Rillaars dialect

Dialecten > Vlaams-Brabant > Rillaars
Het dialectenwoordenboek Rillaars bevat 41 gezegden, 205 woorden en 9 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

41 gezegden

's morgens vroeg's mijreges vrug
als eerste mogen beginnen bij het (kaart) speloep de veujhand zitte
Bij jullie thuis doen jullie het zoals jullie het zelf willen maar hier niet.Talest doede goalle n't galakkes goalle da zelf wilt moo hie nie.
Dat is een bazige vrouw.Da's nen echte zjendijrm
Dat is erg.amaai menne frak
Dat is rommel (i.v.m. kwaliteit van iets) .Da zén kweddele.
Dat valt je tegen nietwaar.Da's tegen aa gat gesniët hé.
De bieten rooienDe groëte biëte doen
Die doet alsof hij een gezondheidsprobleem heeftdieje hij 't sintemedunkt
een brave maneen goei pijr
een stommiteit doenNe schoeëne stoeët doen (of oatsteke of afbringe)
erwtjes en worteltjes (gerecht) aikkes en poikkes
flauw vallenVan ze/heur zelve goan of Van zenne/heure sus goan of Van zenne/heure klot valle
haar boezemheure kommisveu
Hakselen tussen de jong bietenplantjes om het onkruid en de ongewenste bietenplantjes te verwijderen.De kloan biëte doen.
Het graan op het veld handmatig van het veld afsnijdenkoren pikken of afpikken
Hij blijft maar zagen (figuurlijk) .Hoa zit oep ne wiër.
hij gaat/loopt/rijdt/vaart/vliegt/... snelHoa goat'er nogal e gat oat
Hij heeft zich doodgewerkt.Hee z'n oage doeëdgewrut.
Hij is dronkenZ'n klak stoa schiëf
iemand met een gelijkmatig karakter, onverstoorbaar iemandne zuute gezaate
iets niet goed durven/vertrouwendoa zen ik ni scheutig oep
Ik had een stuk hout vastIk had een haat vast.
Ik zie daar mee af.'k Zien doo menne peere mee.
Ik zou maar niets zeggen als ik jou wasZwégt mo stillekes stil
in zijn of haar nakiein zoane of heure mooiënox
Je hebt me mooi liggen.Goa zoa ne schoeëne goa of ook: goa zoa ne gelèttige
Je hebt wat aangericht.Gé 't wad oatgestoke.
Je kunt de boom in.Ge keunt erroan hange dan hedde 't zwiere verniet.
krankjorumzoeë zot as stieleboës
Mag ik eens .... (bv. iets vragen) Ma'k és ... (bv. iets vroage)
met een gloeiende pookmee ne glointige keuterhoak
regen bij zonneschijnkermes in de hel
ruzie hebben met iemandkweddele hemme mee iemand of in kweddele ligge mee iemand
stampvolzoewe vol as ne pensketel
stuk zeep, klot ziëp
vallennen totter doen of nen totter moake
Van ginder is een dreigende lucht in aantochtGinder komd e zwétsel af.
We gaan vlug vooruit/We maken snelheidMe Gèn d'r e gat oèt
Ze hebben mij goed liggen.Ze hemme me (goe) boè m'n kloeëte.
zijn plicht doen (meestal - hoewel niet uitsluitend - wordt de mannelijke echtelijke plicht bedoeld, bv.: Z' hij t'm loate zitte, 'm zal z'n devoeëre nie goe gedoan hemme zekers.) z'n devoeëre doen

205 woorden

(vloer) trekker, vloerwisseraftrekker
(vroegere) rijkswachterzjendijrm

A

aanstekerbrikké
aardbeieneijerbeze
aarde (grond) eijer
aardkluiteijerklot
AarschotOsschot
altijdallemeleive
andersomanneszoem
armoedeairmoei
artsdoektoor
asse van verbrande kolenSkramoelle

B

babbelziek persoontettergat
Bedriegen/valsspelenhoarzakke (hoarzakte - gehoarzakt) of hoarzak doen
bedrieger, valsspelerhoarzakker
bedrog, valsspelhoarzakkeroë of hoarzak
beitelbatel
berichttawening
bij (insekt) bieke
bijlboël
bijltjebailleke
bijna of binnen kortbediëmet
boerenkoolpettaisch
boomboewm
boomgaardboeëget
breienstrikke (strikte - gestrikt)
breigarensajét
breiwerkstrikwijrk
bundel samengebonden stokken of twijgenhijtsel

C

champignonskampernoelles
CharleroiSjélleroeë

D

dadelijksebiet
dekensasze
denigrerend de baas spelenoverbabzakke
denkenpaaze (paasde - gepaast)
dikwijlsdikkes
doelloos rondstappendémmele (demmelde - gedemmeld)
dommerikstoikkes of stoitjes, ook wel meniër of madam stoikkes/stoitjes
dorsendeusse
drukknoopjeknétserke
duitse v2 raketvliegende boem

E

echtgenootweergoa
een harde werkerne wruter
een plak vb. hesp of kaaseen schel
een stevige te duchten vrouwe fort
eine gatbol of aar
EmmerIeemer/iëmer
erwtaat

F

FazantFesant
fiere madamflauwsmie; ook wel eens: floosgat
fietsvlouw mv vlouws
flauwe niet steekhoudende argumentatieoale

G

gasfornuisgaasvuu
GeitGaat
geluksjans
glaceePellepetteejke
gladgelètteg
gloeiend heet of alleszins heel heetgloentich of glointig
goeie moediever
goochelaarskameteur
GrachtHol
gracht (de) 't hol
grasgés
graspolrös
gratisverniet
gruwelijkgralek
gulpspin
gulzigaardsloekker

H

hak (tuingereedschap) krebber
hakenkresteejre
handtassekosch of sakkosch
hanger voor halskettingberlok
harkgritsel
heethiët
hemdhum
HenHin
herfstboamestawed
hiel (van de menselijke voet) véssem
hondenhokhonnekot
horlogearlazze
houthaat
huwen, trouwentrave (traafde - getraad)

I

idiootmetteko
iemand die maar aanmoddert of ruzie zoektkweddeleer
iemand die niet genoeg kan krijgenmuëk
iemand die onder de modder zitmoosduvel
iemand die veel wiltweurcht/weurrege
in vergelijkingnavenant

K

kalenderallemenak
kamizool, buis, nauwsluitend kort jasje zonder panden met een of twee rijen knopen, ook gebruikt voor een colbertkammezool
kerstboom/ kersenboomkezzeboeëm
kinderwagenkindervwatuur
klimmenklèffere
klompen (het gekende houten schoeisel) blokke
kluitklot
knikkerélleber
knikker (grote) boemkét
KoeKoei
KonijnKernaen
kookfornuis (ook elektrisch) 't vuu
koukaa
koutkaat
krachtfors
kroonkurkpenneke
kroonkurkwipper (waah da Nederlands toch) aftrekker
kruiwagenkrawogel
kwartierkettier

L

LadderLiër
landbouw- of tuinhakjekrebber
leibandlits
lepelleper
luid pratenklaisstere

M

maskermoembakkes
mazenmooze (herstellen van breiwerk (dikwijls (slijt) gaten in sokken) waarbij met de naald zo nauwkeurig mogelijk de breisteek werd nagedaan. Gebeurde courant tot in het begin van de jaren 60 en was een hoog aangeschreven vaardigheid die zeker niet iedereen beheerste.
MeisjeKint
miermuurzoak
moe/vermoeidmuug
moeilijke eterkiëvereir
morserbraggeleer
motoragentzwainke
motorrijwielmotseklét
musketonhaaksnèp

N

nachtkleedrobe
niet bebouwde grond bij een woning/erfhet geleig
nochtanspertang
nootjesneukkes

O

ofoef
omgekeerdanneszoem
ongewenst kruimels laten vallensmaggele
onhandig met iets of iemand omgaan, ruzie maken, slecht bezig zijnkweddelen (kweddelde - gekweddeld)
ooitvameleive
opnieuwvanhijr
overactiefgrawellig
overal (integraal werkpak) clown

P

persoon die zich nogal gek en niet ernstig gedraagttutte
politieker, grote baas, iemand uit hogere kringendikkop
postzegeltemper
preipoor
problemenkweddele
pronkzuchtfloos
pronkzuchtige persoonfloosgat

R

raar (bijv nw) odig
raar (bijv. nw.) vies
RadioRaddiau
rare (zelfst nw) odige of vieze
regenwormpiet
rijdenraaje (ik raa, goa rét, hoa rét, woalle raaje, goalle rét, zoalle raaje
RillaarRulloor
RillaarsRulloors
rits/ritssluitingritser, tirret

S

SchaatsenSchoafferdoanen
scheiding tussen twee percelen't schië
schijnbaar deugdzame vrouwhoaleg beeleke
SchoonderbukenSchunnebroek
SchorsenerenSchosseneile
schuurpoortschuupoot
sikkel (snijwerktuig) zoachel
sjaaltjeNe sjal
slapendeurre (deurde - gedeurd)
sneeuwensnië of sniëve
snorsneus
spatten, bespattendretsen, bedretsen
spek in de betekenis van enigszins sponsachtig, op de tong smeltend snoepgoed in plakjes die op een stuk doorregen spek lijkenmaskesvliës
spijbelenhoagschool doen
spinspinnekop
staartstejet
steenkoolhoelle
stoep, voetpad of verharding voor het huisbraa
straksfleus
StruikNen heust

T

TarweTairef
tegelijkertijdimpessant
TelevisieTellevies
terugvroem
terwijlswenst
tevredenheidkonténtemént
trage persoonloatentoët
tuimeling, koprolpumpellepaa

U

uitrekkenlaëpe (leep - gelepe)

V

vallentottere (totterde - getotterd)
vals vrouwmenspetang
veldwachter/boswachtersjampetter/garde
venijnige vrouwpekelteef
vergietzift
verschillendtefrènt
vestjee janneke
vestjekamezool
voorvork van een fietsfoers
vorkverkét
vuile of zware schoenenkloeffers
vuur, fornuisvuu
vuurtjevurreke

W

wasknijperwasspeter
Wastobbebassènj
wat ondeugende persoon met droge humorne gruune
wesppeirwispel
WespPeerwispel
wortel (groente) poeët
wortelpureepoewetstoemp

Z

zak (in kledingstuk)tés
zoutzaat
zwaardzwéjèt
zweepklits
zweepje van soepel hout (meestal wilg) wisp
zwoerdzweus of zwais (wordt ook wel eens als scheldwoord voor een vrouw misbruikt)

9 opmerkingen

  1. De `o` wordt in het Rillaars niet met getuite lippen vooraan in de mond uitgesproken. Deze klank wordt zoals gewoonlijk in het Rillaars vanuit de keel met ontspannen lippen uitgesproken wat een klank geeft die zowat het midden houdt tussen een a en een o.
  2. Kammezool. Tot ergens in de jaren 60 droegen veel mannen die hoofdzakelijk handarbeid verrichten een vrij nauw aansluitende korte jas met lange mouwen en twee rijen knopen. De basisstof van deze jassen was grofribbig fluweel (veelal zwart of een andere onopvallende donkere kleur) . De vest of buis werd winter en zomer gedragen dikwijls in combinatie met een pantalon in eveneens grofribbig fluweel. Om de outfit volledig te maken hoorden hierbij nog een pet in dikke stof (de klak) en klompen (de blokke) . Degenen die het zich konden veroorloven hadden een kammezool voor door de week en één voor 's zondags. Het kammezool werd als het niet te warm was, ook gedragen om handenarbeid in te verrichten. Vandaar dat de doordeweekse kammezool dikwijls met stevige stof versterkt was op o.a. de schouders en aan de ellebogen. Aanpassingen en herstellingen waren veelal door de echtgenote of moeder met naald en draad uitgevoerd. Het werd toen nog normaal geacht dat een volwassen vrouw daarmee wat overweg kon. Het woord kammezool werd ook gebruikt voor de jas van een kostuum of voor andere korte jassen die daar op leken.
  3. Koren pikken. Toen er nog geen of weinig pikdorsers (pikdeussers) waren werd het graan (bv. tarwe (tijrf), rogge (kore), gerst (gèst), haver (hoaver), ...) afgsneden met een soort zeis die op een korte steel met haaks handvat stond: de `pik of korepik`. Het koren werd daarbij opzij of opgeheven met een vrij lange haak op eenplatte steel van een goeie meter stond: de pikhoak. Het graan met stro werd door helpers (dikwijls de vrouw en kinderen) in bundels (de schoeëve) met stro samengebonden. Als het weer het toeliet werden de schoven tentvormig samengezet op het veld om het nog verder te laten drogen. Daarna werden de schoven met de kar naar de dorsmolen (deusmeule) gebracht of in de schuur op de dorsvloer (deusvloer) handmatig gedorst (gedeust) met vlegels. De graankorrels werden in het laatste geval van het kaf gescheiden in de wanmolen.
  4. Rillaar is thans tegen wil en dank een deelgemeente van Aarschot. De uitspraak van het Rillaars verschilt echter merkelijk van het Aarschots. De kenmerkende Vlaams-Brabantse platte aa van het Aarschots wordt quasi altijd vervangen door een oa of oë- uit te spreken als owa, resp. owe, zonder nadruk op de w.
  5. Sommige woorden in het Rillaars kunnen door buitenstaanders nogal eens verkeerd begrepen worden. Iemand uit Rillaar die achter zijn geile aftrekker vraagt, vraagt eigenlijk gewoon naar zijn gele kroonkurkwipper of vloerwisser. Even gevaarlijk dus als een Vlaming die het in Nederland over de liggende wip heeft.
  6. Tot in de golden sixties konden veel mensen uit Rillaar in eigen streek onvoldoende geld verdienen om rond te komen met hun gezin. Velen gingen dan ook geld verdienen in seizoenarbeid (suikerbiet, dorsmolens, ...) op landbouwbedrijven in Wallonië waar de harde werkers welkom waren. Zolang de fysiek van de vrouw het toeliet, vertrokken gehuwde koppels zelfs voor meer dan een maand samen, waarbij hun kinderen dikwijls werden opgevangen door de grootmoeders. Heel wat mannen lieten op permanente basis voor telkens één of meerdere weken vrouw en kinderen thuis achter om als boerenknecht in het Franstalig landsgedeelte te gaan werken. Daardoor komt het dat het Rillaars doorspekt is met nogal wat Franse termen die wel wat aangepast zijn aan het Rillaars taalgevoel.
  7. Weergoë heb ik steeds horen gebruiken door vrouwen als ze het enigszins formeel over hun echtgenoot hebben (vooral door de generatie geboren voor WOII. Het vindt zijn wortels waarschijnlijk in het middelnederlandse `wedergade` dat wederhelft, anderhelft, tegenhanger of gelijke aan iets betekende. Het woord gade bestaat trouwens nog steeds in de betekenis van echtgenoot.
  8. gebruik van het lidwoord een: ne voor een mannelijk zelfst. nw. beginnend met een medeklinker uitgezonderd de h, nen voor zelfst. nw. beginnen met een klinker of een h, indien voorafgegraan door bijv. nw. wordt rekening gehouden met de eerste letter van het bijv. nw; voor vrouwelijke en onzijdige naamwoorden ben ik er nog niet uit.
  9. zwainke De vroegere Belgische Rijkswacht deed motorpatrouilles in teams van twee. Ze waren algemeen gekend als zwaantjes - zwainkes in het Rillaars. Deze dienders - de Rijkswacht was eigenlijk een onderdeel van het Belgisch leger - in lederen outfit waren gekend om hun gestrengheid en dus vrij gevreesd door vooral de weggebruikers. Hun voertuigen waren blauwe Harley-Davidsons (Blue Electra Glide), waarop ze in een fiere zit rechtop, rondtoerden op zoek naar verkeerszondaars.