Neerharens

Dialecten > Limburg (BE) > Neerharens

Neerharens bevat 21 gezegden, 484 woorden en 1 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers.

PDFLog in

21 gezegden

Daar vaart een boot op het kanaaldoa veurt e sjeeëp op de knaal
dan zeg je soms...daan zeks ste dèks...
dat is mooischik is mieg dat
die is niet goed wijsdè hait unne remmel los
doe niet of je neus bloeddoêg neet of den naas blooid
ge kunt me watlaup noa de poomp
ge kunt me watde kens mich get
het gaat niet van alleendat is allemoal gein hoarsnije
het is nogal watdat zin nogal lappe
het kan hem niets schelener gebört noa niks
het kan nog wat durenveer zin nog neet aan de nuij eerappele
hij bekommert er zich niet omer gebiert er neet nao
kroeiegaank es get graas 'kroeie' veur de knien (met de hand)
naar huis gaanheivers goan
ongelooflijkde bès neet good
pikdonkerich zeen neet wat ich zèk
Pst ... kinderen luisteren mee!doa zitte doeve op 't taak
vluchtenop de luip gaon
vuurke stokenvunkele
waar blijven jullie het vandaan halenboe blijf ger het hoole
waar ga je naartoeboe geiste naotow

484 woorden

A

aalbessenwiemere
aanrechtpoompebak
aardappeleerappel
aardbeieneerbeie
aardedrek
aardwormpierlink of pierelink
accordeonmonika
achtach
achterwerkvot
ademenaujeme
allemachtigjummich
armèrrem
aubestebleef
autooto
autopedtrontenet
AzijnEtsje, azien

B

babbelblètch
babbelenrizeneren
bakhuis, ovenbakkes
bakkerbekker
bangelijkbengkelek
beangstigendbengkelek
bedwelmdverduusjeld
BeHatettegèr
belgbelsch
bewasemdbezwaajemp
bezitterigheppetig
bibberenrijere
biddenbeie
bierbuikbeerpens
bietenkroote
billenbatse
binnenkoer'tgelaig
bladblaat
bladerenblaaier
blauwblaw
blijvenblieve
bloedenblooie
bloemistmeierke
bloemkoolbloomkuujl
boerenröpsjele
bomma-mem
bordtleur
borstelbeurstel
bos bloemenwösch bloome
bosbessenwoalbere
braambessenbroomele
bretellenhullepe
briefbreef
broekbrook
bromfietstufke
broodbroed
brugbrök
bruinbroewn
buikboek
buitenboete

C

cafemesjeu

D

daarstrakstestrak
dacht jetunksste
dakgootkernis
dakgootkaangel
der uit!droet
deugnietbatraaf
dialectplat
dialectdialek
dikwijlsdèkker
dinsdagdeensdig
doekjelèpke
doekjesdeukskes
donderdagdonderdig
donkerdoonker
door de weekswerdes
doornendeuwn
doosdoews
dorpscaféMesjeu
draaipoortbreer
driedreïj
drinkenlepsche
dronkenzaat
duifdoef
duivendoeve
duiventildoevekot
duizeligdeuwl

E

echte deugnietdoerak
eenein
embouchureammezjuur
emmerieker, ummer
emmertop
emmerummer
erf (het) gelaig
ergerensjangernere
ergernissjangering
eruittroet

F

fel, hevigievetig
fietsfits
fietsenherstellerfitsemeeker
fluitjefeepke
franjesfrengelkes

G

gagaank
gans (vogel)gajs
gatgaat
gazettenpapiergezèttepepier
gazonpeloes
gedoegedoons
gelijkspelenbofspele
genoeg (stop) schei-oêt
GerardZjier
gijdiech
gijgeer
glijden (op ijs) kejje
goedgoot
goedendagjow
goedendaghui
gootregol
grachtgröb
gras afrukkenkroeie
grasplaggroos
gravenböttelle
grendelsjaw
grendeltjesjewke
gretigheppetich
griepgrip
grijsgriez
groengreun

H

haarlijnsjeigel
haarplukstroef
handighennich
handschoenhaaisch
handtasschacosch
handvolhaamfel
hangslotkloester
haringhiering
harkreek
hebbenhöbbe
hekkenbreerke
hemdhumme
hespschink
hijheer
hondhoooond
hoofdkop
hoofdkaashuitvleisj
hoofdpijnkoppien
hoornsheun
horenhuure
houweelbikkel
huilenbeuëke
huishoes

I

ietsget
ikiech
in elkaar zettenin ein fisternullen
italiaanitaliainder

J

jammereniemere
jaweljoot
je hebtde höps
jeneverdröpke
jijdieg
jodiumtinctuurtenterdjot
julliegeer
jullieg'r

K

kaaskiës
kamkaamp
kamwielkaampraat
kanaalknaal
kandelaarkènkee
kapperlewieke (is de naam van een in neerharen geboren kapper)
karamelker'mel
kastanjek'stangel
kauwdeulke
keiklaw
kermenkuume
kikkerkwakker
kikkervisjekoelekop
kinderenkeinger
kiphin
kippenhokhinnekot
klauterenkleffere
kledingkleier
kleermakersnieder
klein grutgevuchel
kletswatch
kletsenmoele
kletsmadamheggetaatsj
kleuterleidsterfreubel
klokhuiskeetsch
klungelenbegaaie
knijpenpitsche
knikkeruif
knikkers, knikkerenuuve
knoopknoup
koekoo
koekjekeukske
koffiezeefjezi-jke
kolenboerjef-van-teun (zie ook kapper, dit is ook een eigennaam van de plaatselijke kolenboer)
kolenboerkolemersjang
komkoomp
konijnknien
koordtow
koordjetuijke
kopjetas
koprolkoekellebaum
korfkurref
kousenhooze
kousophouderbingel
kraanvogelkroenekraan
krabbenkretse
krabbensjroompe
kromkroomp
kruimelsgreumele
kruimeltjegrömelke
kruipenkroepe
kruisbessenkroonsjele
kruiwagenkroekar
kuikenkuukske
kuipbesing
kussen (zoenen) puwne
kwaadkoet
kwaad (heel erg) giftig

L

laarzenbotte
ladderlödder
ladelaai
lichaamlief
lichaamprei
licht regenenZeivere
liftlif
lollylekmenlup
luchtloch
luchtigloch
luciferszwegelkes
luidsprekeroperleur (haut-parleur)

M

maandagmoandeg
maarmèr
manierenmeneere
mannekemenneke
mannenmanslui
mannetjes duifunne hore
medelijdenkompassie
meestaldeks
meestermeister
meisjemèchje
melkmèlek
mesmets
mesthoopmèssem
mieroamzeik
mijmiech
mijn manmiene minch
mijnheermesjeu
modderpratsj
moedermam
moestuinmosem
mooischjoen
mooischik
morgenmörrege
mototuf
musmösch

N

naaisterniejster --- njeers
naaldspang
nadenkenprakkezeren
nagelsneegel
natnaat
nederlanderhollender
nee maarjummich
NeerharenNeeraare
NeerharensNeerhares
negenneuege
netelnietel
neusnaas
neuskeutelwouf
nieuwnuij
niezenneeste
nijptangpitsjtang
nijptangpitschtang
nooitnoewts
nunoow

O

ogenpupsje
ogenauge
ogenpupche
omum
onbeleefderikastranterik
ondergoedlievend
onderhemdjelijfke
ondersteunenstiepe
onkruidònkroet
onmensdoerak
onzelieveherebeestje; lieveheersbeestjemeulepèèrtsje
oogvuilpupch
ooitoewts
opnieuwopnuij
opstandigopstenaot
opstandige vrouwtoei
opvangenprikke
orenoere
overdrijvenbegaje

P

paadjewèègske
paardbaj
padkroddel
pantoffelssloofe
pappapap
parochiebladde plich
pastoorGuske
pastoorpestoer
perzikpees
petpatsj
pierpierlink
plagenkoeënere
pluimploem
pluimvèèr
pluimenploeme
plukjestroef
plunjezakpungel
pontveèr
pootjepuutsje
portemonaigeldbuijel
postzegeltember
pracht duifeen zije
pralineperlien
preipoor
preskophuitvleisch
pruimenproeme
punttump
PVperses

R

rail, tram- of treinspoorrôt
reagerengebiere
regenbuisjoor
regenjaskeboa
rietjefeepke
rijkswegsteijweeg
rillenrijere
roddeltanteblètch
rolluikvallèt
rommelbezaar
roodroewt
roofingpapendek
ruggenwervelrökestrank
ruienruzele
ruilentoesje
ruzie stokenstuike

S

schaduwkeuleschjaai
schaduwkeuleschaai
scheermessjaars
scherfsjrapnel
schoenensjoon
schoensmeerwiks
schooltaskalbas
schopsjoop
schortschjolk
schrijvenschrieve
schrobbensjroompe
schuimsjchoem
schurensjoore
slaslaai
slijksliek
slipperssletse
sluipensloepe
smeltveiligheidploa
sneeuwsnie
snippersknitsjele
snoepschlok
soepsop
somsmèt-toere
spaakspijk
spadesjöp
spakenspeike
spanjaardspanjool
spiekal
spiegeltentzwik
spijtigspietig
sprekenkalle
spuwenspeie
st.jansbessenwiemere
steedsummertow
steeggats
stekelbessenkroonsjele
stierdeur
stoefenstuute
stoeferopsjöpper
stoeferstuuter
stoelstool
stoepluif
stofdoeklommel
stofjasstöpjas
strostru
stropdask'rvat
stuk makenverénewere
suppositoirstöpke

T

takkentek
tarweterref
tegenwoordigalleweil
terugtrapremTorpedo
terugtrapremtröktrap
tientieën
timmerentummere
toilet´thuuske
tuinpoortbreer
tweetewie
tweetwje

U

uitoet
uitgerektoetgelemp
uitkijkenoetkieke
uitslovenwouven

V

vaderpap
vakerdèkker
van mijvan miech
varkenvèreke
varkenverreke
veiligheidsspeldtouwspang
ventielsepap
verwiet
verdoofdverduusjeld
vergietzijbar
vergiet (zeef) zeibaar
verklappenblètsje
verknoeienvertèstellewere
verkreuktverkrunkeld
vervelendambetant
vervelendeambetanterik
veterrijstartel
vierveer
viezerikonnötter
vijfvief
vingersdoeëme
vishengelvösjgèèrt
vliegtuigvleger
vlierstruikheulenteir
vlinderpiepel
vodjeslummelkes
voetvoot
voetenveuj
volantvelang
vonken makenvunkele
vorkversjèt
vrijdagvriedig
vrouwenvroului
vuilvoel
vuilakdrekbair
vuilerikdrekbêr

W

waarwaor
waar (vragende vorm) boe
waardelooskloete
waaromwoerum
waaromvurwat
waarvoorboeveur
waggelendaazele
wasdraad-paallievespoal
wasgoedlievend
wastobbebessing
watget
waterkraanpoomp
watertandengiepe
wc't huiske
weerberichtwairberich
wiel, radraat
wielen, raderenraajer
wijveèr
wijfwief
woensdaggoonsdig
wondkorstrauf
wonenwoene
worstwoors
wroetenmoare

Z

zaagzèèg
zaaienzeije
zadelzaal
zagenzège
zak (papier) tuut
zakdoekmaalplak
zakken (in een kledingsstuk) maale
zaterdagzoaterdig
zee (de) zie (de)
zeefzeijbaar
zeepzeip
zeepsopluuter
zeszais
zevenzeëve
zeveraarzeiverêer
zeverenzijvere
ziekkrank
zijzeej
zondagzoondig
zuipenzoepe
zwaluwzwelverke
zweepjesmikske
zwemmenzwömme
zwijgenzwiege
zwoertzwaars

1 opmerkingen

  1. kroemenak (dit wordt gebruikt in de uitdrukking: iemand op zijn schouders zetten)