Schevenings dialect

Dialecten > Zuid-Holland > Schevenings
Het dialectenwoordenboek Schevenings bevat 17 gezegden, 1704 woorden en 12 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

17 gezegden

aankondiging dat het net binnengehaald zal wordenMe gæne 'æle: 't ister van 'æle!
Alles goed! 1.Alles wel an boord!
Alles goed! 2.Alles wel, be'alleve 'n nat bien!
Alles goed! 3.Alles zûver!
Dag lieverdDag pand
De beste wensen voor een gelukkig nieuwjaar!Al 'et nôdege (voor têd en eeuweg'êd!)
Het zal mij een zorg zijn!'t Zel me amme gat roeste!
Iets moois als (ver) sier (ing) Voor de môi-tôi
Ik ga even douchenEffeh een dûk nemeh
Ik heb genoeg gegeten.Ik eb me buk ut de kreuk egeten!
Ik zweet me kapot!'t Zweat loop' me neavel of!
Kind, wat heb je dat prachtig gezegd!Kind, wat 'ei-je dat môi 'esprooke!
Kopje koffie met een koekjelekker bakje met 'n dingetje
uitspraak van iemand die uitgebreid en goed gegeten heeft en aan het uitbuiken is:As me moeder me buk zou voele dan zou ze zegge: me kind 'êt kliertjes.
Wat maak je me nou?Wat doe je bê me?
We gaan naar bed.Me gæne legge.
Welkom in zee! (vissersgroet) Wellekom in zê!

1704 woorden

A

aalbesælebes
aangeschoten, (lichtelijk beneveld) an'eschote
aankleden, (ww.) anklên
aankomen, (ww.) ankomme
aanrechtrechbank
aanstellerijpoppekast
aapæp
aardappelærepel
aardappelmesjeærepelemesje
aardbeiærebei
aardeærde
aardigærdeg
achterbalkon, (van een woning) plat
achteruitgaan (bijv. door ziekte) oftaekele
Achteruitkijkspiegel op fiets of bromfietsBromkikkertje
achterwerk 1., zie ook 'billen 1.'fondement
achterwerk 2., zie ook 'billen 2.'gat
achterwerk 3., (plat), zie ook 'billen 3.'Abby
achterwerk 4,, (plat), zie ook 'billen 4.'reet
achterzeil, (zeilscheepvaart) gatzêl
acrobaatpiepejas
ademen, (ww.) æseme
advocaatævekæt
afof
af en toe, zie ook 'soms 3.'tussebije
afblijven, (ww.) ofblêve
afbreken, (ww.) ofbreeke
afdelen, (ww.) ofdêle
afgunstkift
afhouder (in de vleetvisserij) of'ouwer
afslagerofslæger
aftroggelen, (ww.) loeze
aftuigen 1., (ww.) oftûge
aftuigen 2., (pak slaag geven), (ww.) oframmele
afwijzen, (ww.) bedanke
akeligækeleg
allemaal 1.allemæl
allemaal 2.allegær
allemaal 3.altegær
allerleialderlei
anderaar
andersaars
andersomaarsom
angstig 1., (zeer -) dôsbang
angstig 2., (zeer -) dôsbenauwd
angstig zijn 1., zie ook 'bang zijn 1.'de beroerte 'æle
angstig zijn 2., zie ook 'bang zijn 2.'de stûpe 'æle
apart, zie ook 'bijzonder 2.'ampart
apparaat 1.apperæt
apparaat 2.ekstrement
arm 1., (zn.) arrem
arm 2., (zn., verouderde woordvorm) narrem
astmatischborsteg
avondævend
avondmaal, (heilig -) nachmæl
azijnnezên

B

baan 1.bæn
baan 2., (werk) ampje
baantje, (werk) jobje
baardbærd
baden, (ww.) baaie
bakerbæker
bang zijn 1., zie ook 'angstig zijn 1.'de beroerte 'æle
bang zijn 2., zie ook 'angstig zijn 2.'de stûpe 'æle
bangerik 1.kakkebrook
bangerik 2.schêtert
bangerik 3.schêt'ûs
bangerik 4.schêtlærs
bangerik 5.schêtlêster
bangerik 6.schêtebrook
barometer 1.'t glas
barometer 2.'t gleisje
bedaardbedærd
bedaren, (ww.) bedære
bedelaarbeedelær
bedorven, (v.deelw.) bedurreve
bedotten 1., (ww.) verkulle
bedotten 2., (ww.) belætæfele
bedotten 3., (ww.), zie ook 'poepen 1.'kakke
beenbien
beest, zie ook 'dier'bêst
beestjebeisje
begrafenisbegræfenis
begraven, (ww.) begræve
begrijpen, (ww.) begrêpe
Begrip; BenulBezwui
behalvebe'alleve
behoeven, (ww.), zie ook 'hoeven''oove
bejaardbejærd
bejaardentehuiswês'ûs
bekeerd, - zijnbekêrd, - weeze
bekvechten, (ww.) strije
belazerd, ben je -?belæzerd, bei je -?
belazeren, (ww.) belæzere
beloven, (ww.) belôve
bemanningschipvollek
ben je? (ww., ott.) bei je?
beneden 1.beneeje
beneden 2.beloo
bepalenbepele
bereiken, (ww.) belenge
bergburreg
beschaamd, (ww., v.deelw.) beschæmd
beschadigd 1., (ww., v.deelw.) beschædegd
beschadigd 2., (ww., v.deelw.) kepot 'emækt
beschadigen 1., (ww.) beschædige
beschadigen 2., (ww.) kepot mæke
beschamen, (ww.) beschæme
beschrijven, (ww.) ûtduie
beslaan, (ww.) beslæn
besparen, (ww.) bespære
bestaan, (ww.) bestæn
betijden laten -, (ww.) betije, læte -
bevallen, moeten -, (ww.) legge, motte -
bevragen, (ww.) bevræge
bevriend, goed - zijnklante, goeie - weeze
bewaren, (ww.) bewære
bewijsbewês
bezeren, (ww.) bezêre
bezwaarbezwær
bezwaarlijkbezwærlek
bijbelbêbel
bijdehandmette'and
bijlbêl
bijnabekant
bijten, (ww.) bête
bijzonder 1.bezunder
bijzonder 2., zie ook 'apart'ampart
biljartbalbejartbal
biljarten, (ww.) bejartje legge
billen 1., zie ook 'achterwerk 1.'fondement
billen 2., zie ook 'achterwerk 2.'gat
billen 3., (plat), zie ook 'achterwerk 3.'kont
billen 4., (plat), zie ook 'achterwerk 4.'reet
biscuitjekækje
blaadjebleitje
blaarblær
blaasblæs
bladeren 1., (ww.) blædere
bladeren 2., (zn., mv.) blaaie
blazen, (ww.) blæze
bleekblêk
bleken, (ww.), zie ook 'blijken'blêke
blijkbaarzeekers
blijken, (ww.), zie ook 'bleken'blêke
bloedblaarbloedbladder
bloem 1. (product van bloeiwijze) blom
bloem 2. (fijn meel) bloome
blootblôt
blootgeven, zich -, (ww.) ûtbrenge
blootjeblôtje
bodem, (van een vat of emmer) boom
boegboug
boeketrukkert
boemankakkelauwes
boeten, (ww., herstellen van haringnetten, visserij, oud) boete
boetnaaldboetnæld
boetster, (vrouw die haringnetten herstelt) boester
boezemboozem
bokkingbokkem
bolleboosbollebôs
bomschuit, zie ook 'schuit'schût
bonenbône
bonestaakboonestæk
boodschapbooschop
boogbôg
boombôm
boos 1.bôs
boos 2., heel - zijndûvels weeze
boos 3., heel - zijnspinnêdeg weeze
boosdoenerbôsdoener (t)
booswichtbôswicht
bootbôt
borrelbeetje
borreltje 1.'apje
borreltje 2.likje
borreltje 3.slokje
borstrokkammezool
boterbutter
boterhamommekantje
boterham 1.ommekantje
boterham 2., zie ook 'stuk'stik
boterham op elkaar met belegommekantje
boterhamzakjestikkezakje
boterkoekbutterkook
bovenlichaamboove-lêf
bovenraamboove-ræm
bozig 1.bôzeg
bozig 2.kwæieg
braambræm
braamsapbræmesap
bracht, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) broch, ik -, jij -, 'ij -
brachten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) broche, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
braden, (ww.) braaie
braken, zie ook 'overgeven' en 'spugen', (ww.) spouge
brandjefikje
breedbrêd
breinaaldbreinæld
bretelsgallege
brodeloosbrôdelôs
broeierigmokkeg
broekbrook
broodbrôd
broodmagerbrôdmæger
broodmesbrôdmes
broodnodigbrôdnôdeg
broodpapbrôdpap
broodplankbrôdplank
broodzakje, (textiel) stikkezakje
bruinbrûn
buigen, (ww.) bûge
buikbuk
buikpijnpên in ze buk
buis (je) bûs, (buisje)
buitenbûte
buitenboelbûteboel
buitendeurbûtedeur
buitenhavenbûte'æve
buitenkantbûtekant
buizen, (ww.) bûze

C

capabelbekwæm
chocolaatjesukkeleitje
chocoladesukkelæ
compliment, zie ook 'pluim'plûm

D

daaddæd
daadkrachtigrizzeluut
daar 1.dær
daar 2., zie ook 'ginds'gunt
daarafdærof
daarbijdærbij
daarbuitendærbûte
daardoordærdeur
daargindsd'rgunt
daarheendær'een
daarlaten, (ww.) dærlæte
daarmee 1.d'rmee
daarmee 2.dærmee
daarnaar 1.d'rnær
daarnaar 2.dærnær
daarnaastdærnæst
daarnetd'rnet
daaromdærom
daaronderd'ronder
daarstraksd'rstrakkies
daartegenoverdærteugenover
dacht, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) doch, ik -, jij -, 'ij-
dachten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) doche, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
dadelijk 1.dælek
dadelijk 2., zo -, zie ook 'meteen 4.'aanstons
dadelijk 3., (verouderde woordvorm) 'aast
dakpannenpannedakke
damp, zie ook 'wasem'wæsem
danig'artstikke
datumdætem
de haven invarenbinnekomme
de haven uitvarenûtgaen
deinen 1., (ww.) dêne
deinen 2., (ww.) dênze
Den HaagDe 'Æg
dertiendortien
dertigdorteg
destijds, zie ook 'vroeger'vrooger
deugdzaam, zie ook 'welopgevoed'ordentelek
dier, zie ook 'beest'bêst
dijkdik
dinsdag, (verouderde woordvorm) dingsdag
dode, zie ook 'doden 2.'dôie
doden 1., (ww.) dôdmæke
doden 2., (zn.), zie ook dodedôie
doekdook
doezeligsuffeg
donker 1., heel -pikkedonker
donker 2., heel -roetnacht
doodkistdôdkist
door (een) roeren, (ww.) 'ussele
doordrammen, (ww.) zêke
doordrammerzêkert
dooreten, (ww.) deureete
doorgaan, (ww.) deurgæn
doorknippen, (ww.) deurknippe
doorlaten, (ww.) deurlæte
doorlopen, (ww.) deurlôpe
doormaken 1., (ww.) deurmæke
doormaken 2., (ww.) meemæke
doorslapen, (ww.) deurslæpe
doorsteken, (ww.) deursteeke
doorzagen, (ww.) deurzæge
doorzaniken, (ww.) deurzæneke
doosdôs
draaddræd
draadjedreitje
dragen 1., (ww.) dræge
dragen 2., (ww., verouderde woordvorm) dreege
drein, (zn.) drên
dreinen 1., (ww.) drêne
dreinen 2., (ww.) zie ook bij 'huilen'lengze
drogen, (ww.) drôge
dromen, (ww.) drôme
dromerdrômert
dronken 1.læzeres
dronken 2.sikkes
droogdrôg
droomdrôm
druifdrûf
druipen, (ww.) drûpe
duifdûf
duikdûk
duimdûm
duindûn
DuindorpWestdûne
duisterdûster
duisternisdûsternis
duivel 1.dûvel
duivel 2.sætan
duivel 3., de -bôze, de -
duizeligdûzeleg
duizenddûzend
durf, (zn.), zie ook 'lef'kerakter
durfde, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) dors, ik -, jij -, 'ij -
durfden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) dorse, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
durven, (ww.) durreve
duurdier
duurtedierte
dwaas, (zn.) dwæs
dwalen, (ww.) dwæle
dwarsdwors
dwarsliggen, (ww.) dworslegge
dweildwêl

E

een, (hoofdtelw.) ien
eendiend
eens 1.iens
eens 2.iemmæl
eerderêrder
eerlijkêrlek
eersteêste
eigen, (bn.) êge
eigenaardigêgenærdeg
eigengereidêgegerêd
eigenlijk 1.êgelek
eigenlijk 2., zie ook 'feitelijk'fêtelek
eigenwijsêgewês
eigenzinnig iemandêge'êmert
eikelêkel
eindend
eindeende
einde van het haringseizoenbouwe teelt
electriciteit 1.ellektriek
electriciteit 2., zie ook 'stroom'strôm
elkaarmalkander
elleboog 1.ellebôg
elleboog 2., (verouderde woordvorm) nellebôg
emmer, (verouderde woordvorm) nemmer
erafd'rof
erbijd'rbij
erbuitend'rbûte
erdoord'rdeur
erfurref
erheend'r'een
ernaastd'rnæst
eronderd'ronder
erwturret
evacuatie 1.eevakkewæsie
evacuatie 2.eevekewæsie
evacueren 1. (ww.) eevakkeweere
evacueren 2. (ww.) eevekeweere
extraatje 1.'ouwesje
extraatje 2.taatje

F

fakkelen, (ww., sein bij bomschuitvisserij, oud) stækele
familiefemielje
fantastpreevelær
fatsoen 1.fesoen
fatsoen 2.fesol
feit, zie ook 'fijt'fêt
feitelijk, zie ook 'eigenlijk'fêtelek
fijt, zie ook 'feit'fêt
fluisteren, (ww.) flûstere
fluit (je) flût, (fluitje)
fluitketelflûtkeetel
folder (tje) trakteitje

G

gaan, (ww.) gæn
gaargær
galstenengalstiene
gapen, (ww.) gæpe
garanalennetsaaing
garengære (n)
garnaalgarrent
garnalennetsaaing
gauwdiefjatmoos
gaven, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) gavve, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
gebakjetæretje
gebeden 1., (ww., v.deelw.) 'ebeeje
gebeden 2., (ww., v.deelw., verouderde woordvorm) 'ebeen
gebracht, (ww., v.deelw.) 'ebrocht
gebruiken, (ww.) gebrukke
gedogen, (ww.) genge
gedragen, (ww., v.deelw.) 'edrooge
gedruisgedrûs
geengien
geërfd, (ww., v.deelw.) 'e'orreve
geërgerd, zie ook 'geprikkeld'narreg
geestgêst
gefiliciteerdfillesteere
gehad 1., (ww., v.deelw.) 'e'aad
gehad 2., (ww., v.deelw., verouderde woordvorm) 'e'êd
geheel, zie ook 'heel''êl
geitgêt
geleden 1., (v.deelw.) 'eleeje
geleden 2., (tijdsbepaling) 'eleeje
gelijkgelik
gelovigkerreks
geluidgelûd
geluksvogellukkepiet
gemeente, (stedelijke overheid) gemiente
gemerkt, (ww., v.deelw.) 'emorreke
genadegenæde
genadig, zie ook 'minzaam'genædeg
generaalginneræl
genoeggenog (t)
geprikkeld, zie ook 'geërgerd'narreg
gereformeerdgriffemeerd
geruild, (v.deelw.) 'eroole
gescheiden, - zijn, (ww., v.deelw.) 'escheeje weeze
geschreeuwgetjûl
geslagen, (v.deelw.) 'eslooge
geslagen, (ww., v.deelw.) 'eslooge
gespgeps
gestorven, (ww., v.deelw.) 'esturreve
getuigegetûge
gevaargevær
gevaarlijkgeværlek
gevangenis, (verouderde woordvorm) spin'ûs
gewoongeweun
gezelligecht
gezeurgetjengel
gezicht 1.gelæt
gezicht 2., (plat) fieselemie
gezicht 3., (plat) kænes
giechelen, hinderlijk -, (ww.) gûchele
gierigaard 1.sentetikkert
gierigaard 2.zûnege neet
gierigaard 3.krent
ginds, zie ook 'daar'gunt
glaasjegleisje
glijbaanglêsbæn
glijden, (ww.) glêze
gloednieuwflunternieuwt
godsdienstoefening thuis of aan boordplicht doen
godsdienstonderrichtkattegezæsie
goede reis wensengedag zegge
goedemorgengoeiemurrege
goedkoopgoekôp
goochelaargôchelær
goochelen, (ww.) gôchele
gooien, (ww.) gôie
gootgôt
graad, zie ook 'graat'græd
graaggræg
graat, zie ook 'graad'græt
graatjegreitje
graven, (ww.) græve
grijpen, (ww.) grêpe
grijsgrês
grootmoeder 1., (verouderde woordvorm) groo
grootmoeder 2., (verouderde woordvorm) grôtje
grootvader, (verouderde woordvorm) grôtevær
grootzeil, (zeilscheepvaart) grôtzêl
gruisgrûs
gsdgfsdgdsggfgdgfsfg

H

haai'aai
haak'æk
haakpen'ækpen
haar 1., (zn.) ‘ær
haar 2., (pers.vnw.) 'uur
haast'æst
haasten 1., (ww.) 'æste
haasten 2., (ww.), zich -jachte
haasten 3., (ww.), zich -rûfele
haat'æt
had, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) 'a', ik -, jij -, 'ij -
hadden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) 'aa'ne, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
hagel'ægel
Hagenaar 1.'Ægenær
Hagenaar 2.'Ægenees
hak'ak
hakken, (ww.) 'akke
halen 1., (ww., iets -) lange
halen 2., (ww., iemand -) ‘æle
halen 3., (uitroep bij visserij, oud) haléé
hamer'æmer
hand, zie ook 'handen 1, 2, 3, 4, 5 en 6''and
handdoek'andook
handen 1.'ande
handen 2., (plat), zie ook 'stelen'jatte
handen 3., (plat) klakke
handen 4., (plat) petænese
handen 5., (plat) ponke
handen 6., (plat) tengels
Handen.Potanissen
handig, - zijnbeknêst weeze
hang/legkast, zie ook 'kabinet'kammenet
hangen, (ww.) 'ange
hannesen 1., (ww.) 'annese
hannesen 2., (ww.) moorde
hannesen 3., (ww.) piele
hap'ap
happen, (ww.) 'appe
hard'ard
hardleers'ardlêrs
hardlopen, (ww.) 'ardlôpe
haring 1.'æring
haring 2., gekookte -sied'æring
harmonicamonika
hart'art
hartig'arteg
hartspeld, (sieraad klederdracht) 'artspeld
haven'æve
havenhoofdenkoppes
havenmeester'ævemêster
hazenlipscheerlip
hebben, (ww.), zie ook 'zijn 3.''ebbe
heeft, hij -'êt, 'ij -
heel, zie ook 'geheel''êl
heette 1., hij -'iette, 'ij -
heette 2., hij -, (verouderde woordvorm) 'iettede, 'ij -
heilig'êleg
hek'ek
hekel'eekel
hel'el
helemaal 1.'êlemæl
helemaal 2.'êlegær
helpen, (ww.) 'ellepe
hem, van -zên, van -
hemel'eemel
hen, (pers.vnw.), zie ook 'hun', 'ze' en 'zij'zûlie
herberg'urreburreg
herfst'urrefst
herinneren, (ww.) 'euge
hersens, (goed van verstand zijn) 'arses 'ebbe
het't, 'et
het sneeuwdet snauwd
hetzelfde't êge
hiel'iel
hielenlikkerslêmbal
hier 1.'ier
hier 2.'ierzô
hier en daar, op z'n - geven'ier en dær, op z'n - geeve
hieraf'ierof
hierbij'ierbij
hierdoor'ierdeur
hierheen'ier'een
hiermee'iermee
hierna'iernæ
hiernaar'iernær
hiernaast'iernæst
hierom'ierom
hieromheen'ierom'een
hieronder'ieronder
hierop'ierop
hiertegen'ierteuge
hieruit'ierût
hiervandaan'iervandæn
hij'ij
hinkelen, (ww.) 'inkele
hitsiggrûzeg
hitte 1.'itte
hitte 2., (verouderde woordvorm) 'ette
hoed'oed
hoek'ook
hoepel'oopel
hoesten, (ww.) 'oeste
hoeveelheid, grote -kwakke
hoeveelheid, kleine -tisje
hoeven, (ww.), zie ook 'behoeven''oove
hok'ok
hond'ond
honger'onger
hoofd 1.'ôfd
hoofd 2., zie ook 'hersens''arses
hoofddoek'ôfdook
hoofdijzer, (klederdracht), zie ook ijzer 2.êzer
hoofdje'ovetje
hoofdpijnpên in z'n 'ôfd
hoofdzakelijk'ôfzækelek
hoog'ôg
hoogte'ôgte
hooi'ôi
hoop 1., (verwachting) 'ôp
hoop 2., (in hoeveelheid) 'ôpe
hopen, (ww.) 'ôpe
horen, (ww.) 'ore
houden, (ww.) 'ouwe
houder, (zn.), (in samenhang met een speciale rol, zie 'rol', visserij, oud) gêste-kop
hout'out
houten klompenOo blokken
huichelaar'ûchelær
huichelen, (ww.) 'ûchele
huilen, (ww.) zie ook bij 'dreinen'krête
huis (je) 'ûs, ('uisje)
huisbaas'ûsbæs
huishouden'ûs'ouwe
huishuur'ûs'uur
huissleutel'ûssleutel
hulp'ullep
humeurig 1.saggerêneg
humeurig 2.belooreg
hun, (bezitt. vnw.), zie ook 'hen', 'ze' en 'zij'zûlie
hutspotpeen-en-uie
huur'uur
huurwoning'uur'ûs

I

ijsês
ijzer 1., (metaal) êzer
ijzer 2., (klederdracht), zie ook hoofdijzerêzer
ijzigêzeg
ik hou van etentweefel, ik -, jij -, 'ij -
invalidenwagenlammewæge
inventief, - zijnbeknêst weeze
inwonen, (ww.) inweune
inwrijven, (ww.) invrêve
inzepen, (ww.) inzêpe

J

jajæ.
jaarjær
jagen, (ww.) jæge
jagerjæger
janboel 1.sarres
janboel 2.rût-ût
jarenlangjærelang
jarigjæreg
jeukjuk
jeuken, (ww.) jukke
johjoi
juichen, (ww.) jûche
julliejûlie
jus, (verouderde woordvorm) sop

K

kaakkæk
kaalkæl
kaalkopkælkop
kaalplukken, (ww.) kælplukke
kaarskærs
kaartkært
kaartjekæretje
kaaskæs
kaasboerkæsboer
kabeljauwkabbelauw
kabinet, zie ook 'hang/legkast'kammenet
kadekæde
kaken, (ww.) kæke
kamerkæmer
kaneelkenêl
kapot 1.kepot
kapot 2.stuk
kapotbijten, (ww.) stukbête
kapotmaken, (ww.) stukmæke
kapotscheuren, (ww.) kepotscheure
kapucijners 1.grauwe urrete
kapucijners 2.ræsdonders
karbonaadjekarrebeneitje
karigkæreg
kastanjekestanjer
katerkæter
KatwijkKattek
KatwijkerKatteker
katzwijmkatzwêm
keerkêr
keizerkêzer
Keizerstraatde Straet
kennen, (ww.), zie ook 'kunnen'kenne
keren, (ww.) kêre
kermen, (ww.) kurreme
kerskors
kerstboomkorsbôm
kerstmiskorsemus
keverkeeverik
kijk eens aankik-'r-is-an
kijken, (ww.), zie ook 'zien'kikke
kindpant
kinderstoelkakstoel
kinderwagenkinderwæge
kippen, (zn., mv.) kippes
klaarklær
klaarmaken 1., (ww.) klærmæke
klaarmaken 2., (ww., visserij: schip vaarklaar maken, oud) graaie
klagen, (ww.) klæge
kleedklêd
kleedjekleitje
kleinklên
klerenklêre
kletsen, (ww.) klesse
kletskousklessebes
kletsnat 1.drûp
kletsnat 2., (plat) zêkes
kletsnat 3., (plat) zêknat
kletspraatgekkepræt
kleuterschoolkakschool
kliekje, (restant eten vorige dag) pannevisje
klomp'oblok
kluifknar
kluisklûs
kluitbonk
kluit (je) klût, (kluitje)
klungelen 1., (ww.) 'annese
klungelen 2., (ww.) piele
klungelen 3., (ww.) pielepôte
kluskarrewei
knijpen, (ww.) knêpe
knijperknêper
knolraapknorræp
knoopknôp
knopen, (ww.) knôpe
knuistknûst
knulletjepikkie
koekkook
koekenpankookebakspan
koekje 1.kookje
koekje 2.dingetje
koffiepauze, (visserij, oud) pik'eet
kokosnootookelekook
kombuiskombûs
komijne kaaskemênde kæs
kon, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) kos, ik -, jij -, 'ij -
konden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) kozze, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
konijnkenên
kooikôi
koopvaardijkofferdij
koopvaardijschipkofferdijschip
koortskoorst
kopen, (ww.) kôpe
kopje koffiebakje
kortelingsonderlest
kortgeledenpas
korzeligstorreleg
kostbaarkosbær
koukleumen, (ww.) vernikkele
kozijnkezên
kraagkræg
kraankræn
krabbelen 1., (ww.) klauwe
krabbelen 2., (ww.) raffe
krentenbroodkrentebrôd
kreupel 1.kreepel
kreupel 2.lam bien
krijtkrêt
krijten, (ww.), zie ook huilenkrête
krootkrôt
kruikkruk
kruinkrûn
kruipen, (ww.) krûpe
kruiskrûs
kruisbesklap-bes
krukkrik
kuilkûl
kuipkûp
kunnen, (ww.), zie ook 'kennen'kenne
kurkkullek
kwaadkwæd
kwamen, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) kwamme, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
kwartier (tje) ketier (tje)
kwijlkwêl
kwijtkwêt
kwijtraken, (ww.) kwêtræke

L

la, zie ook 'lade'
laaghartig iemandfielt
laarslærs
laatlæt
laatje, (van een kast) leitje
laatstonderlest
laatsteleste
lade, zie ook 'la'
lading van 17 tonnenlast
lag, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) lee, ik -, jij -, 'ij -
lagen, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) leeje, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
lakenlæke
lantaarnlantæren
lantaarnpaallantærenpæl
lastpakdoerak
laten, (ww.) læte
laterlæter
lauwleuk
lawaaikebæl
leeuwlêw
lef, zie ook 'durf'kerakter
leggen, (ww.), zie ook 'liggen'legge
lenen, (ww.) liene
leren, (ww.) lêre
leugenaar 1.leugenær
leugenaar 2.leugenbêst
levertraanlevertræn
lieverdpand
liggen, (ww.), zie ook 'leggen'legge
lijden, (ww.) lije
lijflêf
lijklêk
lijken, (ww.) likke
lijnlên
lijstlêst
lijsterlêster
likdoornekster-ôg
loodlôd
loods 1., (schuur) loos
loods 2., (beroep) lôs
loodsbootlôsbôt
lopen, (ww.) lôpe
loper 1., (vloerbedekking) lôper
loper 2., (eenvoudige sleutel) lôper
luchtspiegelingeilbêle
luikluk
luislûs
luisteren, (ww.) lûstere
lusteloos 1.lammeléndeg
lusteloos 2.lammenædeg
luwte 1.opper
luwte 2.oppertje

M

maagmæg
maagpijnpên in ze mæg
maal, (als maaltijd) mæl
maanmæn
maandagmændag
maartmært
maas, (van een net) mæs
maatmæt
maatjemeitje
magermæger
maizenamezeena
makreelmekrêl
malen, (ww.) mæle
mand 1.maa
mand 2.ben
mankeren, (ww.) mekeere
marktmart
matrasmetras
me pet is in de put gevalenme put is in depet gevallen
medelijdenmeedôgend'êd
meemaken, (ww.) meemæke
meerdere, (onbep.telw.) verscheie
meest, zie ook 'meestal 2'mêst
meestal 1.mêstal
meestal 2., zie ook 'meest'mêst
meestemêste
meestermêster
meeuwmêw
meidmêd
meisje, een lief -'n lekkere mêd
menen, (ww.) miene
mengde, ik -, jij-, hij -, (ww., ovt.) mong, ik -, jij -, 'ij -
mengden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) monge, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
menigtemienegte
mergmurreg
mergpijpjemurregpêpje
merkte, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) morrek, ik -, jij -, 'ij -
merkten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) morreke, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
meteen 1.medien
meteen 2.bedien
meteen 3.inderekt
meteen 4., zo -, zie ook 'dadelijk 2.'aanstons
miezelregennat windje
mijn 1., (zn.) mên
mijn 2., (bez.vnw.) mên
mijnheer, (verouderde woordvorm) menêr
minzaam, zie ook 'genadig'genædeg
mishandelentoetaekele
misleiden, (ww.) verneuken
moedkoeræzie
moest, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) mos, ik -, jij -, 'ij -
moesten, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) mozze, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
moeten, (ww.) motte
mogen, (ww.) magge
mond 1., (plat) kækement
mond 2., (plat) meeles
mondharmonicamondurregel
mooi 1.môi
mooi 2., zie ook 'prachtig' en 'waardevol'kostelijk
morgenavondmurregen-ævend
morgenochtendmurregen-ochend
morsen, (ww., verouderde woordvorm) storte
muis (je) mûs, (muisje)
musmosje
mutsmus

N

naadnæd
naadjeneitje
naaldnæld
NaamNeam
naarling 1.ækeleg’êd
naarling 2.sallemander
naarling 3.lamstræl
naarling 4.stik vergift
nachtjaponnachpon
naderen, (ww.) næke
naderhandnæder'and
nadoen, (ww.) nædoen
nagelnægel
navelnævel
navragen, (ww.) nævræge
neef of nichtnômzegger
neergelegd, (v.deelw.) neer'eleege
neergelegd, (ww., v.deelw.) neer'eleege
neergooien 1., (ww.) pleure
neergooien 2., (ww.) kwakke
negosiantein een gossie
nevelig'eieg
niet waarnietes
niet waar, ja toch? 1.iet-tá
niet waar, ja toch? 2.iet-tan
niet waar, ja toch? 3.niet-tá
niet waar, ja toch? 4.niet-tan
nietigpetietereg
niets 1.geniene
niets 2.gieniene
nijdnêd
nijdignêdeg
nodignôdeg
noodnôd
noordoostnoord-ôst
noordoostelijknoord-ôstelek
noordoosten, het -noord-ôste, 't -
nootnôt
nunon

O

ombuigen, (ww.) ombûge
omhoogom'ôg
omkeren, (ww.) omkêre
omkleden, (ww.) omklên
omlaagomlæg
omslaan, (ww.) omslæn
omwoelen, (ww.) tækele
onbekwaamonbekwæm
onbenulligsulleg
onderbroekonderbrook
onderlichaamonder-lêf
ongelijkongelik
ongetwijfeldzeekers
ontwijken, (ww.) mije
onverwacht, zie ook 'plotseling'iniene, zô -
onzin 1.malleg'êd
onzin 2.ræreg'êd
onzin 3.gekkepræt
onzin vertelleneundere
oogôg
ooievaarôievær
ooitôit
oomnôm
oordeeloordêl
oordelen, (ww.) oordêle
oorzaaksjoos
oostôst
oostelijkôslek
oosten, het -ooste, 't -
opblijven, (ww.) opblêve
open onderbroek of open broek vr.open brook
opgeborgen, (v.deelw.) op'eburrege
ophalen, (ww.) op'æle
ophouden 1, (ww.) op'ouwe
ophouden 2., er mee - 1., (ww.) ûtscheie
ophouden 3., er mee - 2., (ww.) kappe
opknappen, (ww.), zie ook 'optuigen 2.'opkallefætere
opleveren, (ww.) opdiepe
opmaken, (ww.) opmæke
oprapen, (ww.) opræpe
opruimen, (ww.) oprûme
opscheppen, (ww., als bluffen) oppêpe
opschepperiggrôs
opschepster 1.kakmedam
opschepster 2.kakwêf
opschepster 3.paggedet
OpschietenRuefele
opschrijven, (ww.) opschrêve
opspelen, (ww.) opspeule
opstaan 1., (ww.) oprêze
opstaan 2., - uit bed, (ww.) ; zie ook 'reizen' en 'rijzen'rêze
optuigen 1., (ww.) optûge
optuigen 2., (ww.), zie ook 'opknappen'opkallefætere
optuigen, (ww.) optûge
opvoeden, (ww.) grôtbrenge
orgelurregel
oudersouwers
oudste, (zn.) ouwste
overdreven gekleed of opgemaaktop'etaekeld
overgeven, (ww.), zie ook 'braken' en 'spugen'spouge
overhaast'æsje, rep je
overlastgelæzer

P

paarpær
paardpærd
paardjepæretje
paarspærs
PaasPaes
pakkenlangen
paleispelês
pannenkoekkookebak
pantoffelpetoffel
papierpepier
papiertjepepieretje
paradijsparredês
paraplupæreplu
pasenpæse
peil, zie ook 'pijl'pêl
peilen, (ww.) pêle
pepermuntpeeperemunt
petput
petvetklep
petroleum 2.peeterolie
petroleum 3.peetrolie
petroleumstelpeeteroliestel
petroleumstel, (eenpits) ienpitter
piekeren, (ww.) prakkezeere
pijl, zie ook 'peil'pêl
pijnpên
pijppêp
pimpelpaarspimpelpærs
pindamangel
plaag, (zn.) plæg
plaaggeestplæg
plaaggeestplæggêst
plaatplæt
plaatjepleitje
plaatsplæs
plaatsjepleisje
plaatsknecht, (visserij, oud) plæsknecht
plagen 1., (ww.) plæge
plagen 2., (ww.) jenne
plooiplôi
plotseling 1.klaks
plotseling 2., zie ook 'onverwacht'iniene, zô -
pluim, zie ook 'compliment'plûm
pluis (je) plûs, (pluisje)
pluizigplûzeg
plukharen, (ww,, vechten) plok'ære
poepen 1., (ww.) ofgæn
poepen 2., (ww.) (plat) schête
poepen 3., (ww.) (plat) kakke
poepen 4., (ww.) (plat) knêtere
poepje 1.florsje
poepje 2.wind
poepje 3., (plat) scheet
poetsen, (ww.) poese
politiepliesie
politieagentplisiegent
poon, (vissoort) pôn
poortjepooretje
pootpôt
pootjebaden 1., (ww.) pootjebaaie
pootjebaden 2., (ww.) plasse
poppen, (mv.) poppes
prachtig, zie ook 'mooi 2.' en 'waardevol'kostelek
praten, (ww.) præte
praterpræter
prentenboekprentebook
prijsprês
prijzen, (ww.) prêze
prijzigprêzeg
prikkeldraadpikkedræd
proeven, (ww.) proove
pruikpruk
pruimprûm
pruimen, (ww.) prûme
PruimtabakDrit (of Drid )
prulflutding
psalm 1., (als bijbeltekst) pesallem
psalm 2., (als kerkelijk lied) pesallemvorsje
psalmenboekje, (religieus) pesallembookje
puist (je) pûst, (puisje)
putpet

R

raadræd
raamræm
raapræp
raar 1., rær
raar 2., vreemdeg
ratrot
razen, (ww.) ræze
reepschieter (in de vleetvisserij) rêpschieter
regelaarsterkrukkebeschikster
regelen, iets -kakse
reisrês
reizen, (ww.), zie ook 'opstaan' en 'rijzen'rêze
repareren 1., (ww.) rippereere
repareren 2., (ww.) mæke
rest (eten) pannevisje
reuma 1. (verouderde woordvorm) rummetiek
reuma 2.rimmetiek
rijbaanpærdewegt
rijden, (ww.) rije
rijkrik
rijkdomrikdom
rijke stinkerknaekepoesser
rijmen, (ww.) rême
rijprêp
rijstrêst
rijzen, (ww.), zie ook 'opstaan' en 'reizen'rêze
roepen, (ww.) roope
roggebroodroggebrôd
roken, (ww.) rôke
rol, (waarover de haringnetten in zee werd gezet, visserij, oud) gêste-rol
rolladerollende
rommel 1.pûn-zôi
rommel 2.rotzôi
rommel 3., het is daar een -keet, 'et is dær 'n -
rommeliggrûzemûzeg
rondhangen 1., (ww.) schaajere
rondhangen 2., (ww.) scharrele
roodrôd
roodvonkrôdvonk
rookrôk
roomsrôms
rozijnrezên
rrrrrrr
ruigrûg
ruiken, (ww.) rukke
ruimrûm
ruimterûmte
ruitrût
ruzie 1.rûzie
ruzie 2., (lawaaiig van geluid) oreemes
ruzie maken 1.kibbele
ruzie maken 2.kifte

S

saai iemanddôie diender
samen 1.sæme
samen 2.met-se beie
schaafschæf
schaalschæl
schaapschæp
schaarschær
schaatsen 1., (ww.) schæse
schaatsen 2., (zn., mv.) schæse
schamen, zich -, (ww.) schæme, z'n êge -
schandaligschandæleg
scharenslijperschæresliep
scharrelaarscharrelær
schaven, (ww.) schæve
scheepsemmertjepuzze
scheerzeepscheerzêp
scherpscharrep
scheveningsbook
Scheveningse klederdrachtdracht (i.t.t. burger)
schichtig, zie ook 'schuw'schouw
schijfschêf
schijnen, (ww, ) schêne
schijnheiligschên-'êleg
schijnheilig iemand'êleg bôntje
schijnselschênsel
schildervurrever
schilderen, (ww.), zie ook 'verven'vurreve
schoen, (verouderde woordvorm) schoe
schoenenpeppers
schoensmeer/schoencremeschoenpoes
schoonheid, schôn'êd
schoonmaakschômæk
schoonmaken 1., (ww.) schômæke
schoonmaken 2., stevig -, (ww.) soppe
schoonzuster 1.schônzus
schoonzuster 2., (verouderde woordvorm) sneer
schoorsteenschoorstien
schootschôt
schotelschuttel
schoudermantel, (klederdracht) schoemantel
schreeuwschrêw
schreeuwen, (ww.) schrêwe
schrijven, (ww.) schrêve
schubbenschobbes
schuifschûf
schuilen, (ww.) schûle
schuimschûm
schuimen, (ww.) schûme
schuin 1.schûn
schuin 2.schûns
schuit, zie ook 'bomschuit'schût
schuiven, (ww.) schûve
schuurtjeloosje
schuw, zie ook 'schichtig'schouw
semafoor 1.pallem'uisje
semafoor 2.simmesfoor
sibbediksiesibbediksie = gezag
sigaarsegær
sinaasappelappelesien
sinterklaassuntereklæs
sjouwen, (zwaar werk verrichten), (ww.) pochele
slaslæ
slaafslæf
slaag, een pak -slæg, 'n pak -
slaan 1., (ww.) slæn
slaan 2., (ww., specifiek bij vechten) kesse
slaap 1.slæp
slaap 2.væk
slaapjepufje
slagen, (ww.) slæge
slagerslæger
slaken, (ww.) slæke
slapen 1., (ww.) slæpe
slapen 2., gaan -, (ww.) gæn legge
slavendrijverslævedrêvert
slechtondings
slechtsenkeld
slijmslêm
slijmerigslêmereg
slijtagepleksleet
slijten, (ww.) slête
slimpolletiek
slokjezoopje
sloofslôf
sloomslôm
sloopslôp
slootslôt
slopen, (ww.) slôpe
sloven, (ww.) slôve
sluipen, (ww.) slûpe
sluis (je) slûs, (sluisje)
sluiten, (ww.) slûte
snavelsneevel; sneavel
snavelsnævel
sneeuwsnouw
sneeuwen, (ww.) snouwe
sneeuwt, het -snouwt, 't -
snoepsnoop
snoepjesnoopje
snuiven, (ww.) snûve
soldaatsoldæt
soms 1.betije
soms 2.somtije
soms 3., zie ook 'af en toe'tussebije
spaakspæk
spaarpotspærpot
sparen, (ww.) spære
speculaas 1.spikkelæs
speculaas 2., (verouderde woordvorm) suntereklæs
speculaasje 1.spikkeleisje
speculaasje 2., (verouderde woordvorm) sunterekleisje
speelkaartendûvelskærte
speelplaatsspeulplæs
spelen, (ww.) speule
spijbelen, (ww.) spêbele
spijkerspikker
spijtspêt
spinazie 1.spenæzie
spinazie 2., (verouderde woordvorm) spannæzie
spitsdolfijnille
sproet, (verouderde woordvorm) sproot
spruitensprûte
spugen, (ww.) zie ook 'braken' en 'overgeven'spouge
staafstæf
staakstæk
staalstæl
staan, (ww.) stæn
staartstært
staat, (zn.) stæt
staken, (ww.) stæke
stakingstæking
stamppotstampsel
stapelstæpel
stapelen, (ww.) stæpele
stapelgekstæpelgek
staren 1., (ww.) stære
staren 2., (ww.) star-ôge
staren, (ww.) stære
steenstien
steigerstêger
steilstêl
stelen 1., (ww.) gappe
stelen 2., (ww.) jatte
sterstar
sterkstarrek
stervelingsturreveling
steunen, (ww., in de zin van 'kreunen') steene
stijfstêf
stijfselstêfsel
stijven, (ww.) stêve
stoeien, (ww.) rollebolle
stofdoekstofdook
stoffer en blikvarreke (n) -en-blik
stofzuigerstofzûger (t)
stond, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) sting, ik -, jij -, 'ij -
stonden, wij -, jullie -, zij - (ww., ovt.) stinge, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
stoofstôf
stoomtrawlerstômfiets
stootstôt
stopnaaldstopnæld
stopverfstopvurref
stormsturrem
storm schev.naamsturm
stormen, (ww.) sturreme
stoten, (ww.) stôte
straalstræl
straal water, een -'n stræle wæter
straatstræt
straatjestreitje
straksstrakkies
strandstrang
strijken, (ww.) strikke
strijkijzerstrikbout
strijkplankstrikplank
strooien, (ww.) strôie
strooiselstrôisel
stroom, zie ook 'electriciteit 2.'strôm
stroopstrôp
stroperigstrôpereg
struikelen, (ww.) strukkele
stuip (je) stûp, (stuipje)
stuit (je) stût, (stuitje)
stuiven, (ww.) stûve
stuiverstûver
stuk, (zn.), zie ook 'boterham 2.'stik
sturen, (ww.) stiere
stuurboordstierboord
stuurhuis (op een schip) brug
stuurmanstierman
stuurmanstuurman
sudderen, (ww.) seutere
sufferdonwês
suikersukker
suikerbeestsukkerbêst
suikerpotsukkerpot
sussen, (ww.) sussedeere

T

taaktæk
taaltæl
taantæn
taanputtænpet
taarttært
tachtigtache (n) teg
tafeltæfel
tafelkleedtæfelklêd
tanen, - van netten. (ww.) tæne
tante 1., (verouderde woordvorm) meuje
tante 2., (verouderde woordvorm) meutje
tapijtvloerklêd
teentên
tegelijkertijdtegelik
tegenteuge
tegenaanteugenan
tegendraadsteugedræs
tegenhouden, (ww.) teuge'ouwe
tegeninteugenin
tegenkomen, (ww.) teugekomme
tegenopteugenop
tegenoverteugenover
tegenspreken, (ww.) teugespreeke
tegenstribbelen, (ww.) teugespartele
tegenvallen, (ww.) teugevalle
tegenvallerteugevallert
tegenwerken, (ww.) teugewerreke
tegenwerkingteugewerreking
tegenwindteugewind
tegenwoordigteugeswoordeg
tegoed, - houdentegoes, - 'ouwe
teiltêl
tekeergaan, (ww.) tekêrgæn
terechtkomen, (ww.) verdæikkki
terug 1.berom
terug 2.brom
Terugkijker (fietsspiegel) Bromkikker
terugkomen, (ww.) bromkomme
thuisin 'ûs
tijdtêd
tijdelijktijelek
tijgertêger
toentoe
toestaan, (ww.) toestæn
toezichtsibbediksie
ton (netje) kantje
touw, trosrêp
touwtjebendel
traagtræg
traantræn
treintrên
treiteren 1., (ww.) judasse
treiteren 2., (ww.) neegere
treuzelaarteut
treuzelen, (ww.) teute
trots 1., zie ook 'verwaandheid'grôzeg'êd
trots 2,, - zijn, (in positieve zin) grôs weeze
tuigen, (ww.) tûge
tuin (tje) tûn, (tuintje)
tuit (je) tût, (tuitje)
tuiten, (ww.) tûte
tweetwie
twijfelen, (ww.) twêfele

U

uitbakken, (ww.) ûtbakke
uitblazen, (ww.) ûtblæze
uitdelen, (ww.) ûtdêle
uitgaan, (ww.) ûtgæn
uitglijden, (ww.) ûtglêze
uithalen, (iets ondeugends doen), (ww.) ûtvreete
uitkijken 1., (ww.) ûtkikke
uitkijken 2., naar iets -, (ww.) spinze
uitkleden 1., (ww.) ûtklêje
uitkleden 2., (ww.) ûtklên
uitkomstûtkomst
uitrazen, (ww.) ûttûle
uitrusten van logger voor de haringteelttoesteke
uitslaan, (ww.) ûtslæn
uitslag, (aandoening) ûtslag
uitspoken, (ww.) ûtspooke
uitstelûtstel
uitvaren, (ww.) ûtvære
uitwijken, (ww.) ûtwijke
uitzoeken, (ww.) ûtzooke
urineren 1., (ww.) sasse
urineren 2., (ww.) (plat) pisse
urineren 3., (ww.) (zeer plat) zêke

V

vaakvæk
vaartvært
vaasvæs
vaasjeveisje
vanafvanof
vandaanvandæn
vandaar 1.vandær
vandaar 2.dær vandæn
vanwaarwær vandæn
vanzelf 1.vanzelvers
vanzelf 2.van êges
varenstôme
varen, (ww.) være
vasthouden, (ww.) vast'ouwe
veelveul
veel, - teveuls, - te
veelprater 1.prætert
veelprater 2.klesmeier
veertienvêrtien
veertigfêrteg
veilingmeesterofslæger
velerleiveulderlei
verbazen 1., (ww.) verbæze
verbazen 2., (ww.) versteld stæn
verbazingverbæzing
verborgenverburrege
verdagen, (ww.) verdæge
verdervorder (s)
verdorvenverdurreve
verdragen 1., (ww.) verdræge
verdragen 2., (ww., verouderde woordvorm) verdreege
verdrinken, (plat) verzûpe
verdronken, op zee - zijn'ebleeve weeze
verduidelijken, (ww.) ûtlegge
verduidelijkingklæreg'êd
verduisteren, (ww.) verdûstere
verdwalen, (ww.) verdwæle
verfvurref
vergaan, (ww.) vergæn
vergapen, (ww.) vergæpe
vergaren, (ww.) vergære
vergelijken, (ww.) vergelikke
verhaalver'æl
verhuiswagenver'ûswæge
verhuizen, (ww.) ver'ûze
verjaardagverjærdag
verjagen, (ww.) wegjæge
verjaren, (ww.) verjære
verkeerdverkêrd
verkering hebbenvrije
verkopen, (ww.) verkôpe
verlaat, - zijnverlæt weeze
verlaten, (ww.) verlæte
verleden 1., (tijdsbepaling) verleeje
verleden 2., (zn.) verleeje
verloop, - van het weerverlôp
verlopenverlôpe
vermaken, (ww.) vermæke
vernield 1.verrinneweerd
vernield 2.rampeneerd
vernield 3.verrampeneerd
vernielen 1., (ww.) rinneweere
vernielen 2., (ww.) verrinneweere
vernielen 3., (ww.) rampeneere
vernielen 4., (ww.) verrampeneere
veroordelen, (ww.) veroordêle
verraden, (ww.) verraaie
verraderverraaier
verrekijker 1.kikkert
verrekijker 2., (monoculair) ienôger
vers 1., (deel van een lied of bijbeltekst) vors
vers 2., (kwaliteitsoordeel) vors
verschijnen, (ww.) verschêne
verschonen, (ww.) verschône
versjevorsje
verslaan, (ww.) verslæn
verslagen, (ww., v.deelw.) verslæge
verslapen, (ww.) verslæpe
verslijten, (ww.) verslête
verspillen, (ww.) verdoen
verstaan, (ww.) verstæn
versteendverstiend
verstrooien, (ww.) verstrôie
vertrouwen, (zn.) fedusie
vervelendækeleg
verveloosvurrevelôs
verven (ww.), zie ook 'schilderen'vurreve
verwaandverwænd
verwaandheidgrooseg'êd
verwaarlozen, (ww.) verwærlôze
verwachten, (ww.) schatte
verwijzen, (ww.) verwêze
verzadigd, (ww., v.deelw.) verzædegd
verzadigen, (ww.) verzædege
verzagen, (ww.) verzæge
verzamelen, (ww.) verzæmele
verzoek, (zn.) verzook
verzoeken, (ww.) verzooke
verzorgen, (ww.) verzurrege
verzorgingshuisverpleeg'ûs
verzorgsterverzurregster
verzuipen, (ww.) verzûpe
verzwijgen, (ww.) verzwêge
viesvês
viezerik 1.stinkert
viezerik 2.vêzerik
viezerik 3.vûlek
viezigvêzeg
viezigheidkêm
vijfvêf
vijftienvêftien
vijftigfêfteg
visafvalgrom
vishandel, (ambulante -) 1.gosie
vishandel, (ambulante -) 2.negosie
VlaardingenVlæring
VlaardingerVlærdinger
vleesvlês
vleien, (ww., in ongunstige zin) slême
vlovlôi
vloekvlook
vloeken, (ww.) vlooke
vlooienbeetvlôiepik
Vlug afgemaakt werkRoefel de goj werk
volmaaktvolmækt
voorproefjeproofje
vorigeverlôpe
vorkvurrek
vraag, (zn.) vræg
vragen, (ww.)vræge
vriend 1.kammeræd
vriend 2., (in geval van relatie) vrijer
vriendjekammereitje
vrijdagsfrêdags
vroegervreuger
vroeger, zie ook 'destijds'vrooger of vreuger
vrouwenborstpæs
vrouwtje 1., een wat zielig -zieltje, 'n -
vrouwtje 2., een wat typisch -ijkje, 'n -
vuil 1.vûl
vuil 2., extreem -verrot
vuilnisvulles
vuilnisbakvullesbak
vuilnismanvullesman
vuistvûst
vuistslag 1.opdomes
vuistslag 2.optæter
vuurpot, (signalering bij bomschuitvisserij, oud) stækelpot

W

waarwær
waardevol, zie ook 'mooi 2.' en 'prachtig'kostelek
wachtjekrûge monk
wafelwæfel
wagen 1., (ww.) wæge
wagen 2., (zn.) wæge
Walviswallevis
wandelen 1., (ww.) kuiere
wandelen 2., (ww.) 'n lôpje mæke
wandelingetje 1.kuiertje
wandelingetje 2.lôpje
wangenkône
wanneer'oenêr
wapenwæpen
waren, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) wazze, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
warhoofddwarrel
wasem, zie ook 'damp'wæsem
waterwæter
watertorenwætertoren
waterverfwætervurref
wcplee
weduweweedevrouw
weeksalarisweekgelletje
weersveranderingverlôp
weeshuiswês'ûs
weeskindwêskind
weg (zn.) wegt
weggelegd, (v.deelw.) weg'eleege
weggelegd, (ww., v.deelw.) weg'eleege
weggooien 1., (ww.) weggôie
weggooien 2., (ww.) wegmikke
weggooien 3., (ww.) sêze
wegraken 1., (ww.) zookræke
wegraken 2., (ww.) kwêtræke
wegwerken, (ww.) looze
wegwezen, (ww.), (als opdracht) opneuke
weifelen, (ww.) wêfele
weigeren 1., (ww.) wêgere
weigeren 2., iets -, (ww.) verdije
weinig 1.wêneg
weinig 2.Schetert
weinig 3.'abbekrats
weken, (ww.) wêke
weljabejæt
wellustiggrûzeg
welnubenon
welopgevoed, zie ook 'deugdzaam'ordentelek
wereldwurreld
werelds, zie ook 'wuft'wurrels
werfwurref
wespweps
wij, (pers.vnw., verouderde woordvorm) me
wijfwêf
wijswês
wijzen 1., (ww.) wêze
wijzen 2., (zn., mv.) wêze
wind 1, . (krachtig) bries
wind 2., (minder krachtig) koutje
wind 3., (zacht) klên koutje
wind 4., (zacht) briesje
wind 5., (zacht) vausje
woensdagweunsdag
wonderlijkwonderbærlek
wonen, (ww.) weune
woningweuning
wrijven, (ww.) vrêve
wuft, zie ook 'werelds'wurrels
wuiven, (ww.) wûve

Z

zaadzæd
zaagzæg
zaakzæk
zaalzæl
zadelzædel
zagen, (ww.) zæge
zaligzæleg
zaligheidzæleg'êd
zaniken, (ww.) zæneke
zaterdagzæterdag
ze, (pers.vnw., mv.), zie ook 'hen', 'hun' en 'zij'zûlie
zee
zeekaakkæk
zeelui bezoeken na binnenkomstverwelkomme
zeemzêm
zeepzêp
zeer 1., (bw. van graad) 'ar (t) stikke
zeer 2., (in de zin van pijnlijk) zêr
zeereisje, kort -priesje
zei, ik -, jij -, hij -, (ww., ovt.) zee, ik -, jij -, 'ij -
zeiden, wij -, jullie -, zij -, (ww., ovt.) zeeje, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
zeilzêl
zeilen, (ww.) zêle
zeilloggerzêllogger
zeszus
zestienzustien
zestigsusteg
zeuren 1., (ww.) zæneke
zeuren 2., (ww.) kliere
zeuren 3., (ww., plat) ouwe'oere
zeurpiet 1.zænek
zeurpiet 2.klier
zeurpiet 3., (plat) ouwe'oer
zevenzeuve
zeventienzeuvetien
zeventigseuventeg
zichzelfz'n êge
ziek zijnmekeerende weeze
zielepoottoppert
zien, (ww.) zie ook 'kijken'kikke
zij, (pers.vnw., mv.), zie ook 'hen', 'hun' en 'ze'zûlie
zijn 1., (aanw.vnw.) zên
zijn 2., (ww.) benne
zijn 3., wij -, jullie -, zij -, (ww., ott.) benne, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
zijn 4., (ww., ott., verouderde woordvorm), zie ook 'hebben''ebbe, ik 'eb, jij 'eb, 'ij 'êt
zijn 5., (ww., ott., verouderde woordvorm), zie ook 'hebben', wij -, jullie -, zij -'ebbe, me -, wij -, jûlie -, zûlie -
zilverzullever
zoekzook
zoeken, (ww.) zooke
zoekmaken, (ww.) zookmæke
zoekraken, (ww.) zookræke
zomerzeumer
zomersseumers
zondag 1., zundag
zondag 2., de in ere te houden -de kosteleke zundag
zondagssundags
zonde 1., sunde
zonde 2.zunde
zoonzeun
zorg 1meleur
zorg 2.zurreg
zorgelijkzurregelek
zorgelooszonder zurrege
zuidzûd
zuidelijkzuielek
zuiden, het -zuie, 't -
zuidoostzûd-ôst
zuidoostelijkzûd-ôstelek
zuidoosten, het -zûd-ôste, 't -
zuidwestzûdwest
zuidwestelijkzûdwestelek
zuidwesten, het -zûdweste, 't -
zuidwester (hoofdbedekking) zûdwester
zuidwester (wind) zûdwester
zuigen (ww.) zûge
zuigerzûger
zuinig 1.zûneg
zuinig 2.krentereg
zuinig iemandeepekreet
zuinig, heel -neetereg
zuinigheid 1.zûneg'êd
zuinigheid 2.krentereg'êd
zuipen, (ww.) zûpe
zuiplapzûpert
zuiverzûver
zuurpruimsaggerên
zwaanzwæn
zwaar 1.zwær
zwaar 2.lôieg
zwaar op de handzwæreg
zwaardzwaert
zwaardzwærd
zwager 1.zwæger
zwager 2. (vertrouwelijk) zwæg
zwijgen, (ww.) zwêge
zwoegen, (ww.) ottere

12 opmerkingen

  1. Een inwoner die van buiten schevingen komt noemt men een sudetenscheveninger of wordt ook wel vreemde genoemd.
  2. Een ommekantje met butter en sukker = een boterham met boter en suiker
  3. Het Schevenings is een der Zuid-Hollandse dialecten. Het kent vooral sterke overeenkomsten met het Katwijks. In iets mindere mate treft men overeenkomsten aan met de Zuid-Hollandse kustplaatsenTer Heijde en Noordwijk. Relaties met het Fries of met het Engels of Skandinavisch zijn niet aangetoond en zijn bovendien weinig waarschijnlijk. De bij de Nederlandse dialecten geplaatste Overzichtskaart der Nederlandsche dialecten van Jac. van Ginneken is derhalve zeer betwistbaar, althans waar dit het Schevenings (en in dezelfde mate ook het Noordwijks, het Katwijks en het Terheijdens) betreft.
  4. Het is binnen het Scheveningse spraakgebruik opmerkelijk dat er een verwisseling plaatsvindt in het gebruik van de bijwoorden ‘bij’ en ‘met’. Zo zegt men: (B) ‘Ik gæt bij-je mee!’ (/B) wanneer men bedoelt: ‘Ik ga met je mee!’ Daarnaast zegt men: (B) ‘Ik ‘eb met-te slæger ‘eweest!’ (/B) wanneer wordt bedoeld: ‘Ik ben bij de slager geweest!’ Verder is opmerkelijk dat in het Scheveningse spraakgebruik het hulpwerkwoord ‘zijn’ in bepaalde gevallen wordt vervangen door het hulpwerkwoord ‘hebben’. Zie bijvoorbeeld in de voorgaande zin: (B) ‘Ik ‘eb met-te slæger ‘eweest!’ (/B)
  5. In (B) De spreektaal van de Scheveningse kustbewoners (/B) (2004) van Piet Spaans wordt uitgebreid op de Scheveningse woordenschat ingegaan, evenals op de relatie ervan met het Hollands zoals dit wordt beschreven in (B) Het Woordenboek der Nederlandsche Taal (/B) (WNT) .
  6. Indien men bij bepaalde Scheveningse woorden het (B) Woordenboek der Nederlandsche Taal (/B) opslaat dan treft men deze woorden - hetzij gelijk, hetzij vrijwel gelijk - daarin aan. Dit geeft aan dat het Schevenings duidelijk is gerelateerd aan het Hollands zoals dat enkele eeuwen geleden ook in dit landsdeel werd gesproken.
  7. Mijn moeder zei vroeger wel: 'Doe je peppers ût.' Wij begrepen: je 'schoenen'.
    N.B. Een door deze inzender vermoede relatie met 'klompen' die van peppelhout (populierenhout) worden/werden vervaardigd en een veronderstelling dat hieruit het woord 'pepper' zou zijn onstaan zijn niet houdbaar. Het WNT, Verdams Middelnederlandsch Handwoordenboek en het Katwijks woordenboek bieden evenmin daaromtrent enig houvast. Piet Spaans.
  8. Soms hanteerde men in de 18de en de 19de eeuw de plaatsnaam Schevelinge. Deze heeft geen historische onderbouwing. Het moet dan ook eerder worden gezien als een vorm van bellettrie. De oudste vorm van de plaatsnaam is terug te vinden in een 13de eeuws document van de Graven van Holland en Zeeland. Daar wordt gesproken van Sceveninghe.
  9. Storm of Sturm is ook een scheveningsenaam .
  10. een open brook droegen meue kee, s onder dr rokken met ut boeten . of kaken enz. n meue kee is een scheveningse in dracht .
  11. oma Storm en opa Vrolijk hadden n meisjes tweeling in hunner gezin .
  12. van Zanen is van de Sneavel in nederlands de snavel . maar van oma, s kant Jeapie Oosterbaan ook van de wallevis of de walvisvaarder. .