug
ik ben er mee wegik gô voor (s) t
ik ben heel moe'kbè stenendood, 'kbè poepaf, 'k ben de pin af, kèn op min tong getrapt
ik ben heel stijf'kzî zo stijf als een bard
ik ben helemaal nat van de regen'k bè zoe nat as ne messink; 'k bè kleddernat
ik ben helemaal verstijfd van de kou'k bè ('k zî) vervrozen
ik ben het beukèn der min goesting van; 'k ben tsoe beu as kaa pap
ik ben misselijk van het etenda eten is me misvallen
Ik ben ongemakkelijk van te veel te eten't eten ligdop min moag
ik ben onpasselijk'k bè wa mottug
ik ben platzakké gene rotte kluit nie meer
ik ben wat misselijk'k ben oardug
ik ben weer heel zenuwachtig'k zit weer mètte wubbers
ik ben zo moe'k ben de pin af ; ze kunnen mè vangen onder een klak
ik dacht'k docht
ik drink niet uit dat glas waar net iemand anders van dronk'k drink nie uit da glas worda torjuust iemand ö gezabberd eet
ik ga een plasje doen' k gô minnen beste vriend ies e polleke geven ; 'k gô min petettjes ies afgieten, 'k gô pissen
ik ga met harten (......) beginnen spelen (kaartspel) 'k gô mè ertus (koekus, kloavurs, schippus) uitgoan (uitkommen)
ik ga mij eens heel goed wassen'k gô mè ies goe schrobberen
ik ga mij uitkleden'k go min kleeren uitspelen
ik ga mij wassen'k gô mè schodderen
ik ga mijn dochter de naaistiel laten leren'k go min dochter de noad loaten doen
ik ga naar het w.c.kgon ies kijken of dak nog een manneken ben
ik ga vertrekkenkgôkik deurgoan
ik geef nog een tourneéik schup nog ies
ik geloof dat hij hier juist voorbij ging'k en èm zjuust mè ne schemel zien passeren
ik geloof niet dat het waar ismijn oor ja!
ik hebkeppekik
ik heb bijna gedaan'k bè bekangst tengden
ik heb een lopende neuskè ne sneuverink
ik heb een steentje op mijn hoofd gekregenkèn e stientsjen op min steir gekregen
ik heb er genoeg vanfoert
ik heb er geoeg vange kundin min zon kijken
ik heb geweldige hoofdpijnminne kop sloag 'd open en toe
ik heb gewonnen bij het kaartspel'k ben uit (uitgerokt) ; kan uitspelen
ik heb gisteren een verkoudheid opgedaan'k è gisteren een vallink opgeschjeird
ik heb grote hongerminnen bjeir grolt
ik heb heel veel pijn...'k zun op al eiligen roepen
ik heb hem zeker (duidelijk, wezenlijk) gezien'k zag èm permentelijk
ik heb hevige tandpijnkè vliegende tandpijn
ik heb iets niet bij'k mankeer iets
ik heb overal pijnkang nog mor alleen ô makoar mè oaken en oûgen
ik heb rugpijnkè steken in minnen rug
ik heb verf op mijn broek gekregen'kèn een klad veirf op min broek gespeet
ik heb zoveel geld niet hékeppukkik geen ezelken da gaalt schit zulle
ik hoor de motor van de autodraaien'k hoor de moteur van dun otto ronken
ik kan het mij niet herinnerenkan der nie opkommen
ik kan mijn glas bier niet in één keer uitdrinken'k kan die pint nog nie uitkrijgen
ik kan niet alles zien'kè geen ogen op minne rug zulle
ik kan op dat woord niet komenda wort val mè nie te binnen
ik ken dat nietkèn da nie
ik kon het niet verhelpenkoster niet on doen
ik moet mijn deel van de erfenis nog krijgen'k moet mè port nog krijgen
ik moet moeite (een inspanning) doen'k moet me wjeiren
ik schrok nogal'k verschoot me nen bult
ik verdien hier heel weinig'k verdien ier 't zaat op min petetten nog nie
ik versta niets van wat hij zegtès weer on 't broebelen
ik vertel de waarheid'k mag ier doodvallen ak lieg
ik vertrouw hem niet'k betraan èm vur geen oar
ik voel me nog goed'k ben in de fleur va me leven
ik was aan het denken...'k docht bè (in) min eigen
ik weet het wel'k wit het waal
ik weet wel hoe ik mij moet gedragen hoorkènnukkik minne wjeireld waal zulle
ik wil niets meer met U te maken hebbenge kundin min zon kèken
ik wist direct waarover het gingne goeie verstonder éé mor éé wort nodig
ik zag het heel goed'k zag 't permentelijk
ik zal het eens verder vertellen over jou'k zal ô boeksken ies open doen
ik zie je graag'k zien ô gjeiren
ik zit hier al een uur te wachten op u'k wacht ier al een uur op aa gei zè ne schonen
ik zit hier goed en rustig'k zit ier vree op me gemak
ik zit vast (kan niet weg) 'k zit geprangd (vernepen)
ik zou denken...op teeste zicht zuk ...
ik zou graag een broek hebben zoals de uwe'k ze gjeiren een broek ein op 't gedacht van doan
in de gevangenis zittenin de doos (prison) zitten
in de hoogte werpenomoog roûn
in de namiddag's achternoens
in de neus plukkenin de neus koteren (pielewuiters vangen)
in de plaats vanplots van
in de volle stekende zon gaan rondlopenin de blakke zon gô rongdlopen
in een moeilijke situatie zitten, vast zittenin de prang zitten
in het geheim iets doenin stilte iets uitsteken
in het geniepalkaks
in het geniep iets doenachter 't gat iets doen
in het vuil (in de modder) trappelendèsturren, dretsen
in iets grabbelenin iets schjeiren
in slechte staatkaduuk
in twee delen (breken) talvendeur doen
in wanorde staanoveroop stoan
in zwijm vallenfla vallen (van zènne suus goan)
influistereniemand iets in 'd oren bloazen
inkopen doenkommissies doen
inpakpapier (doorschijnend voor voedingswaren) kladderken
inwendig lachengniffelen
is dat echt waar?is da serieus?
is er al boter op de boterhammen?zin de botterrammen al gebreed?
is het eten al klaar?is 't eten kljeir
is het lekker? staat het je aan?meugdut
is je vader thuis?kunde mè zeigen ofda dô vodder thuis is?
ja gijjaag
ja hetjaat
ja hijjaan
ja ikjaak
ja je hebt gelijk, is het nu goed, ja gèt gelijk, ist nô goed?
ja maar...jommer...
ja zijjaas
je bent niet goed wijszedde gè op ô kop gevallen?
je hebt een spatje verf op je broekgèt een tiksken veirf op ô broek
je kan het vergetenge kunse kussen
je moet dringend je haar laten knippenge meugdô zoû (kalot) ies loaten afdoen
je ziet dat hij het prettig vindt....ei eet er deugd van; zèn oûgen drjaan nor 't hol van zè gat
jij bent een grote valsspeler, bedriegerge zè ne groten oarzak
jij bent mijn liefstegè zè me zoeteken
jij mag beginnen (kaartspel) gè meugd uitspelen (uitgoan, uitkommen)
jong van een diere jongksen
jong vogeltje zonder pluimenpaddere mus
jonge kikvors in zijn eerste gedaanteeen oekedoeleken
jongens (meisjes) gekjongus (mèskes) zot
jongens met wit haar zei je niet veel meerwittekoppen zie de bekangst ne meer
jullie zijn verkeerdgoldur zè verkeerd
kan het niet een beetje rapper?ge moet er geen aaman uis van moaken hé
keelgeluid van stervendegereutel
kersen met een witte vlek?da zè wittebuiken
kijk dan daar maar eenskikt tèn doar mor ies
kinderen die veel en graag zwemmenda zè woaterratten
klein en magerwa ne paleuter
knettergekzoe zot as een mus; va Lotje getikt; zoe zot as een achterdeur
knipogeneen oogske trekken; pinken
kom er maar mee te voorschijnkomt er mor mè vur de pinnen
kookpotten en pannenpottekarreé
kuis je mond eens afô toot zie fuil, wrijft er mor ies over
kwaad zijnop zè pjeird zitten
kwaad zijn op, of kwaad spreken over iemandop iemand zijn kap zitten
kwart voor (na) een, twee, drie, vier....kort (sjen) veur (noar) den enen, den tween, den drein, de vieren...
laat me met rustlot mè grust
laat mij eens doorgoddies uit minne weg
lakens en dekens op het beddeksel
lang geledenlank gulleen
lang moeten wachtenwurtel schieten
lang vervlogen tijdende joare stillekes
langer ergens blijven dan voorzienieverangst blève plakken
last (schade) van iets hebbeniets ô zijn been (broek) ein
lastig zijnnukkig zin
lastige ventdwjeizen
laten merken dat men rijk isveel zjaar ein (ne zjaarman)
leugenaar, gij gaat recht naar de helleugenjeir, gè gô recht nor 'd aal
lichtjes hoestenkummen
lied dat men boven alle andere verkieste lijfstuk
lijkdienst die om negen uur plaatsvindt't is een negenurenlijk
lijken oper op trekken
loop naar de vaantjesge kun minne zak opbloazen
loop naar de vaantjeskust min kloûten
luidruchtig etensmakken
maak dat je weg komtgô mor nor uis ô moeder é viskes gebakken
maak je weg!mokt da ge van onder min oûge zit!
mag ik binnenkomenis er geen belet
mag ik eens?makkies? maggekikkies?
mag ik niet weten wat je verteltwa betekent da gefezel dor
mager en gezond zijnmoager en twja gullèk de bokken va Snja
magere mensne moagere sprinkaon
magere, grote manwieter
man met heel kort geknipt haardas ne schorrekop
meisje dat op een jongen verzot isjongeszot
meisje dat zonder slipje looptze loûpt mè eure sporpot bloût
mensen bedriegenmensen een oûr oanjaan
mensenbeeld dat men in de maan meent te ontdekkenJanneke Moan
menstruerenzeéd ur regels ; de roo vlag stikt uit ; de Russen zin dor
met de neuzen heen en weer tegen elkaar wrijvenneuze neuzen
met de riek iets losser makeniets opluchten
met een draaitol met ijzeren pin spelennonnen
met een stoofhaak in de stoof wrikkelenin de stoof koteren
met een tandenstoker zijn tanden reinigenzèn tanden uitkoteren
met half gesloten ogen naar iets kijkennor iets spieren
met half toegeknepen ogen naar iets kijkenspieren
met het lichaam heen en weer bewegenwiebelen
met kracht en geweldforsig
met mest voedenoanmessen
met te grote schoenen gaandie schoenen slokken
mijn achterwerk doet pijnme gat toe seer
mijn boek is uitgelezenkè minnen boek uit
mijn kaak zwelt al mindermin koak is al ont 't ontzinken
mijn linkerkaak doet wat pijnmin linkerkoak is wa vurroard
mijn neus is verbrand door de zonminnen tsjoep is verbrand
mijn oog is ontstokenkèn een pinkoog
mijn spuitwater borrelt niet meerde fuut is er uit
mijn voeten tintelenmin voeten singelen, min voeten zin voûs
mijn vrouw (= al lachend) min koeketien
min of meeralvelings
mis die om tien uur plaats heeftde tienurenmis
misnoegd zijnzèn lep loaten angen
moeilijk, geduldig werkfrutselweirk
moelijk sprekenne puit in de keel ein
moogt gij dat wel doen? / mogen wij dat wel doen?meugde gè da waal doen? / meugen wè da waal doen?
na elkaarno (a) r makoar
naar de andere kant opkijkenvan de weirk kijken
naar iets kijken met half dichtgeknepen ogennor iet spieren, nor iet lonken
naar wat sta jij te kijken?wat zijde gè dor ont koekeloeren
nat op tijdzjuust in tits
natuurlijk heeft hij gelijkè éé faneigens gelijk
natuurlijk mag datda mag vaneigens
nee (n) ikneek
neen (n) gijneech
neiging tot zeureneen zoag spannen
nergens te zien zijnmè geen ogen te zien
net op tijdzjuust in tits
niet contant betalenop de poef kopen (poefen, 't is ne poefer)
niet goed wijs zijnvan Lotje getikt zin; die mankeer diets; die is nie geellummoal juust
niet kunnen ophouden met pratenzèn toot blijve roeren
niet kunnen slapengeen oog kunnen dichtdoen
niet lang op zelfde plaats of stil kunnen zittengee zittend gat ein
niet ophouden met aan iemand vragen te stelleniemand 't ei uit zè gat vroagen
niet rustig kunnen blijven zittenmurezeékers in zèn broek ein
niet te gelovenamai mijne frak
niet vast op zijn benen staanstô swengselen
niet vlug met iets akkoord zijn (eigenzinnig zijn, tegenwerken) dwjeis zin
niet zo lang geledenoverlest
nietsrjein de knots
niets meerniet nie meer
nieuwe lakens op het bed leggen't bedde verschonen
nooit meernoût nie meér
nu ben ik heel kwaadnô ben ik vree koat
nu ben ik je niets meer schuldig, alles is betaaldnô stommen (zimmen) effen
nu gaan wij slapen (= tegen kleine kinderen) nô gommun doddoo kindjes doen
nu heb ik een probleemnô bennik in den oap gelozjeerd
nu hebben ze mij pijn gedaannô èn zin min roapen gescheten
nu is het genoeg geweestnô èd op minnen teen getrapt
nu is het uw beurtnô ist on ô
nutteloze, overbodige uitgaven doenda zé kosten op ' t steirf uis
och armeoch eirme, och got
om de 2 (3 /4/ ....) wekenalle 2 (3 /4 / .......) weken
om de praat van de mensen te vermijdenveur 't oog (de proat) van de mengsen
om de twee dagen...overanderen dag....
om zijn bezorgdheid te uiten zegt men dikwijls:....mor mengs toch
onbeleefd en ruw tegen iemand pratenzoe klinket zoe botset
onder elkaar smijtenondereen kletsen
onder elkaar uitgietenondereen zjakken
ongehuwde vrouween jonge dochter
ongeveer; het is af te wachtennovunnant
ongevraagd iemand iets verkopeniemand iets oansmjeiren, opsolferren
onkruid verwijderen in de tuin't vuil weg doen in den of
onrustig rondlopenlopen gullèk e kieken da 'd een ei moet goa leigen
onverwachts iets zeggen zonder na te denkener iets uitlappen
onze dochter dient, als meid, bij groot volkons dochter dient bè rijke mengsen
Onze Lieve Vrouw kerkde nieve keirk
op blote voetenberrevoets
op de begrafenis droegen de vrouwen een sluierop de begroafenis droegen de vraan ne vool
op de grond slapenpaljas sloapen
op de rekening van...op de kosten vanop de kap van
op die man kan je niet vertrouwendas ne lekkurren
op dinsdagtistags; den distag
op donderdagtongdertags, den dondergdag
op een lepe maniier iemand ondervragen om achter de waarheid te komenlutsen
op een nogal brutale manier iemand op zijn plaats zetten (terecht wijzen) wa denkte (peizde) gè waal?; gè è ne slag van de meulen gekrege zeker?; zoe gotte vlieger nie op zulle; zidde gè op ô kop gevallen
op een onbeleefde, onbeschofte manier iets zeggenzoe klink êt zoe bots êt
op gang zijnop den trot zijn
op iets rekenenzèn bonen op iets te week leigen
op maandagsmondags; de mongdag
op tijd komenin tits zin
op vrijdagtvrijdags de vrijdag
op woensdagtswoenstags de woengstag
op zaterdagtsoaterdags de zoaterdag
op zijn honger blijven zittenop zèn sjiek bijten
op zondagtsongdags; de zongdag
opeens, plotselingop ne slag en ne keer
open krabben (wonde) open pietsen
openbare verkoopvandiessie
oppassen hégardevoo zulle
opscheppen over zichzelfeigen bof stinkt
oude, moeilijk doende vrouween aa tang
overal maakt hij schuldenè plakt overal
per ongeluk iets zeggen wat men niet wouzich verklappen
per vergissing een pull met de binnenkant langs buiten dragennen trui binneste buiten oan ein
per vergissing een pull met de voorzijde op de rug aanhebbennen trui achterste veuren oan ein
pezen in nek die naar de hersenen gaantfas
pijn voorwendenkaroten trekken
plots was hij wegè roef è was de piest in
prietpraatzever in pakskes
redelijk snel wandelenkeffen
roep der hen die een ei legtkot kot kotkedei
roer eens in de soeplutst ies in de soep
ruw behandelener mè de grovven bustel deurgoan
ruzie in het huwelijkder is bild mor gene klank
ruzie zoekenstoken
schrik hebbenbenaat zin, mette poepers zitten
schrikken voor ietsverschietachtig zijn
Sint Niklaas kerkdaa keirk
slaan (vechten) kletsen geven
slijm loshoestenrochelen
slordig drinkenzabberen
sluit het raam eensdoette vengster ies vast (dicht)
smakelijk, hard lacheneen oûg uitlachen
smalle heupensmal leeken
snel huwelijk door zwangerschap't was van te moeten
soort van streling met de hand onder de kin van een kind't kinnekken maalken, maalksen loaten drinken
speelkaarten in de hand schikkende korten steken
spek met vet doorregengeregeld spek
stap het maar afgô mor nor uis, ô moeder é viskus gebakken
stil glimlachengremelen
stil zijn (tegen hond) ou do koes
stoer doenden aalt uitangen
stoor ik niet?is er geen bullèt
stop met dat spuwen op straatstop mé da gespuchel op stroat
stop met de vloer vuil maken met je schoenenstop met da gedester
strafbaar voor de wetas ge da durft doen zidde strafboar
suikerbonen bij geboorte't kinnekkun é kinnekkussuiker gekakt
sullige vrouwtreezebees
te leur gesteld zijn in iemand'k è me oan èm mispakt
te voorschijn komen; iets vinden; de waarheid kennen't is uitgekommen
tegen een egoist ...zegt men:Alexander, alles vur mè mor niets vur een ander
tegen iemand die gehaast is zegt menwor ist nô koers?
tegen iemand die graag opschept over iets dat hij bezit... zegt men:ne reéke mengs is oardug
tegen iemand die net zegt wat jezelf wou vertellen zegt men:gè pakt de worden uit minnen mongd
tel maar alles samen optaal mor alles toûp
ten tweede (ten derde, ten vierde...enz) tweedus (derdus, vierdus...enz.)
tot niets in staat zijnei kan nog gene puit berechten
tot zienstot nog ies
traag zijnnie fan de rapste zin
trek er maar eens goed aansnokt er mor ies goed oan
tussen de vingers wrijvenfriebelen
uit de fles drinkentoeteren
uitbundig lachengiederen
uitroep als er iets valtoepla, oeplala
uitroep als men bij het kienspel er vier op een rij heeftpakt èm
uitvallende miststofnat
uw broek komt tot op de grondô broek slipt
uw gulp staat openô spriet sto 'd open
uw pet staat scheef op je hoofdô klak stod op halfzeven
vaart makenbuzze geven
van gedacht of partij veranderenkazakkendrjaar
van haarvan eur
van heel de nacht niet geslapen hebbenvan geel de nacht geen oog dicht gedoan ein
van hier naar gindervan ot nor jeir
van iemand die naakt staat...ge zè precies een paddere mus
van wie is dat huis?wies uis is da?
van wie is die auto?wiezen otto is da?
van wie is het?de ('t) wies is da, de wiezen is da?
vanaf de herfst wordt het elke dag iets vroeger donkerin 't noajoar beginnen de doagen te kurten
vanaf de lente blijft het iedere dag iets langer lichtvanaf 't veurjoar lengen de doagen
vast zittengeprangd zitten
veel commotie (kabaal) zonder redeneen scheet in een fles
veel dingen en mensen dragen dezelfde naamder is meer dan één koe die Bloar eet
veel drinkenlampetten
veel geduld hebbenveel pasiëngsie ein
veel geld nodig hebbenveel gaalt vandoen ein
veel genegenheid krijgenvan oantrok zin
veel kunnen verdragen'nen bree rug ein
veel te veelvul te veel
veel verdervele weir
veel werk (last) hebbenveel ô zèn oren ein
venijnige vrouw (= scheldwoord) vuil aa ros
verdergaanvoûrs goan
verkeerd delen bij het kaartspelmisdelen
verleden jaarverlee joar
verleden weekverlee (passeede) week
verre familie zijnfamilie zin van tseévuste knoopsgat
verstoppertje spelen van kinderenpiepkenduik spelen
vieze vrouween slons
vluchtig iets lezenrap iets overlezen
vlug stappenpikkelen
vlug ziek wordenweék zin
vlug zijn met allesdur nie op schoven
voor een korte wijl ergens haastig of al lopende binnenkomen'k bèn ies noargeloapen
voor u hetzelfde gewenstvansgeleèken
voortaanten noste keer, in 't vervolg
voortvarend zijnmosselen roepen voeur da gon duizen zit
vooruit gaanavesseren
vroeg gaan slapenmè de kiekus gô sloapen
vroeg naar bed gaanmette kiekens gô sloapen
vrouw die graag en veel koffie drinktkaffieloet
vrouw of dochter die niet stil kan zittenzeéd e kwikkelgat
vuile, vieze, onverzorgde mensdie is mè geen tang vast te pakken
waar is de tafelonderzetter voor de soepketel?waar ist barukkun?
waar ligt mijn tabakwor lig mè smoorgerief
waar loop je nu naar toe?wor ist nô koers
waarom staat gij daar te twijfelen?woarom stodde dor te duppen?
waken, half en half slapensloapen gullèk de muizen in 't meel
wanneer de draad waarmee iets genaaid is losgaat't is uit de noad
wanordelijke plaatsannukkusnest
ware het niet dat wij....ast nie was da munnen....
wat ben je nu in elkaar aan het prutsen?wa zidde gé dôr on 't fotteren
wat denk jij wel? (verwijtend) oe èddô as gô goed ét; zoe gotte vlieger nie op zulle
wat denken die wel!wa peizen die waal, nie mè tundezen zulle
wat doe je nu?watoedenoa?
wat een dwaze manwa ne mutten
wat een koppig manwa nun bok va ne vent
wat een lamijnige praterwa ne labbekakker
wat een lelijke menswa e scharminkel
wat een prusterwa ne knosseljeir
wat een prutsterwa een knosselas
wat een slecht geknipt haarwa ne rattekop
wat een verwend kindwa ne bedorve stront
wat een vette manwa ne papzak
wat een warboelwa ne muizennest
wat gaan wij eten?pap mè pikalonen è koekebakken mè pek (= antwoord... al schersend)
wat gebeurt er nu?was me da nô?
wat heb je me daar?kust nô minnen frak
wat heb je me daar? wat gebeurt daar zeg?amai minne frak; kust nô min kloûten
wat heb je nu gedaan?wa edde nô weer uitgestoken (mispeuterd)
wat hebben ze gezegd?wa (d) en ze gezeet?
wat is die daar weer zo luid aan het vertellen?wa stô tie dor weer van zè gat te moaken
wat is het nu weer?oezittadier eigelijk?
wat ruik ik?wariekkekik
wat scheelt er nu?wast (west) nô?
wat zegt hij?wa seet ei?
wat zegt zij?wa seesse?
wat zei je?wazeidde gij?
water in de emmer hard uitgietenzjakken
we zijn er nog lang nietwe zimmen nog nie on de nief petetjes
weinig kracht hebben (krachteloos) macht ein gullèk ne puit
wel dat is straf!kust nô min voeten (kloûten)
welke wil je hebben?de waalkste wuldein?
werk nu doorgodder nog on beginnen of oe zit da 'd ier
wie niets heeft kan niets gevenge kun ne kei 't vaal nie afstroapen
wij eten spruitenwè ete spruiten wordan ô oûren van tuiten
wij gaan een kortere weg nemenwe pakken den binneweg
wij gaan verder (= vertrekken) we gô voôrs (voôrt)
wij gaan...wulder gon...
wij hebben geen kelder maar wel een afgesloten ruimte (met deur) onder de trapwè èn e spenderken
wij zijn de naaste familie die hij heeftwe zin de noste familie die è eet
wij zullen er eens een lap op gevenwe gon buzze geven
wil je daar eens op passenwulde da ies gwasloagen
wormstekige appel of peerder zit een mjaasteek in
zacht en bijna onhoorbaar hoestenkummen
zacht en strelend met een wang tegen elkaars gezicht wrijveneen eike geven
zacht, binnemonds pratenfezelen
zachtjes zuigenzabberen
ze hebben alles opgegeten, er blijft niets overzèn alles in older boal geslogen; zèn older ljeizen vol
ze hebben hem liggenei eent ô zenne schreper
ze hebben hem liggen (te pakken) zèn èm bé zènne schreper, ei eent ô zè zeel
ze hebben hem weer een toer gelaptzèn hèm weer een pee gestoofd
ze heeft haar beste klederen aan en zich gesminktzé dur opgetalloord è van 't doosken gebeesd
ze heeft haar maandregelsde Russen zin doar....de roo vlag stikt uit,
ze is gaan wandelen met haar vrijerzis gô wandelen mè euren bink (vreir
ze is goed gebouwdzis goe vurzien van oren è poten
ze is in blijde verwachtingzis é possiesie
ze is zwangerz'ee nen toer te lank op de meulen gezeten
Ze is zwangerZ'is azoe
ze klappen in de handenze kletsen in oldur pollen
ze komen goed overeen't is goe doan
ze kunnen elkaar niet lijdendas piek a piek
ze kunnen elkaar niet verdragendas pik a pik
ze kunnen naar de vaantjes lopen, ik ben het beuze kunne ninne zak opbloazen; ze kunnen de pot op
ze lachen en schertsen graag't zè speelvogels
ze liep naakt rondze liep in euren bloôten
ze lopen ergens heel rap naartoeze lopen de benen vanonder ulder gat
ze maken ruziedor zit een kat in dorlozjie; ze moaken ambras; zangen in de trapees
ze praten zeer stil tegen elkaar zodat anderen het niet kunnen verstaanze zin on 't fezelen
ze spannen samenze trekken ôn éé zeel
ze vechten om een kleinigheidze vechten om een onnozulleid
ze zijn getrouwd omdat ze zwanger was't was van te moeten
ze zijn met de teerlingen aan het spelenze zin ôn tritsen
ze zijn verbaasdze sto paf
zeer arm zijnzoe eirm zin as een luis
zeer bevreesd zjn om te sterven, zwaar ziek zijn't doo (ds) kerrukkun over zijne rug voele rijn
zeer ongeduldig zijnop hete kolen zitten
zeer slechte drankkattepis, pjeirdezeek
zeer veel moeite doen voor ietsde benen van onder zè lijf (gat) lopen
zeg eens tegen hem dat wij ook nog wegmoeten dan vertrekt hijprobeer dèm mor buiten te koteren
zelfs als het u niet aastaat, moet je je er maar bij neerleggenlegt dur ô kop mor veur as 't ô nie aostot
zet het raam open om te verluchtenzette venster open om te verlochten
zich bemoeien met iets- moeite doenachternoarloûpen
zich ergens zacht tegen stoten'k bèn dur tegenoan getist
zich ergeren aan ietsdoar kreék 't speen van
zich haastenbuzze geven
zich iets inbeeldeniets in zènne kop steken, manzjunnie ein
zich ongemerkt uit de voeten makener vanonder muizen
zich opsmukkenzich opboteren, zich optalloren
zich stil en ongemerkt verwijderener stullekes van onder muizen
zich verbergenzich versteken
zich verzetten (tegenwerken) tegenwjeiren, verwjeiren
zich, zogezegd ongewild maar toch met opzet, iets laten ontvallen't al kaks zeigen; al kaks zeétte zot zèn ménink
zie eenskikt ies; kikt ne keer
zie je dat niet?gè è kattestront in ô ogen zeker?
zij (hij) die bij een doop de echte meter (peter) niet isdas e pitjelap (ne peterlap)
zij is zwangerzis a zoê
zij verblijft in het gekkenhuisze zit in de Poapenakkers
zij zijn gelukkig en hebben niets tekortze zé mé older gat in de boter gevallen
zijdelings en ongemerkt iemand gadeslaanlonken
zijn been bloeddezèn been bloeide
zijn behoefte doenzè gevoeg (getès) doen
zijn benen hangen uit het bedè ang mè zèn tremen uit 't bedden
zijn beste kostuum aandoenzich opkleen (= opkleden)
zijn gelaatsuitdrukking veranderde nietè vertrok geen spier in zè wezen
zijn gezicht is rood van de zonzè wezen is verbrangd van de zon
zijn gulp staat openzènne spriet (zèn vogelmuit) stoddopen
zijn handtekening zttenzènne noam zetten
zijn maag is aan het opweroenzèn moag keert
zijn sokken uitdoenzèn zokken uitsloven
zijn werk goed doenzènne streng (zè plang) trekken
zin of geen zin je moet het doenkak of genen kak de pot op
zo perfect moet het nu ook wel niet zijn't stikt zo na nie
zo stijf zijn als een stokstokstijf zin
zonder ophoudenaltitoan, gedurig
zonder overleg of nadenken iets raden, antwoordener nor sloan gullek 'nen blenden nor een ei
zonder resultaat of oplossing bij verschillende personen voor een probleem aankloppenva Peer nôr Kljaas lopen
zot zijn doet geen pijnzot zin doe geé zeer
zotte praat verkopennun toer te lang op 't meulukkun blijven zitten ein (nun toer te veel meegedraaid ein)
zou hij nog wel komen vandaag?zuttij nog waal kommen vandoag?
zwarte ceremoniejas met slippietaljeir
zwemmersgeluid in het waterze pletsen in 't woater
zwijg nu maara dô smoel nô mor

2514 woorden

(be) spuwen (be) spuchelen
(n) ergens (n) ieverangst
(om) vallen (om) peiren, stuiken
(on) even (= van getal) (on) effen
(ver) bouwen (ver) baan
(ver) zenden (ver) zennen
(ver) zorgen (ver) zurgen
(weg) glijden (weg) schuiven
's avondssoaves
's middagssnoenus
's morgenssmeir (g) us

A

AalstOlst
aalt (=mest) bjeir
aaltputbjeirput
aaltputemmerbjeirloet
aambeien't speen
aanon, oan
aanbellenbalen
aandeel, deelport
aaneenô malkander, ô makoar
aaneenplakkenôneenkoeken
aaneenspeldenôneenspalen
aangedaan zijngerrokt zin
aangedamptoagedompt
aangezichttoot, wezen, fasade, bakkes
aanhangwagenremork
aanhoudenoanaan
aankledenoakleen
aankomstlijnmeet
aanmaakhout (kachel) stoofaat
aanrakentitsen
aanrechtpompbak
aansprekenoaschjeiren, oapielen
aanstekerbriké
aanvaardenonvjeiren
aapoap
aardappelkartoffel, petet (puttet), putttoater (petoater)
aardappelmesjepetetschaalder
aardappelpureegededderde (gestampte) petetten
aardbeijeirebees
aardbeveiliging (= van electriciteit) teir
aarde (grond) jeirde
aardigoardug
aarzelendubben, duppen, trutselen, treuzelen
accordeonarmonika; trekzak
achteraanvan achter (en)
achterkeukenpompuis
achternaachternoar
achteruitgaanachteruitboeren
achteruitrakenachteruitgeroaken
achttiendeachttienste
acnéjeugdbrand
ademoasum
ademenoasummen
adernjaar
aderontsteking (= in benen)fielebiet
advokaatavokoat
afbetalenafkurten
afbrandenafbrangen
afduwenafdoagen
afgeroomde melkflutsjesmaalk
aflikkenaflekken
afnemenafpakken
aframmelenafkletsen
afschroevenafvijzen
afsluitkurk van flesstopsel
afspiedenafkijken
afstandsbediening't kasken
afvegenafdoppen, afkuisen, afvoagen
afwachtenafzien
afwasschotels
agentsjampetter
ajuinanzjuun
alarmalleirm
AlbertAlbeir
alcoholalkol
allemaalamoal
allerleivanalles
almanakalmunnak
AloïsWies
alsas
altijdaltit, alt
altijd geweestalzjeleven
alweerwurral
amandelkoekjemakrong
AmerikaAmerikaa
andijvieandijf
anjerzjunnnoffel
antenneantèn
AntwerpenAntweirpen
antwoordantwort
anusollukkunnen
aplaudiserenplakken
apotheekapetekerij
apothekerapteker
appelboomappeljeir
appelmoes (appel) truut
appendixapandesiet
applaudisserenplakken
aprilaprul
armeirm
armbandbranzjelee
arme vrouwsloor
armoedejeiremoe
armoedigeirumtierig
ArthurTuur
asbakassenbak
augustusappelsoestappels
autootto
autobusbuus
automaatmuntjezjeton
automatischvantsaalf (s)
autopedtrotinet
autoscooterbotsauto's
avondoavet
avond, duisternisdonkeren

B

b.h.tettegareel, tettezak, soetjijn
baardboard
baasjebosken
babbelaarbabbeljeir
babbelentetteren, toateren
babbelzieke vrouwkommeer, babbelas, babbelgat, tettergat
babyplat kind
badenbjaan
bagagedrager (fiets) 't stoeleken
bakkebaardenfabries, fashjen
ballonballong
banaanbanan
bananenbanannen
bandbangd
bangbenaat, schoeft, schoa
bangerikschitgat; broekschijter
barakbrak
barstenbusten
barvoetsberrevoets
batterijbatterie; piel
bazig persoonsloor
bazinbozzin
beangstigendbenalijk
bedbeddun, tritsbak
bed in ziekenwagenbrankaar
bedanktbedangt
bedelaarbedeljeir, schoor
bedelenschoën
bedevaart (bedevaart doen) beeweg (beewegen)
bedplasserbeddezeker, beddepisser
bedriegenfoefelen
bedriegerfoefeljeir
bedrieger (in een spel) oarzak
beeldbild
beenbeschermers (voetbal) scheenlappen
beenhouwerbeenaar
beer (= aalputmest) bjeir
beer (= dier) bjeir
beerteil (= mestschoppot voor aalput) ) bjeirloet
beestjesbiestjes
beetjebitzjen, bittukken
begonbegost
begrijpenverstoan
behatettenzak, soetjein
behagenaanstaan
behang (en) bejang (en)
behangerslijmpap
behangselpapierbehangpapier
behulpzaamgedienstig
beidenalle twee
bejaardenhuistou man uis, taa peékes uis
bekendenkennissen
belbaal
beledigenafronteren
beledigingafront
belegbelegsel, toespijs
belegen kaastussenin
BelgBaalg
bellenbalen
Belsele (dorp) Baalseel
bemestenbjeiren
bemestenbemessen
bemoeienoantrekken
benauwdbenaat, schoeft
bendebengde
benedenbeneen
benentremen
benevelenbesprieten
bengelen, wiegelenbiezebijzen
benzinenaft
bepleisterenbeplaasteren
bergbeirg
bergafafberg
bergopopberg
berispenberipsen
berkbeirk
beroepsmilitairboefer
beroertegeroktheid, beslag, attak
besbees
beschaamdbeschomd
beschamendafrontelijk
besmettelijke ziekteploag
besmettenoazetten
bespiedenafletten, afloeren, in de goaten aan
bestellenbestalen
bestuurdersjofeur
betalen, geld geven (af) dokken
betamelijkgevoeglijk
betastenbepampelen
betweteralweter
betwistenafstrijn
beulingbullink
bevelbevaal
beven, rillendoaveren
bevoordelenbeveurdeligen
bevreesdschoa
bevriezenvervriezen
bevrorenbevrozen
bevuilenbeklodderen, bekletsen, plamosteren
bewaarschoolpapschool
bewakengwasloagen
bewegenkrawietelen
bezembessem, bessum
bezemstokbesse (u) msteel
bezerenverzeren
bezet zijnbelet zijn
bezigenbezen
bezoedelen, bevuilenbesmokkelen, bekeuzelen
bezopenpoepeloerezat
bezorgenbezurgen
biddenlezen
biedenbeen
biefstukbuufstuk
bierviltjebierkortsjen
bietbeét
bijbie
bij elkaarbijeen, bij makoar
bijbrengenbijbringen
bijeenbè makoar
bijeen rapen, oprapenopschjeiren
bijeenrapenbijeenschjeiren
bijkomstighedenfantelatieren
bijnabukkan, bukkangst, ost
bijna (ongeveer) doaromtrengt
bijziendbijzichtig
bijzonderbezonder
bilbul
biljartbiljaar
biljartenbieljaren
bindenbinnen
binnenplaatskoer
binnenste buitenoaveregs
blaadjeblatsjen
blaarblijn
blaarblein
blaasblaar
bladerenbloaren
blaffenbassen, keffen
blafferbasser (= hond)
blauwblaat
blauw oogblau sie
blijblee
bliksemhemellicht
blind (e) blengd (en)
blinddoekenblengddoeken
blinde vinkenvogels zonder kop
bloedenbloen, bloûn, bloeien
bloedworstbloepens
bloeienblommen
bloemblom
bloembolkliester
bloemkoolblomkoûl
bloemruikerblommukkee
blondblongd
blootvoetsberrevoets
bluffenbloskus moaken
blufferblaguir
bobbelboebel, oebel
bobijnbabijn
bodemboom
boedelboel
boekentascarnasjeer
boekjeboeksken
boerekopgepast
bofdikoor
boilerbulex
bondbongd
bontjaspaalse frak
boodschap (pen) kommisjie (s)
boodschappentaskabas
boomboûm
boomgaardboogort
boomknoestne wiër
boorboûr
boordsteenborduur
booskolleirig
bootboût
bordtalloor
bord (eet) platte talloor
bord (soep) diepe talloor
bordeelkabberdoesjken, oerekot
borreldruppel
borst (en) bust (en), tet (ten), mam (men), loes (zen), angzjeraniums
borstelbustel
borstenliefhebbertette zot
boterenbreén
boterhambotturram, boke
boterhambelegtoespijs
botsenknotsen
boulogneworstspie
boutbaat
bouwbaa
bouw (en) baa (n)
bouwenbaan
bovenarmspierenforsballen
braadkombrjakom
braadworstsossies
braakselspogsel
braambesbrombees
bradenbrjaan
brandbrangd
brandenbrangen
brandneteltingel
brandweermanpompier
breienbrijn
breinaaldpriem
breiwolswa
brengenbringen
brief (= aangetekend) rekommandee
briefjebriefken
briefomslaganvlop
brilbrul, fok
brillekokerbrullekas
broekritsspriet
bromfietsbrommer
bromvliegronker
broodbelegtoespijs
broodmesbroûmes
broodpuddingpottink
bros (haar) schor
brouwerbroar
brouwerijbroarij
bruine suikerpoeiesuiker
Brusselse kaasstinkkoas
brutaalfrank
brute manbotterik
buikpens
buikloopafgank
buikpijnbukpijn
builboebel; oebel
buitenjagenbuitenbustelen
buitenlander (Afrikaan) stjoek stjoek, makkak
bultoebel
bumperbaarsjok
bundelbussel
bureaumeubelpiepieter
bureelburo
burengeburen
buurman, buurvrouwgebuur

C

caféstamenee
camionkamjong
caoutchouckatsjoe
caramalkarremaal
caramelkerremaal
caravankaravang
carbonadekermennja
carbonpapierkalkeerpapier
CatharinaKato
centensengzen
centrale verwarmingsjofaas
CharlesSjarel
CharlotteLotsjen
chewing gumsjiek
chocoladesjoklat
chocolade figuurtjepostuurken
chocolade melksjokoomaalk
chocopastachoco
chroomkrommee
cichoreisuikerei
cinemacinemaa
circussierk
claxontoeter
clownkloo, kloogust
competentkapaabel
complimentcomplement
condoomkapoot
confituurzjullei
ConstantStan
corned beefkornètbuuf
cowboykoobja
cowboyfilmkoobjafielm
cuberdontoepeneus

D

daar, gindsdoar, dor, ginter
daarnanordien, dornoar
daarnetzjuust, dorstraks, dorzjuust
daarom, daarvoordoarveur
dadelijksebiet
dag (= bij afscheid) salu
dakgootkornis
dakvensterdakroam
damesfietsmeskesvielo
damesslipflok
dampendompen
dantè (n)
dans (en) dangs (en)
darm (en) deirm (en)
datda, dadde
dat hetdant
dat ikdak
dat isdas
dat van henook dat van aalder
dat van hentolder o: da van older
dat wijdammen
dat zijdasse; dasse zolder
dauwdaa
De kastaars komen samenDe moor drijft toop
deddereniets fijn stampen met uw vork
dekensorzjie
dekselscheel
dekzeilbasj
DendermondeDjeiremongde
denkenpeizen
dertiendeirtien
dertiendedeirtienste
dertigdeirtig
deugnietgaljaar, sloeber
deugnietje (kind) sloeberke
deukbluts
deurknopklink
deurstijlsjambrang
deurwaarderdeurwjeirder
dezedees, tees
dezelfdetsaalfde, dezaalfde
dezen avondvan den oavet
diameterdeurmeter
diarreéafgank, den dunnen, den dapperen, buikloop, schijterij, 't vliegend schijt
dichtbijtegenoan
dichthoudendichtaan
dichtingzjaan
dichtschroeventoevijzen
dierenartsveearts
dik (=mens) struis, papzak
dikkopjepuipadoel
dikoor (kinderziekte) oêrlap
dikwijlsdikkuls
dinsdagdistag
dinsdagtistag
dinsdagstistags
diplomadieplom
disteldestel
distelvinkdestelvink
dittees
dit hiert (d) ees
dobbelentritsen, tjeirlingen
dobbelsteentjeirlink
dobbelsteenbaktritsbak
dobbelsteenspeltritsen
doddelaarakkeljeir
dodedoûn
doelloos rondlopendrevelen
doelmankieper
dol, razenddul
dommerikbadden, dzjoeben, sul, dwoazen, slimmukken, ziebideus, wuiten, koven, troeten, stommerik, lomperik
dompelendoppen
donderdonder
donderdagdongderdag
donkerpotdonker; pikkendonker
donshaarpaüzewol
dooddoût
doodskistdoûkist
doodsprentje (gedachtenisprentje) doûbeeleken
doopmeterpit
dooppeterpeter (en)
doordeur
doorduwendeurdoagen
doorgaandeurgoan
doorgietschotelstramijn
dooslagpapierkalkeerpapier
dorpdurp
dorpeldurpel
dorsendussen
dorstdust
douwdaa
dovenetelmaalktingel
draaiendrjaan
draaierigdraaiachtig
draaitolnon
draaizeefpasfiet
drek, vuikigheiddrets
drempeldurpel
drentelen (op straat bv.) rongddwalen
driedrei
drinkbuspul
drinkenzabberen
drinkglaskapper
drinkkomtas
drinkrietjestrooke
droge paardeworstspie
drogenuitdrogen
dronkaardzatlap, zeup
droomdroûm
druipendruppen
druipneussnottebaal, drupneus, snotkjeis
drukkend warmdoef
drukknopprusjong
dubbeldobbel
duimspijkerpunijs
Duitsduts
DuitslandDutslangd
duivelduvel
duiventilduivenkot
duizendduzend
dunne benenstekkebenen
duurkostelijk
duw (en) doag (en)
dwaaskloefkapper
dwarsliggerdwjeizen
dwarsligger (= op treinsporen) biel
dweildwaal
dweilendwalen
dwergdweirg
éclairsjoeken

E

eczeemeczema
Edmond, RaymondMong
een ijsjee pieleke koud
een tas koffieeen zjat kaffie
eensies
eersteest
eetkameritplots
eetpauzeschof
egelstekelveirken
ei (uit kindermond) tiekenei
ei van jonge kippoelie eiken
eiereneiren
eigenzinnigdwjijs
eikeek
eindeengde
eindelijkengdelingen
eksterokster
elastiekjelastieksken, rekkurken
electriciteitulluntriek
elfaalf
elfdeaalfste
elixirullukzier
elkaalk
elkaarmakoar
elkandermakoar
elleboogalenboog
ElverseleAalverseel
EmielMiel
EmmanuelMoan
emmereemer
EngelandIngelangd
EngelsIngels
enigeenigte
enkel (s) inkel (s), knoesel (s)
epilepsievallende ziekte
erdur
er achterdor achter
er binnendor binnen
er bovendor boven
er buitendor buiten
er doordor deur
er indor in
er naastdor neffust
er onderdor onder
er opdor op
er overdor over
er tegendor tegen
er voordor veur
erfenisdeelink
ergeirg
Erg overgevenSpoagen gelijk ne reiger
ergensieveran (g) st
ernstigernstug; serieus
ervandoor, foetsieribbedebie
erven (nalatenschap) diêlen
erwtert
erwten en wortelenertjes en wurtelen
etenbikken, knoepen, fretten, smjeiren, binnenspelen
etenstijdschofteét

F

familienaamachternoam
favorietfavriet
fazantfezant
felfaal
fierféer
fietsvielo
fietsbagageriemsnaalbinder
fietsbandventielsupap
fietsenherstellervielomoaker
fietservieloman
fietspadvieloboan
fietspedaaltrapper
fietspompvielopomp
fietsreflectorkat-oog
fietsremfrein
fietsspaakriong
fietsvelgzjant
fietszadelsul
Fietszadelsull
fijne regenzever
fijnhakkenfijnkappen
filmfielm
flauwflaa, seutachtig
flauwflaa
flauwe praatzever
flauwekultreut
flessenhalsteut
flessenopeneraftrekker
flikkerenpinken
FlorimondFlor
fluimrochel
fluimflijm
fluimenrochelen
fluisteraarfezeljeir
fluisterenfezelen
fluitenschuffelen
fluitjeflutsjen
fluitjesbierflutsjesbier
fluitjesmelkflutsjesmaalk
fluitketelmoûr
fluweelfloer
fluwijnflawijn
fopspeentuter
fornuisforneis
fortuinfortuun
fotofotto, portret
foutfaat
France (i) scaSiska
FrançoisSoû
FrankrijkFrankrik
frikkadellenkoekfricandon
fritselenfrutselen
frontfrongt
fuchsiabaalekesplant

G

ga je?godde?
gaafgjeif
gaangoan (ik gô, gè got, wé gon, golder got, zolder gon)
gaarzocht
gaatjegotsjen
gadeslaangjasloagen
ganggank
gansgangs
garagehoudergarazjiest
garnaalgjeirenoart
gasgaas
gasfornuisgazevuur
gauwgaa, rap
gazonbliêk
gebakjepateeken
gebarstengebusten
gebitvalse tanden, eetkommer
geblafgebas
geboortegeborte
gebrekmankement
gebruikenbezen
gebruiktgebrukt
gebruind (= van zon) gebrund
gedeeltedeel
gedranggedrum
geduldpasjiëngsie
geelgjaal
geen enkelegenen enen, geen een
geenszinsnee nee, belange nie
geeuwachtiggoapachtig
geeuwengoapen
gegetengeten
gegundgejond
gehaastgepresseerd
gehakt vleesgekapt
gehaktbalboulet
geheelgeélemoal
geheimgjeim
gekzot, maf, troeten
gekkenhuiszothuis, mafkeet
geklopgedoef
gelaat (aangezicht) wezen, toot, smoel, bakkes, muil
geldgaalt, sengzen, kluiten
geleden (= vroeger) (ge) leen
gelijklek
geloofgeloûf
geluidshoorntoeter
gelukmeegank, sjangs
geluk hebbenboffen
gelukkigglukkig
gelukzaksjansaar
gemakkelijksimpel
gepeinsgepeis
geperste kopgepast
GerardZjeraar
gereedschapgetuig
geribdgerebd, gerebbeld
geriefgrief
gerimpeldvurrompeld
geroffelgeroefel
gerstgjeist
geruitkarroo
geruit hemdkarroo èm
gerustgrust
gescheidengescheen
gesnedengesneen
gespgeps
gespannen, rusteloos, onrustigongedurig
gestaltepostuur
gestelgestaal
gevangenisbak
gevelfasade
gevoelloosvoos
geweergewjeir
geweldgewaalt
geweldig goednijg goed
gewoontegewengte
gewoonwegeffenaf
gezelschapkompanie
gezichtbakkus, toot, wezen, smoel, fasade, kwijk;, smiekel
gezondgezongd
gezwelgezwaal
gindsginter (t), doar
gipsverbandploster
gispgips
gistgjeist
glaasjeglosken
gladglattig, gellattig, glibberachtig, sledderachtig
glansblink
glanzenblinken
glas bierpintjen
glensterglinster
glijbaanritser
glijdenritsen
glinsterenpinken, schitteren
glurenloeren, spieren
goedegoeie
goederentreinmarsjangdies
goedkoopgoeiekoôp, prijselijk
goeiedagdjeur, djuir
goestinggoestink
goochelaarschamatuir, zjongleur
goochelenschamateren, zjongleren
gooienroûn, smijten, ruun
gootsteenpompbak
gordelrooszonaa
gordijndraprie
gorgelengurgelen
goudgaat
graaggjeiren
graaiengrjaan
grabbelenschjeiren
graszodezoû
gratisvurniet
grauwgraat
grensgrengs
griffelgreffel
grijs broodmasteluinen brood
groeiengroûn
groene koolsavoû
groenselhoflochtink
groentengroensel
groentenmarktgroenselmarkt
groentensoepgroenselsoep
groententuingroenselhof
groentewinkelgroenselwinkel
grofheidgrovigheid
grollenknurren
grommelengrjeiven
grondgrongd
grootgroût
groothandelaargrossiest
grootlicht (auto) faar
grootmoederpit
grote lettersblokletters
grote lichten van autofaren
grote toeloopbegankenis
grote trommeldjoembal
gulpvogelmuit, spriet
gulzige eterfretter, slokkop, schrokker, boefer, schrokkop
gummi snoepjeszjuzjubkes
gunnenjonnen
GustaafStaf
gymnastiekzjumenas
gympantoffelsturnsloefen, turnsletsen

H

haagwjeir
haakpenkrosjèt
haantiekenoan
haaroar
haar (= golvend) bekken
haarblesfroefroe
haarkapperkwafuir
haarkapsterkwafeus
haarscheidingschee
haartjeorken
haastenspoeien, osten
haastigostug
hageloagel
hagelstenenoagelballen
hakenkrosjutteren
hakkelendoddurren, doddullen
halfeen (halftwee..enz) halvereen, halvertwee (enz.)
halfwegalvurwegen
halssnoerkoljee
halve garedjoeben
hamerommer
HammeAm
handangd, feem, pol
handdoekangtoek
handelaarmarsjang
handschoenenwanten
handvatoër
handvegerangdvoager
hangborstenafangers
hardert, nijg
hard, onbeleefd, ruw, bot
harder (= van geluid) erter
haringjeirink
haring op azijnpekeljerink
harkrijf
hartert
hartziekteertziekte
havendok
havenarbeiderdokweirker
hebbenijn
hebben (ik heb, gij hebt, zij hebben, wij hebben, jullie hebbenein / kèn;/ gèt / zèn, zu (o) lder ein / wemmen/ gu (o) lder èt
hekekken
hekstoûverreks
hel, (de hel) aal, (daal)
heldaald
helderaalder, kljeir
helemaalgeéluggangs, geélummoal
helemaal nietbelange nie
helemaal volboemvol, stampvol
hemdèm
hemd (gerui) karroo èm
hemdslipslep, voan
Hendrik, Frederik, Rik
herenfietsmansvielo
hersenenèrsus
herstellenrepareren
hertenboererte zot
hespeps
het eten, de fret, de knoep
hetzelfdetzaalfde, tsaalfste, vansgelijken
hikuk
hinkelspelenkelen
hinkenmanken
hitteeétte, wermte
hoe gaat het?oe ist? of : oe eddo?
hoedtits
hoektandboktand
hoeveel?oeveul?
hoge hakkenoûg ielen
hokkot
hommelbombie
hondongd
hond (=klein) pruimelekker
hond (groot) loebas
hondekotongdurrèn
hondenkooiren
honderdongderd
honingeunink
hoofdbovenkamer, kop
hoofdkussenkopkussen
hoofdpijnkoppijn
hoogoûg
horlogeorlogie
houdenaan
houtaat
houtwormmulm, molm
huidvaal
huidblaaswuffel
huidverhardingweer
huisuis
huishoudenuissaan
hunulder, older
hun (=bezit) van ulder,
huwelijktraa
huwelijksaankondigingfeir paar
huwelijksfeesttraafeest
huwelijksgevolgswiet
huwentraan

I

identiteitskaartpas
iedereenalleman
ietsiet
ijshoorntjetoep
ijsje, ijsroompielukke kaat, krimglas
ijskreempilleke koud
ijsroomlekstokalaska
ikpoep
ikikke
Ik ben heel moe't schoap is de preut af
ik dachtik docht
ik heb ervankèn 't zitten
ik zegkzijg
inademeninoasummen
inbeeldenmangzjunneren
inbeeldingmanzjunnie
inderdaadvaneigens
ineensin enen keer
ineenstortenineenstuiken
injectiepiekuur
inktingt
inpalmenbinnenrijven
inschenkeninschinken
insgelijksvansgelijken
inslikkenbinneslikken
insmeren, inwrijvenismjeiren
interessantingtrussangt
invreten (roest) infretten
ItaliëItolje italjons

J

jajoa
jaarmarktjoarmart, jormart
jaloerszjaloes
jasfrak
jasmijnbloemzjozemien
jeneverwitteke
jeuk (sel) oeksel of joeksel
jeukenoeken
jodiumtinctuurtentuurdjot
jongjonk
jongensjongus
JozefSjef
JozefinaFien
juffrouwjuffra
juistzjuust
julliegolder, gulder
Jullie (verwijzend naar een voorwerp toe) Ulder
juteamblozjie
jute zakboal

K

kaakkoak
kaalplets
kaalkopkletskop, pletskop
kaarskjeis
kaartkort
kaaskoas
kaasjekosken
kaassnedeschaal koas
kaatsbalketsenbal
kaatsenketsen
kabaskaba
kabouterkabaater
kachelstoof
kadekwja
kalf (jong) mutten
kalkoenkallekoen
kalverenkalven
kameelkemel
kamerkommer
kamerjaspienwaar
kandelaarkandeljeir
kanskangs, okkoozjie
kantkangt
kantelenklikken, kwikkelen
kapelkapaal
karkeir
karnemelkbotermaalk
kasseikalsei, kinderkopken
kasseikleggerkalseileigger
kasserolkastrol
kastkas
kat (troetelnaam) poezemienukken
katapultmik
katerkoater
kauwenbijten, knabbelen
kauwgom (Ingelse) siek
keelgatkullegat
keerborstelvoager
kelderkaalder
kelkkaalk
kelnergarsong
kelnerinsèrveus
Kemzeke (dorp) Kemziek
kenniskennus
kerelkjeirel
kerkkeirk
kerkgangerpieljeirenbijter
kerkhofkeirkof
kerkoppasswies
kermiskerremès, foûr
kermissnoep van siroopbabbeljeir, babbelloet
kerskauzebees, kaus
kersenboomkauzeljeir
kersenpitkauzekerrul
kervelkeirvel
kettingkeétink
keukenhanddoekafdroger
keukenspoelbakpompbak, pompsteen
kienspel (bingo) kiemspaal
kierspleet
kietelenkriebelen
kijkkikt
kikkerpuit
kikkerdrilpuitendrek, puitegurrèk
kikkervisjeoekedoeleken
kikvorseierenpuitendrek
kilkullug
kilometertellerkilometriek
kindkingd, kinneken
kind, klein dik ventjebosken
kinderkledingstukbarbateus
kinderkoets (= baby) vwatuur
kinderkoets (= kleuter) stekerken
kinkhoestkiekhoest
kioskkios
kip (jonge) poelie
kip (pen) kieken (s)
kittelenkriebelen
klaarkljeir
klamklammig
klantkalangt
klauterenkleffen, klefferen
klauw (en) klaa (n)
klaverkloaver
klaverboer (kaartspel) klaverenzot
kledenkleen
klederenkleren
kleefpleisterspannendrja, sparrendrja, plakkerken
kleipotjeirde
klein (= van gestalte) dodden
klein beeldjepostuurken
klein drinkglaskapper
kleinerklender
kleingeldinkelgaalt, nikkel
klepelklippel
kleurpotlodenkleurkes
kleuterschoolpapschool
klevenplakken
kleverigplakkenboard
klimopklummop
klinknagelruvvèt
klokjewouter
klompkloef, blok
klompenblokken
klompen (=met riempje) tonen
klompenmakerblokmoaker, kloefkapper
klompenmakerblokmoaker
klontjessuikerbroûsuiker
kloosterzuster (aanspreken als...) masuir
klopstamp, klets
klotensjokkedeizen, ballen, klokken, kloûten
kluiskoffrefoar
klussenfotteren
klusserfotterjeir
klutsenklotsen
knalpot (= auto) sjappummèngt
knauwenknoagen
knieschijfkniebol
knijpennijpen, pietsen
knikkermerrebol
kniptangniptang
knobbeloebel
knoeienprutsen, smossen
knoopknop
knoopsgatknopsgat
knorrenknurren
knuffelenflodderen
knuppelkluppel
knutselaarfotteljeir
knutselenfotteren
koekoei
koelkastijskas, frigo
kofferkoefer
koffiekaffie
koffiefilterkaffiebus
koffietaskaffiezjat
kokenzoûn
kokosnootokkernoot
koleirigkoljerig
kolenafval (= na opbranden) schrabielen, zendels
komenkommen
konfituurzjullei
konijnkornijn
konijnenstrontkonijnekeutel
koningkeunink
koning-inkeunin-gin
kooimuit
kookpotkastrol
koolkoûl
koolsintelschrabiel
koopwaarmarsjangdies
koorkoûr
koord (touw) koorde, zeel
koorstlipmakkuffie
koortskursen
kopenkoûpen
koppelingspedaal (= auto) ambriejaasj
koppigdwjeis
koppigaardkeikop, steenezel, nurk
korenkoûren
korfkurf
korporaalkopperoal
korsetkorseé
korstkust
kortkurt
korte sokjessesjons
kortingkurting
kou (d) kaa (t)
koude schotelkaa plaa
kouderkaar
kouskaas
kous (korte) sjusjongsken
KousenSjokkedijzen
kousenophouder (s) zjartaal
kousenskaases
kraagschabbernak
kraagkol
kraai (en) krwaa (n)
kraaien (van haan) koekeloeren
kraakpapierkladderpapier
kraamkliniekmoederuis
krab (=dier) krabbe
krabben (= bij jeuk) kraan, schjeiren, scharten, schrepen
krachtigforsig
kranskrangs
kras (sen) krets (en)
kreperenkruppeeren
kreukenverfrommelen
kriekenboomkriekeljeir
kriekpruimmarrebloar
krijsenkressen
krijtkruit
krimpenkrempen
krinkelenkronkelen
kromscheef
kroonkroûn
KruibekeKrubbeek
kruidnootkruinoot
kruimelkrummel
kruisbesstekelbees
kruiwagenkurrewoagen
krulkrol
krulhaarbèkkoar
krulijzer (= voor haar) bigoedie
krullenkroezen
krullenbolkrollenbol
kuikenkieksen
kuikentjetjiepken
kuipbassing
kuitkiet
kuitbeenschenen, scheenbeen
kunstenaarkunstenjeir
kurk (= van fles) stopsel
kurkentrekkeraftrekker
kusbees, maksken, totebees, toot, smak, mak
kussenovertrekflawijn
kwaadkoat; koljeirug
kwajongensnotneus, deugniet
kwajongensstrekendeugenieterij
kwakenkweiken
kwartuurkortuur
kwastbustel
kwijlenzeveren
kwispelflosj

L

laagleech
laarsljeis, bot
laatloat
laatst (e) lest (e)
lachen (= stil) gremelen
lachen (=zeer luid en scherp) schetteren
ladderleer
ladderzatpoepeloere zat, strongtzat
ladeschuif of loeaa
ladenljaan
lagerleéger
lakenloaken
lampekapjebloaker
lampfittingsokket
landlangd
landenlangden
landwegwegel
langlank
lange jaspardessu
lange zetelsjusslong
langslangst
langstelankste
langszijopzij
lanslangs
lantaarnlantjeiren
lastigambetant
lastig vallenambeteren
lastigaardbadden, nen ambetanten
laterloater
lauwlaa
lawaailawijt
lederleer
ledigleeg
lediggangerleegganger
leerjaarstudiejoar
leeuwleé
leeuwerikleéweirk
leggenlijgen, zetten
legplankschap, schabbe
legplankschap
leibandlis
leidenleen
lekfwiet
lekstokgattekletser
lellaal
lelijk iets, misbaksel
lende (= van lichaam) lee
lenigzwak
lenslengs
LeonieNieke
LeopoldPol, Polleman
lessenaarpupiter
letterkoekjesmokskes
leugenaarleugenjeir
leukplezierig, plezant
levendigvief
levendig (heid) vinnug, vierig (heid)
libelsavoëpjeird
licht (gewicht) lucht, locht
lichtjes bevuilenbekeuzelen
liedlieken
lieveheerbeestjelievevroubiestjen
liftassasuir
lijdenafzien, lijn
lijmkol
lijmenplakken
lijnmeet
lijstleest
likjelekssken
likkenlekken
lineaalregel, lat
linkslings
liplep
lis (lus) lets
lleuwerikleéweirk
lollylekstok, gattekletser
lomperikdwoazen, lorejas, boer
LondenLongden
longontstekingflurries
loodloût
loofloûf
lookloûk
loonloûn
looplampballadeus
lopenloûpen
losrakenlosgeroaken
losse grondmulle grongd
lostrekkenvaneentrekken
loven, prijzenbeboffen
luchtlocht
luchterluster
luchtpijpkillegat (keelgat)
LucienLusjein
luciferstekske
lucifersdoosjestekdoosken, stekkedoosken
luidenluin
luiderluir
luidsprekerooparluir
luierpiesdoek
luierikleegganger, lammen, tammen
luieriklamzak
luisterenlusteren
luitenantlutenant
lunchpakketschoofzak
lustgoestingk
lustenmeugen

M

maagmoag
maaienmjaan
maaltandboktand
maaltijdboef
maandagmongdag
maandagmondag
maarmor
maartmjeirt
machinemasjien
machtkracht
mademwaa
mag ik eens telefonerenmakies baalen
magneetplakijzer
makenmoaken
mandmangde
mannentoitletpiessien
mantelpaltoo
marbelmerrenboel
MarcelMarsaal
margarinemagrien
MariaMieken, Marja
marktmart
marmotsteense rat
mastpilong
masturberen (m) rukken, afspelen, pietje spelen, saalfservies
maten (bij kaartspel) gemotst
mechanismemikkaniek
medaillemadollie
medelijdenkompassie
medicijnmiddekammengt
meeêterszwarte puntjes
meenemenmeedoen, meepakken
meeuwmeé
meidmeisen
meikevermeulenjeir
meikever (= wit) mulder
meisjemesken
meisjesfietsmeskesvielo
melkboermaalkman
melkpappillepap
MelseleMaalseel
mengelenmangelen
mengelen (kaartspel) ondertrekken, ondersteken
mengelmoesmikmak
mengendeureendoen
mensmengs
merelmjeirlong
merkmeirk
messenslijperschjeiresliep
mestmes
mestaardebladgrond
mesthoopmessin (k) g
met
met twee, drie,, vier, vijf, zes, zevengetweeën, gedrieinn, gevieren, gevijven, gezessen, gezevenen
metaalmittoal
meteenin ene keer
metselaarmetser
metselenmetsen
meubilerenbemeubelen
mezelf, zichzelfmin eigen, zèn eigen
miauwenmiejaan
Micky MouseMieke Moes
middagnoen
miermurezeéker
mijdenmijn
mijnmé, min, minnen
miljardmiljaar
minstmingst
misverkeerd
misdienaarmisdiender
miskraammisval
mispelmupsel
mispelaarmupseljeir
misschien, somsamets
misselijkmottig
missenmankeren, schappeeren
mistsmoor
mistigsmoorachtig
moddermoor
modderachtigmoorachtig, dretsachtig
modderig, vuildretsig
modelmodaal
moedkorroazjie
moermoeier
mogelijkmeugelijk
mogenmeugen
molenmeulen
molenaarmeulenjeir, mulder
momentmomengt
mondmongd, oven
mondharmonicamondmuziekske
mondstuk van toeterflestoeter
mooisjiek, schoûn
mooierschoûnder
moordmoûrt
morgenmeiren
morsenmoûsen, smodderen
mortelmoortel
mosterdmostort
motmottevijver
motormottuir
motregenmuggepis, zever
mouw (en) maa (n)
mouwloze pulldèbardurken
muggezifterpezewever
muntjepiekerke
muskaatnootkruinoot
mutspoel; poelemuts; pots
mutualiteitziekekas

N

nanô, nor, noar
naadnoat
naaiennjaan
naaigarenswaa
naakt, blootpadderen, paddrekluts
naaldnolde
naarnor
naargelangnorvenangst
naargelangnorvunnant
naarstignjeistig
naastnèffust, névust
nabootsen; nadoenachternoardoen
nachtemmerpiespot
nachtkleedtabbort
nadatnordat
nadeligschwalijk
nadenkenpeizen
nadernoar
nadiennordien
naiefachterlijk
nalopenachternoarloûpen
namakennoarmoaken
namiddagsachternoens
nat (tig) nis
natmakenbezeveren
natuurlijkvaneigust, vaneigens
nauwnaa
navelnoagullenbuik
NederlandOlland
nee (n) zijnees
neefkozijn
negende, tiende, elfde, twaalfde, dertiende...enznegenste, tienste, aalfste, twaalfste, deirtientste... enz.
negenstenegeste
negentiennegutttien
negentiendenegetienste
negentigtneguttig
nergensnieverangst
nestelnestling
nestelennesten
neteltingel
netelachtigtingelachtig
neus (heel dikke neus) sjtoep, taaf, bataaf
neusspraysnuiverke
neusverkoudheidsneuvrink
nevensneffust
nietjeagrafken
nietjesmachineagrafeus
nietsniet, nietsken
niets meernimeer
nieuwnief, nuuf
nieuwigheidnuviggeit, nieviggeit
nieuwjaarnievejoar
NieuwkerkenNiekeirken
nieuwsnies, nuus
nieuwsgierigkurrieus
nieuwsgierigekurrieuzeneus
nochtanspurtang, pertang
nodig hebbenvandoen ein
nooitnoût
normaalnormoal
notenboomnoteljeir
nunoa

O

omdatdeurdat
omdat ik...omdak..., omdakkik..., omdannekkik
omgietenompeiren
omlaagomleeg
omslaanklikken, omklikken, omsloagen
omsmijtenomroûn
omstotenomveir ruun (omveir stampen)
omtrentontrent
omvallenomkwikkelen, omsloagen, ompeiren
omverwerpenomveirruun
omwisselenmangelen
onbeleefdaschrant, astrant, lombors
onbeleefde mensonbeleefderik
onbenullighedenfantelatieren
onbeschaamdeonbeschomderik
onbeschofteonbeschofterik
onbetrouwbaarslinks
onder de trapspender
onderaanvanongder (en)
onderhemdlifken
onderkleed met jartellenkommienezong me sjosjonkskes (van Frans : jointes)
onderlijfje (onder) lifken
onderscheid (verschil) verschul
ondertussentwse (i) ngst, swe (i) ngst, terwaal, sings, bingst
onderwijzerschoolmeester
onderwijzeresschooljuffra; schoolmastes
onderzoekongderzoek
ongediertefurnijn
ongerustongrust
ongesteldoardig
ongetrouwde manjonkman
ongetrouwde vrouwjonge dochter
ongeveerdorromtrent
onguur persoonfiloe
onmiddellijkdirect, noa
onmogelijkonmeugelijk
onnozelaarbadden, kwibuus, dwoazen, slimmukken
onnozelaar (als scheldnaam) kloefkapper, wuiten, annewuiten, kwistenbiebel
onnozele ventpalul
onnozele vrouwzotte bloar
onpasselijkongemakkelijk
onrustigongedurig
onrustig bewegen, rondkruipenkrawietelen
ons, onzeongs
onscherpfloe
ontbrekenmangkeren
ontdekkenachteroalen
onthoudenontaan
ontkennenafstrijn
ontkoppeling (= auto) ambrajaasj
ontkurkenaftrekken
ontlastingkak; strongt; baat
ontradenafrjaan
ontsnappenschappeeren
ontwarrenontwarrelen, uiteen krijgen
onwaarheidfoef
onwederonweer
onwettigonwettelijk
onzeongs
oogoûg
oogartsoogmeester
oogstoest
ooitvanzjeleven
ookoûk
ooroûr
oorbeloûrebaal
oorleloûrlaal
oorveegne furrul, vljaa
opbergenwegsteken
opbrandenopbrangen
opbrengstopbringst
opdoen (=ziekte) opschjeiren
opdringenopsolferen
opeensin enen keer, ineens
openduwenopendougen
openhartigrechtuit
opetenopknoepen
opgemaaktopgetalloord
opgooienopsmijten
ophoudenopaan
oplikkenoplekken
opnieuwoppèrnief, vurdrom, opnief
oprakenopgeroaken
opscheppenstoefen
opschepperblageur
opstaptrede (aan deur) durpel
opstropenopsloven
optellenoptalen
opvegenopvagen
opvliegersvapuirs
opwindenopwinnen
opwollenwollen
opzieneropziender
opzwellenopzwaalgen
orgelurgel
oudaat
ouderaar
oudere vrijgezelou jonkman
ouderjaarsavondnievejoars oavud
oudersaars
ouderwetsaawets
oudstrijderaastrijr
overgeefselspoagsel
overgevenspoagen
overgordijndrapprie
overmorgenovermeiren
overrijpmater
overschoengallosj
overschot, restje (= van drank) kletsken
overslaanoversloagen
overspittenoverspetten

P

paaienpjaan
paalpoal
paaltjepolken
paardpjeirt
paardenbloempisblom
paardenmolenpjeirdjesmeulen
paardenstaartpjeirdekodde
paardenstrontpjeirdevijg
paardenvliegdoas
paardenworstspie
paars (purper) moaf
padpadde
pafpoef
pain à la grecque (suikerkoek) pingelangerek
palingpoalink
paneermeelsjapulluur
panharingpanjeirink
pannekoekkoekenbak
pantoffel (s) sloef (en), slets (en)
papegaaipoapegjaa
parelpjeirel
parelmoerpjeilemoeren
parkpeirk
parkietperrusj
partport
pasmuntkleingeld, inkulgaalt
paspoortpas
pastoorpastoûr
paterpoater
PaulaPolaa
pauspaas
pauwpaa
pauze (= in cinema) èntrakt
pedaal (fiets) trapper
pedaalremmen (fiets) torpedo
peerpjeir
peinzenpeizen
pelpaal
pelspaals
penispiezewieter, fluit, zot, jongen eer, pistong, leuter, klepel, flosj, beste vriend, piezeloeter, sjarel
penspengs
peperkoekpompkoek
peperkoekpom (p) koek
pepermuntjepiekerken
pereboompjeireljeir
perforateurgotjesmasjien
perzikpaas
perzikboompazeljeir
pestentreiteren
petklak
peterseliepieterselie
petroleumpetrol
PhilomeniaFul
piepentsjiepen
PierrePeer
pijnzeer
pikdonkerpekkendonker
pikzwartpekzwart
pil (medicijn) ballukken
pilaarpieljeir
pilletjesballekes, pielekes
PinksterenSingsen, Sinksen
pissebedveirkesluis
pistepiest
pistolet met krentenbezekoek
pit (van vrucht) kerrul
plaasterenplosteren
plaatsplek, plots
plaats (=kamer) plots
plafondblafong
plagenjudassen
plakje (= vlees, kaas) schaal
plankenrekschap
plankenvloerplansjee
plantplangt
plantrekkerkarotentrekker, sjoefeljeir
plassenpissen, flossen, de patatjes afgieten, zeéken
platendraaierpiekup
platte voetenplakvoeten
pleister (muur) ploster
pleister (wonde) plakkerken, sparrendraa
pleistertje (= fietsband) ruustienneke
pleisterwerkbezetsel
plettendedderen
pleurusflurruus
plezantplezangt
plezierleut
plonsenpletsen
plooiploû
plooienploûn (hij ploût, zij (wij) ploûn, ik ploû)
plotsin enen keer
pluisje (= op kleding) poezeken
pocherstoefer
pochetjestoeferke
poederpoeier
poelierpoelenier
poesminnekepoes
poetsvrouwkusfraa, werkfraa
polijstenpolieren
politie (agent) pollies
polsenlutsen
polshorlogeroap
pookstoofoak
poortpoûrt
pootpikkel, poût
poppenkastpoesjunnale spaal
poreiparei
portefeuilleportefuul
portiepoosie
postbodefaktuir
postzegeltember
potgrondblomjeirde
praatproat
pralinepralien
pratenproaten, klappen, tetteren, uitlijgen
preciespursies
preekstoelprikstoel
preiparei
prentjebeélukken
prentje met doodsberichtdoo beélukken
prikkeldraadpinnekkusdroad
prooiproo
prostitueoer
pruikparuuk
pruimenboompruimeljeir
pruimtabaksjiek
prul, brolkamelot
prutsenknosselen, frutselen
prutserknosseljeir
puistpust, wurt
PuiveldePuivaalden
purpermoaf

R

raadroat
raakroak
raaroardig
rabarberzurestek, rubbarber
radengrjaan
rammelingkoterink, schodderink
randrangd
randjeboûrukken
raspraps, reps
ratelroteljeir
rauwroa
razernijdu (o) lleid
rebelrebaal
rechtsrègs
reeëlecht
reeksreésem
regelenarranzjeren
regen (buien) vloag (en)
regenachtigsmokkelachtig
regenjasregenfrak
regenwormpielewuiter
reine claude pruimruggloot
rem (men) frein (en)
rennerkoeruir
respectabel, echtserieus
restoverschot
reuma't sieatiek, rummaties
reutelenrotelen
ribreb (be)
richelrijchel
riemsèntuur
rietje (om te drinken) stroûken
rijroot
rijdenrijn
rijk zijnbinnen zijn
rijstrijs
rijstpaprispap
rimpel (en) rompel (en)
ringrink
rioolkannegoot
rioolputkonduit, moorputteken
rioolputjekonduit
ritstieret
RobertRobeir
rode bessenroû bezen
rode koolroû kool
rode wijnroû wijn
roepenlawijten
roffelenroefelen
rokenpaffen, smoren
rolluikpersièn
rolschaatsenrolschetsen
rolsprongkunstlabaa
rondrongd
ronde, malse koek met gaatjemastaal
rondlopenrongdkefferen
rondwandelenafdweilen
roodroûd
rooksmoor
rookwalmdomp
roomroûm
roombotergoeie boter
roosroûs
roos (= in haar) paalekes
rosharige mannen rosten
rosharige vrouween roste
rosserosten
rouw (en) raa (n)
roze (=kleur) roos
rozenroûzen
rubberkatsjoe
rugschof
ruienruiven
ruikengerieken, rieken
ruikerblommekee
ruilenmangelen
ruimteplek
ruisenreuzelen
ruiten (kaartspel) koeken (s)
ruitjespapierrutjespapier
rukkensnokken
rumoergeroezemoes
RuslandRuuslangd
ruzieambras

S

sacristijsacristijn
saffraansolfroan
saladene krop salja
salamanderokkertissie
salamisalmie
saloncanapésjuslong
samensoamen, tegoar
samenbindentoûpbinnen
samenzijnbè malkander (makoar) zin
samenzwerensoamespannen, kontelfoezen
sanseveriaplantvraatongen
sap (pig) zap (pig)
saussaas
schaarschjeir
schaats (en) schets (en)
schaatsbaanschetsboan
schadeschwa
schadelijkschwalijk
schaduwlommerte
schaftijdschof
schakelaarknop
schapuliermadollieke
scharenslijperschjeiresliep
scharrelenschjeiren
scheefschots, krom
scheelschjaal, loens
scheermesjezjielletzjen
scheerzeepschjeirzeép
scheidenschéén
ScheldeSchaalde
scheldenschennen, uitmoaken
schelpschaalp
schelvisscholvis
schemerschemel
schenden (geschonden) schennen (geschonnen)
scherenschjeiren
scherpscheirp
schijnheligeschijnneilegoart
schilschaal, paal
schilder (en) schulder (en)
schillenschalen, palen
schilmesjepetetschaalder
schimpenschampen
schitterenblinken
schoensmeerblink
schoenveternèstlink
schommelbijs
schommelenbeizen, biezabeizen
schommelpaardbeizepjeird
schooierschoor
schoolrapportbuuletijn
schoonschoûn
schoonmakenopkuisen
schoorsteenpijpscha
schop (zand) bot, schup
schoppenschuppen
schoppen (kaartspel) pijkens
schoppenaas (kaartspel) pijkenoas
schorsenerenschorsenelen
schortvûschoot
schortvusschoût
schouderschaar, schof
schouwschaa
schramschjeir
schrapenschrepen
schreeuwenschreen
schreienbleiten, schreen
schreierschreemuil, schreetoot, blijter
schrijfboekkajeé
schrijfboek (= met lijntjes) lintsjeskajee
schrijfboek (= met ruitjes) rutsjeskajee
schrikkenverschieten
schroefvijs
schroef met oogoogvijs
schroevendraaiertoernavies, tornavies
schrokkenfretten
schuddenklutsen, schodderen, schudderen
schuimkraag (= bier) kol
schuinscheef
schuivenritsen
schuldenpoef
schuppenscheppen
schuurborstelschrobber
schuwschoa
scrotumsjakos, zak, buzze
seffenssubbiet, seffust
seizoensezoen
seldersaalder
serpentserpengt
sierspeldbrosj
sigarettensiegretten
sigarettenpeukjesstoepkes
sijpelenzijpelen
sijsjesisken
Sinaai (dorp) Snja Snwaa
sinds, sedert, terwijlsings, vannas, stsings
Sint-NiklaasSinnekloas
Sint-NiklaassesSinnekloasses
Sint-PauwelsSinpals
SinterklaasKljaas
siroopsaroop
sjaalsjal, sjeirp
sjoemelenfoefelen
slasalwaa
slaankletsen, sloagen
slaan (=vechten) aftoefen, rammeling geven
slaapkamerslopkommer
slaapkleedtabbort
slaapwelsloppaal
slabbetjebavet, zeéverlapken
slagboombareel
slagerbeénaar
slakslek
slapenmaffen
slapheidslapte
sledeslee
slenteren (= traag wandelen) drevelen
slibberachtigsledderachtig, glattig
slijkmoor
slijkbord (fiets) moorschaalp
slijkerigsmodderachtig
slijpenwetten
slikkenzwaalgen
slimleep
slipslep
slipjaspieteljeir
sloffensletsen
slokzeup, zwaalg
slordige mansloddervos
sluitenvastdoen
slurpensloeberen
smakensmoaken
smeerkaassmjeirkoas
smeltensmaalten
smerensmjeiren
smeren (brood) breen
smerigsmjeirug
smijtenroûn
smoutbollensmatteballen
snedesnee
snede / snijdensnee / snijn
sneeuwsneé
snelsnaal
snelheids meterkilometriek
snijdensnijn
snoepensnoepurren
snoepjeballeken
snoepje (= rubberachtig) zjuzjupken
snormoestas
snottebelsnottebaal, snotkjeis
snotvallingsneuverink
snurkenronken
soepballetjes (= gehakt) ballekes
soeplepelpollepel
soepvleesboelie
sok (ken) zok (ken), kaas (ses)
soldaatsaldoat, piot, gamalenboefer
soldensoldes
sommigesommigste sommugte
somsamèts
soortsort
SophiaFie
soppendoppen
soutien gorge (= beha) soetjijn Georges
spaarpotsporpot
spadespwa
SpanjaardSpanjord
sparspeir
sparrenboomspeirenboom
spartelenkrawietelen
spatspetelink
spatbordmoorschaalp
spattenspeten, sprieten
spattenspetelingen
speculoosspikkullosie
speekselspuchsel, moederkeszalf (= bij kinderen)
speelbalketsenbal
speelgoedspulgoed
speelplaats (= school) koer
speelvogel (kind) spulvogel
spelspaal
speldspaal
speldekopspalekop
speler (voetbal, basket....) spulder
sperziebonenprinsèssen
spiegeleipjeirdenoog
spiekenzeuren
spierpees
spierballenforsbollen
spijkernoagel
spijtigeirg
spinspinnekop
spinenfvdfgdfgdfg
spinnewebspinnekoppenet
spitverschot
spittenspetten
splintersplenter
spoedenosten
sponsspongs
spookspoûk
spreeuwspree
sprekenklappen
sprenkelensprinkelen
springtouwdanskoërde
springveerrussoar
sproetensprieten
spuwenspuchelen
staakstoak
staan (ik sta, gij staat, wij staan, zij staan) stoan (ik ston, gè stot, wè stommen, zulder ston)
staartkodde, stjeirt
standstangd
standbeeldstangbult
stapelentassen
stationstoassie
stationsstraatstoazjiestroat
steedsal langs om meer
steenbakkerijgeloag
steenkoolsintelsschrabielen, zengdels
steiger (stellage) stalink
stekenpieken, prikken
stelstaal
stelenbunderen, schoepen
stelenpieken
steltenstaalten
stersteir
sterksteirk
stervencreperen, steirven
stickerafplakker
stiekem geld vd partner opzijleggenblauwen
stijfsel (kledij) stissel
stikdonkerstikkendonker
stikkenprikken, pikken
stilstul, stullekes
stil pratenfezelen
stilaanstullukkus oan
stille glimlachgremel
stoeferblaguir, jan min kloûten
stoepplansier
stomdronkenstrontzat
stoofvleesstoverij
stoomstoûm
stootstamp, stoût
stootkarsteekkeir
stopstopsel
stopcontactpriez
stopverfstokvijrf; mastiek
stortbuit'gietwoater
stortensturten
stotenstoûten
stotteraarakkeljeir
stotterenakkullen
stoutstaat, frank, astrant
stoutfrank
stout (erik) frank (oart)
straatstroat
straatstoepborduur
straksachetereen, strak
straksstrak
streepmeet, schreef
strelen, flemenflodderen
strengstring
streng (van breiwol) vrong
strijdenstrein
strikstrek
strostroût
strontstrongt, baat, kak, kakkedei (=bij kinderen)
stroomstroûm
stropdasplastrong
struikelenstrunkelen
stugsteeg
stuipensessen
stuipen (babyziekte) sessen
stukadoorbezetter, blafonnuir
stutbalkpoetraal
stylobiek
suikerbonenkinnekessuiker

T

taai (e) twja (an)
taaltoal
taarttoert
taart (=stukje) spie toert
tabaktoebak
tabakspruimsjiek
tachtigtagguttug
tafeltoffel
tafelkleedtoffelloaken
tafellaken (= van plastiek) twals (i) eree
tafelpoottoffelpikkel
tafeltennispingpong
talmenlullen, prullen
tamtèm
tandtangd
tandartstantiest
tanden (= bij kinderen) tandebieters, bieterkes
targetabloemenstinkerkes
tarweteirf
taszjat
teenslipperspillepoten
teerpek, tjeir
teerlingdobbeljeir, tjeirlink
tegeldal
tegelijkertijdterzaalvderteèd
tegentege
tegen elkaartegeneen
tegenhoudentegenaan
tegenspoedtegegank
tegenvallentegesloagen
tegenwoordigsurreworrig, sirreworrig
tegenzintegengoesting
teilbassing
telefoontullefong
teljoortalloor
telkensaalke keér
tellentalen
Temse (gemeente) Temst
terug, vurdrom, trug
teruggaanvurdrom goan
terwijltsichten, bingst, swengst, turwaal
testikels (teeltballen) ballen, eiren, sjokkedeizen, klokkespaal, kliesters, kloûten
tevredenkontengt
TheodoorDoor
TheofielFiel
thermosflespul
tijgertiger
timmermanschrinweirker
tintelensingelen
tjilpenstjiepen
tocht (=wind) trek; trok
toeduwenvastdougen
toentè (n)
toenemenoplopen
toiletpapierschitpapier
tom poesboeksken
tomaattommat
tongblad
toonbank (winkel, café...) toog
toptsjoep
touwkoorde, zeel
tovenaartoûvenjeir
trakterentrekteren
transportkarretje (= op 2 wielen) pierewiet
trapezetrapees
trapladdertrapleer
trapleuningtrapleuniink
trappenterten
trapruimtespender
treinoverwegbareel
trekkensnokken
trektangniptang
treuzelenpaleuteren
treuzelwerktreutelweirk
troontroûn
trouw (en) traa (n)
trouwfeesttraafeest
trouwkleedtraakleéd
tuberculosetjeirink
tuinden of
tuitteut
tunneltunaal
twaalftwalf
twaalfdetwaalfste
twijfelenduppen

U

uit fluweel gemaaktfloeren
uitbotten (bloemen) uitkommen
uiteen spattenopenspeten
uitgeput zijntenden zin
uitgietenuitpeiren, uitzjakken
uitglijdenuitschuiven
uitglijden, slippensle (i) dderen, uitschuiven
uitjouwenuitjaan
uitlikkenuitlekken
uitnemenuitpakken
uitrafelenuitvezelen
uitrokenuitsmoren
uitrustinggerief
uitschotkrapuul
uitschroevenuitvijzen
uitspoelenuitzwadderen
uitstalraamvitrien
uitstellenafzien
uitvegenuitvoagen
uitvindenuitvinnen
uitvluchtfoefken
uitwringenuitfringen
urinezeek, pis, zeik
urinerenziëken, pissen, flossen, plassen
urinoirpiessien
uurwerkorloozjie
uwô

V

vaak (=slaperig) voak
vaars (koe) mutten
vaartvoart
vaasfoas
vaasjef (v) osken
vaatdoekschotelvodde
vadervodder
vaginapruim, foef, zjozemien, muis, flamoes, preut, sporpot, mossel, mizjollukken
valsaardtweezak
valsspeleroarzak, sjoefeljeir
vanillecreme hoorntjeeirepijp
vanillehoorntjeeirepijp
vanzelfvantstaalf (s)
varenvjeiren
varkenveirken
varkensveirkes
varkensdarmveirkussnoar
varkensribbenveirkusrebbukkus
vastbindenvastbinnen
vastgerakenvastgroaken
vasthebbenvastijn
vasthoudenvastaan
vastpakkenvastschjeiren
vasttrappenoantrappen
vastzittengeprangd zitten
vechten, worstelenbustelen
veegborstelvoager
veelveul, nen oûp
veel drinkenzuipen
veertiendeveertienste
veertigtfeertig
vegenvoagen
veiligheidsspeldtoespaal
veilingveilink
veinzengeboaren
velvaal
veldvaald
veldslamuizenoorkens
velgvaalg, zjant
velovielo
velostuurgiedong
venijn (ig) furnijn (ug)
venstervengster
vensterluikblaffetuur
ventvengt
verveir
verbergenverbeirgen
verbiedenvurbeen
verbrandenverbrangen
verderveirder, voûrs, voûrder, voûrt
verdringendrummen
verdrinkenversmoûren, verzuipen
verdronkenversmoûrd, verzopen
verduisterenscheefsloagen
verduwenverdougen
verdwenenriebedebie
vereeltenverweren
verfveirf
vergaderingvergoarink
vergietstramein
vergifvergèf
vergrendelenvastmoaken
verhuizenvruizen
verkeerslicht (op rood) roe licht
verkerenoanaan
verkledenverkleen
verknoeienvermoösen
verkoudheidvallink
verlof, vakantiekonzjee
vermengenondereen doen
vermijdenvermijn
vermoeid zijnbek af zin
vermoordenkapotmoaken
vernederenaffronteren
vernielen, verwoesten (vur) runneweren
vernieuwenvernieven
veronderstellenveronderstalen; peizen
verrekijkerzjumaal
verrimpelenverrompelen
verroestberoest, broest
verschillen (ver) schullen
verschillend (e) tuffrengt (e)
verslechtenverslechteren
verslijten (van kleren) schiften
versnellingvietès
versnellingsapparaat (fiets) verzet
verspillenverspelen
verstveirst
verstandverstangd
verstandiggeleerd
versterkenverkloeken
verstikkenversmachten
verstopt (=van afvoer) verstropt
vertalenvertoalen
vertellenvertalen
vertellingvertalink
vertelling (van sprookje) vertalingsken
verterenvertjeiren
vertragingretaar
vertrouwenvertraan
vervelendambetangt
vervenveirven
verwaarlozenvernugliezjeren
verwarmingsjofaasj
verweddenverwetten
verwelkenverslengsen
verwend kindbedeirfstront
verwisselen- omruilenmangelen
verzendenverzennen
verzijpstramijn
verzorgenverzurgen
verzwichtverstukt
vespersvepsers
veternestelink, nestlink
vetgezwelvetbol
vetvlekvetplek
viesmottig
vijftien (de) vuftien (ste)
vijftigtfuftug
vindenvinnen
vinksuskewiet
vlaaivlja
vlakuitvlakaf
vleermuisfloeremuis
vleesbroodfrikandong
vleienmaavoagen
vleierflemer, gatlekker, onderkruiper; maavoager
vlekplek
vleugelvlurrink
vleugel (= van vogel) vlurrink
vliegtuigvlieger
vlinderdasstrek (streksken)
vlooi (en) vloû (n)
vocht op murenzultug, bocht (ig), bochtigheid
vochtigdompig
vochtigwak, klam
vodvodde
voeringvoejering
voetballensjotten
voetenpladijzen
voetenkelknoesel
voetpadplansier
vogelkooivogelmuit
vogelvlerkvlurrink
volhoudenvolaan
volsterktabsoluut
vondstvongst
voorvur; veur; veuren
voor datveur da
vooraanva veur (en)
vooralsuurtoe
voorbijvurbij
voorbijgaanpasseren
voorbijrijdenvurbijsteken
voorlaatstetweede leste
voormiddagveurnoen, tveurnoens
voorovervallenvurroverstuiken
voorschootvusschoot
voorstevurste
voorttrekkenslepen
vooruitvan te veuren (veurop, vurruit)
vooruitgaan (bloeiende zaak) floreren
voorzichtigvurzichtug
voorzienvurzien
vorigveurig
vorige, verleden weekverleé week
vorkverket
vorkvurket, fursjet
vouw (en) vaa (n)
vraagvroag
vrachtwagenkamjong
vragenvroagen
vreemdvremt
vreemdelingvremden
vrekpezewever
vriendelijk gebaarzjest
vrijenvrijn
vrijervrijr
vroedvrouwachtergoaras
vrolijkplezant
vrouwvramengs, vraa
vrouw (= al vleiend) koeketien
vrouw (= oud) aa doûs
vrouw (=mager) panlat
vrouw (streng) tang, teef
vruchtenschilpaal
vuilmottig, bekeuzeld
vuillikvuiloard, viezerik
vuilnisbakvulbak
vuilnisblikvulblik
vuilniswagenvulkijr
vuilzakvulzak
vuistvust
vuistslagoeft, mot, pjeir
vullingvulsel
vuurwerkvureweirk
vuurwerk (soort) steirescheiter, batterij

W

w.c.'t gemak, tusken, 't schijtuis, de koer, 't vertrek
waaienwjaan
waard (e) wjeird (e)
waardeloosbucht, brol, kammelot
waarheidworreit
waaromworveur, v (e) urwa, worrom
waarschijnlijkgoe meugelijk
waarvanworda (n)
waarvoor?v (e) ur wa?, worveur
WaasmunsterWosmusteren
wablief?wablieft?, watte?, wadde? wa?, wa ist?, west?, wabliefturroa?, wa segde?, wa seide gè?
wafelwoffel
waggelenwachelen
walgelijkspoagachtig
wandelaardreveljeir
wandelpadwegel
wangkoak
wankelenswengsullen
wanordeannukkesnest, boel
warboelknossel
warmweir (u) m
warmtewermte
washandjeOarzak
wasknijperaate spaal
waskomlampetkom
wasserettedroûgkuis
wastafellavabo
wat?wa, wadde, watte
watergolf (=haar) miezamplie
waterketelmoor
waterpokkenwijnpokken
wc-borstelkaksteel
wc-zitbrul; bril
weddepree, kazèm
weddenwetten
wederweer
weder (om) vurdrom
weduweweef
weduwnaarwevenjeir
weegschaalbaskuul
weer (=opnieuw) wir
weerslagweerbots
weet je?witte?
wegdruipenafdruppelen
weggaandeurgaan
weggaanvoûrsgoan
weggooienwegroûn, wegsmèten
wegleggenop sei leigen
wegmoffelenwegfoefelen
wegrakenweggeroaken
wegwerpenwegroûn, wegsmijten
weidewei
weinigweinug
welwaal
welkwaalk
welke?waffer één, waffer enen
welnuawel
wenenbleiten, schreen
wens (en) wengs (en)
wereldwjeireld
werkweirk
werkentravakken
werpenroûn, smèeten
wespweps
WEZEWEZE
whisten (kaartspel) wiezen
wielspaakriejong
wijwulder
wij gaanwè gommun
wij gaan dat doenwij gommen da doen
wijdenwijn
wijsheidstandenboktangden
wijsje (= liedje) jeirken
wildwuld
willenwullen
wimperpinker
windscheet, poepescheet (= bij kind)
wind (= in natuur) wingd
windschermschutsel
winkelkassakas
winstwingst
wisselenschrangsen
witloofwitloûf
woedekoljeiren
woensdagwoengstag
wollen handschoenenwanten
wollen mutspoellemuts
wondwongde
wondkorstroefken
wondpleistertjelaksken
woordwort
woordenworden
worden (geworden) wurren (gewurren)
worstsossies, wust
worstelenwustelen
wortelwurtel
worteltjes en erwtjeserten en wurtelen
wratwurt
wreefvrijf
wroetenwroetelen
wuivenzwieren

Y

yoghurtyoegoert

Z

zaadzoat
zaagselzoagemeel
zaaienzwjaan
zaalzoal
zachtzocht
zacht schuddenlutsen
zadelzoal
zagen (klagen, zeuren) ) grjeiven
zager (= klager) zoageman, zoagpetet
zakdoekneusdoek, zaknusdoek
zakgeldpree
zakkenrollerbuzzesnijr
zaklamppiel
zakmespennemes
zandzangd, jeirde
zangeres (=met hoge stem) schetteras
zeemvelzemelap
zeepwaterloog
zeer braafdoobraaf
zeer graagdoodgjeiren
zeer rijpdeurrijp, mater
zeer warm, zwoelbang
zeggenzeigen (ik zeig; ei, zè zeét; zè, wè zeigen)
zeiszichel
zekerzekers
zekeringplong
zelf (s) zaalf (s)
zenuwachtigheidongeduren
zenuwenzeemels
zerkzeirk
zestiendezestienste
zestigtsestig
zetpilsupo
zeurpietzoagevent
zevendesévuste
zeventigstevuttig
zevertreut
zeveraarzeverjeir
zich haastenzich osten
zijdezij
zijn (= werkwoord) ik ben / hij is / zij is / gij bent / jullie zijn / zij zijnkzin / ès / zis / gè zé / golder zè /zolder zin
zilverzulver
zozoe
zoalsgullèk
zodrazoega
zoenenaflekken, toten
zoentjemaksken
zoethoutkaliesenzjap
zojuistdorzjuust
zolder't opperste
zondagzongdag
zondezongde
zonnesteekzonneslag
zoomzoûm
zoonzeun
zorgenzurgen
zoutzaat
zowelzoewaal
zuigfles (baby's) papfles
zuiver makenuitkuisen
zulkezooën
zure kopgeroost
zure matten (= snoep) pingelangerek
zuurrengs
zuur snoepjetotentrekker, tandentrekker
zwaaienzwjaan
zwaar werklabeur, korvee
zwaardzwjeird
zweerzwjeir
zweetvoetenstinkpattees
zwelgenzwulgen, zwaalgen
zwellenzwalen
zwerenzwjeiren
zwerverklosjaar
ZwijndrechtZwindrecht
zwoegentravakken
zwoel (=weer) doef

7 opmerkingen

  1. 't Is mieur nor de kounte van Niekaarke dan ze da zeige.
  2. Door het grote aantal worden deze woorden hier niet vermeld:
  3. In de woorden met `-a` en `aa` worden deze klanken uitgesproken als `oa`
    en in woorden met 'oo' verandert deze klank in 'oû'
  4. Op http://users.telenet.be/dirk.heymans/herman9.htm vindt u de pagina `AZOE SPRIKT MEN IN SINNEKLOAS` Vele woorden kunnen beluisterd worden,want dan pas komt men exact te weten hoe het sinnekloases klinkt.
  5. Voor meer informatie over Sint Niklaas surf naar WIKIPEDIA:
    http://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Niklaas
  6. uit de tijd dat een briefje van 1.000 Fr blauw was
  7. zich mistrappen en van de leer vallen