Sinttruins dialect

Sinttruins wordt gesproken in Sint Truiden

Dialecten > Limburg (BE) > Sinttruins
Het dialectenwoordenboek Sinttruins bevat 62 gezegden, 503 woorden en 4 opmerkingen. Alle woorden zijn toegevoegd door onze bezoekers. Als iets niet klopt of ontbreekt kun je het zelf toevoegen of wijzigen. Log in of meld je daarvoor aan in de rechterkolom.

62 gezegden

't is niet te etenda's nè in oer kloeëte te krèège
brr, ik heb koudSóech, ich eb kaat
doe u ogen opendóet oer kuit oupe
een dik hoofd hebbendee hei ne kop gelek ne ballong
een flauw gedoewa 'n sirrek
een grap uithalen met iemandimmànt ene kloeët aftrekke
een kleine persoondas nog een snòtsnaat
een voorzichtig iemanddas inne dee oege van achter op zinne kop ij stoin
een zeveraarene grúne pour
er werk van makenzen ma opstruupe
ga je mee naar benedengoat-dje-mie-onderaf
gaan julie meegót dzjilles mie
geen zelfstandige persoondee ink nog oan zén maa uire sleip
Heel erg bangStèèf van àntroase
het hazepad kiezenrieëpe snèèn
het is allemaal niet zo makkelijk't is allemoal gin hoarsnijes op ne kletskop
het is de uwetis dee van óechliengs
het is niet te gelovenda ei ginne noam
het regent dat het gietet regelt aa vrouli
het werkt niet meeret gie nemee
het wil niet vlottenich zen ant suggele ver ont mattele te geroaken
hij heeft het bij mij verkorvenee ei mich in mén ròòpe gescheite
Hij is dronkenDee ei zen kloewte vol Dee ei è stuk in zen kloewte
hij is erg domdé is zoe stoem as ùt pjaad van Christus
Hij is luidee ei bùl ònder zen èrrem
hij zit op wcee zit op et ùiske
houden vangèèn zien
iemand die het altijd beter weetdas ne uiverregse
iemand die overdrijftdee is og ne van zen ieste leuge geboste
iemand die vals speeltdas ne foeteleer
Iemand verbaasd aankijkenDje beziet em lek en kaa na ene train
ik heb er genoeg vanda ink mich men kloeëte-n aat
ik heb goed gegetenich hub men kloéte goed volgespeld
ik zie u graagich zien óech gèèn
Ja inderdaad, als dit als dat ...As tant Alice een moustache ha dan was het noenk Remi
Jij gaat er van langs krijgendje goat het onder our klitse krijge
met iem. de liefde bedrijvenéén taamoake
norse vrouwzoerpraam
onder controle houdenin de ridzje-n ààn
onverzorgde vrouw(en) vaal óep
Op stap gaanOere vas aatsloon
op uw gezicht slaanop oer bakkes houn
overdreveneen klein scheit in een groete fles
pas opvuuëgt óech
u moet ik niet!tettekop
vallenop zen bakkes goan ligge
van waar bent u afkomstigvan moe zèè dzje
veel omhaal voor nietseun klein scheit in eun groete fles
Verschrikkenb'en kaa ààn ònder en wèrrem kònt koume
verstaat ge mijversto dje mich
volgzame vrouw(en) goei blùts
waar ga je naartoemoe gót dzje eine
waar gaan julie naartoemoe gót dzjlliengs eine
waar gaat u heenmoe gootje heine
wat ben je allemaal aan het doenwa zèdje allemoal ant foekadzjeire
Wat zegt geWa
wij gaan fietsenve goan be de veuillo rein
Ze heeft witte benen.Dei hei nogal mellekflesse
Zeer nieuwsgiering iemand ...Deeje of dei zou de snot aat ur snaat eete...
zeer vuilzoe zwat as ne haasdouk
zich krabben als het jeuktóech krètse as et juukt
Zijn adem stinktdee ei ne mònt gelèk en ùiske

503 woorden

A

aaltonzeikton
aardappel (ne) petat / jappel (zepperen)
aardbeijaatbeir
abrikozenflaptattepoem
achterwaartsachterwèèts, achteraat
ademoosem, locht
afsnoepenafpuitere (?), àftruggele
ajuindzjaan
ajuinzjaan
ajuinoogdzjaanoeëg
ajuinsoepdzjaansop
ajuintjesdzjùinkes
als iemand u opjaagtmene man
andersomtèstevuire
anjer(en) dzjenoefel
anjerdzjenóefel
appelflaptattepoem
appelmoesprùt / kompot
armbandbrojalet
azijneik

B

babbelen, taterenlameire
badbàsseing
baksteenkreel
bangerd (en) schrikscheit
barreelbarrier
bedbibak
beenbeschermersstrampe
behatettekurf
beroertebeslag
bessenbeire
bigkurre
bij hem thuiste zennes
bij jou thuist' óeres
bijeenbedieën
bijlkastel
blaffenbasse
blauw oogblau kuit
BodemBójem
Boerenrùpsele
bontmantelne pelse paltou
boodschappen doenkommisses doen
boodschappentasnet
BoomBoeëm
bordtaluur
boterbouter
boterhambouteram, bou(ke)
boterhamisnei
braambessenzwatte beire broembeire
brave mensgoeie kloeët
breienstrikken
bretellenùllepe
broekzak (en) tes
broerbrúr
bromfietsmotsjeklet
brrr...wat is het koudsoech
bruilofttrafeest
bruine patermonnebruur
brustems rijhuis (en) kabardoesj
buiksnavelnogelbouk
burgemeestermajuir
bustenhoudertettekùrf

C

constantamoor

D

daardoo
dansendaase
dat is klootjesvolkdas is sopvòllek
de huisbaasden hussier
deegdieëg
dekensoaze
deugnietvadroei
dezedeize
diedee
die is dronkendee is zoat
die van julliedee van óechliengs
dienster/bardameservuis
dierenartsvitterenèèr, pjaadsmieëster
dik paardpenspony
dinsdagdeisdag
domstoem
dommeriktoetuil
donderdagdonnesdag
donkerdoenkel
doodskistzèrrek
doorndeun
doorzakte voetenplatvuut
dorpelzul
draperiestoor
drinkbusbedong
dronkaardzoatzak
Dronken vrouwzeate leut
druifdraaf
druiloormutte
druipneussnotsnaat
druksluitingpitser
duifdaaf
duimdaam
duimspijkerpenèès, peneis
Duivenetene kuireke terf
duwenstoempe
dwarsligger (ne) blotskop
dweilaasdoek
dweilopneemvot
dweilenopwassen

E

Echtgenote, VrouwGieëze
een blauw oogeen vimoog
een dweilnen haasdoek
een jongenne kojoeng
een truienaarne bink, a ras apoat, trùineer
een veulene klei pjaad
een zakdoekne tesneusink
eerste klasmarsjondies
eetbordtaluur
eigenwijs iemandene blotskop
eigenzinnige persoonkèèkop
emmeriemmer
emmertop
ergensieverans

F

ff dansena doaske plaseiren
FietsVuilou veulo
fietspompveilopoemp
flauwe grappengrüne en ziever
fluim (en) grochel
fluitketel(ne) moeëre

G

ga je naar benedengotdje onderaf
gang in het huisvuiraas
gatkoet
gebrand glasvitrouw
gelovengelúvig
geschenkjeskadoukes
Geslachtsgemeenschap hebbenVaugele- poepe-
gevaarlijkpreikeloas
gevaarlijkprèèkeloeës
gevaarlijkpreikeloos
gevaarlijkprèkeloes
gijdzjee
ginggóenk
gisteif
gootzaa
grachtzaa
grappenmakerwabbe
groentelegumme
grondJààt
grootmoedermam
grootvaderpoa
grote mond hebben (letterlijk) een maal gelek ter be een schup gestoken is
gulzigaard (nen) drafzak
gulzigaardpènszak

H

haashoas
haastenspoeje
hakencroschteire
hakencroshteire
Handààn (t)
handelkommèrs
handschoenaas(e)
handtassakkósj
haringhering
harkgritsel
heejjuuw
Heel dronkenzoe zoat as e kanon
Heel dronkenzoe zoat as e verreke
hemdùmme
herenpakkestum
hersensosse
het is allemaal niet zo simpeltis allemoal gin hoarsnijes op eene kletskop
het is nietmatiené
het is welmatiewol
hielvas
hij is platzakde ei gene frang op zijn kloéte
HoestenBuchelen
hollewegoulstroat
hondenùn
hondje (en) euntje / (en) ùntje
hondjeeen ùntsje
hoofdkaasuuëtkees
huisaas
huwelijktraa
huwentraan

I

iemand die gevallen isdee is och op zen pens gegoin
iemand die veel praat verkooptne maalleman
iemand met pretentieene dikke nak / (ne) jan men kloeëte
iemand plagenne kloet aftrekken
ikich
ik ben wegich zen duir
ik zie afich zien menne peire
in het zak gezetIn den doonkel gezatte
invalietkruipelle

J

jammeren, klagenlàmmenteire
Jasvaruis, vareus
jawelteuj
jeneverdjenevel
jongenmenneke
Juistjust
julliedjellings

K

kaalhoofdkletsbol
kaalhoofdkletskop
kaas uit Hervepiekoã
kaastaartkeesvloj
kachelstouf
kalenderalmenak
kastschaop
kauwgomtsjik
keelstraut
KerelSjarel
kerskies
kerstmiskossemis
ketingkettel
kijkenlette
kikkerkikvos
kinderwagenkoetsch
kip (e) kikke
kleerkastgèlderoup, gàlderoup
klein mensjee drebberke
klompenkloenke
knechtkoeter
knieknei
KnijpenPitsen
knikkerkassedui
knikkerklitser
knikker in potaardeè poddejadeke
knoeieràlkótie
koekaa
koeienkuin
KoffieKaffeie
kolenemmerkoule-n dóesj
konijn (e) kanijn
konijne kanijn
kookketelkasserol
kookketelmerremit
kookpotmèrremit
kopjedjat
kopkussenhuupeling
kopkussenhuupling
kous hielvetsel vas
kruiwagenkruiwagel
kuisenschoenmoake
kuspoen
kussensloopkeuswengel
kussensloopoerwengel
kwajongenkojoeng

L

lach mij maar uitlach mich mar aat
ladderlier
ladeloj
lang hoofdkussenhuupling
Lange stofjesKaspesjeir
lantaarnlatzjaan
lawaailaweit
lepel (ne) leipper
lepelleipel
lijfstrank
liplup
lollylekstok
LommerhuisjeGlóriejèt
LoonDaghur

M

maandagmoondag
mandbaast
mantlpalto
marktmerrek
maskermoembakkes
meikeverzùiwerrem
meisjemetske
merelbàlòõ, balòõ, belòõ
miermieremet
mijmich
mijne rugmene strank
minderbroederbraene poater
moddermoos
Moddermouse
moeial (vr) (en) snaat
mooischoewn
morsenbraddelen
morsensmoddere

N

naaimachinestikmachin
naar de knoppen helpenverhoebdjakken
naar huistaas
Namaakkammelot
namiddagnoadenoeng
narcistèèloeës (ook domme vrouw)
nergensnieverans
nochtanspertang
Noorderwindbeis
nootneut
notenneute

O

omabón
onfrisverdóeft
onnozelònnuizel
onnozelaarmoetskop
onnozelaarwabbe
opabóõ, bóõpa
open slootjede zaa
opgezwollengespùtst
opscheppenjànne, stóefe
OvergevenSpaen
overgordijndràpperie
overgordijn(en)stoor(e)
overjaspardesu
overjaspàltou
Overloop (trap ) de paljé
overwegtravèèr

P

paalpateau, potou
paard (e) pjaad
paardpjaad
paardemolen (kermis)galoppoãs
paardenbloempisbloem
paasklokkende poösklokke
pannekoekbóekesekóek
pannenkoekbóekesekóek
pantoffelsloef
perzikpjaasel
pesterkloetzak
piekerenpraktezeren
pierpirring
pils (ne) bok
pinten drinkenbokke drènke
pintje drinkenbokke drenke
plagenfaredzjiere
plagendzjudasse
poederpoeier
poes (en) kat
poesje (e) ketje
poortjebarrirke, peutje, postuke (?)
potloodkerjong
preipaur
profiteur (ne) laaszak
pruikparik
pruim (en) praam

R

raapròòp
regelenarrandjeiren
regenregel
regenjaspardesu, regeljas
resstanteuiverschot
roderoeie
roepenkeeke
roepenkeeken
rolluikvalet
rubberkajoetsjoe
ruilenmangelen
rupsroepsel

S

salamisasies
saltouiverkop goin
saussaas
scchoolskoal
schaaplemme
schietrekkerlijpke, schietleer
schoen vetersnistels
schoenenskoeng
schoenvetersstattels, nistels
schommeldjokkel, zwik
schooltaskalbas
schortveurek
schortvuskoet
schrobbenskroebe
seffensstrien
seringendzjòzemiene
sigaretsegret
sint-jansbessensintjansbeirkes
sint-truidensintruin
sjaal (ne) sjal
slapensloape
slowkene pensboegie
sneeuwsnaa
snoepjesnupke
snoepjejejupke
snoepjemumbol
SokVùtsel
sokjevutsel
sokkenvutsels
somspestuu
spadeschup
speekselspiksel
spekbreukke
spreeuwsprief
spruitjessprate
stationstoasse
stekelbeskroesel
stekelbessenkroesels
stiekem kijkenloeije
stoepzeul
stof (aarde) STUP
stofjas (ne) kasjpoesjeir
stomme kipstoem kieke
straatstroat
straatgootde zaa
straksastriên
strijkijzerplantine
struikelenstroempelen, strunkele
struikelentjoebele
suikerbol(en) kermel
sukkelenmàttele

T

taartvlaai
taartvloj
tafeltoofel
takkenbundelmutsel
tandwielkampraod
tarte a pomme of broekstestatapoem
tarweterf
tasdjat
tas (drinken) Jat
tas, kopjeeen dzjat
tegeltichel
tegenwoordig (momenteel) allewijle
teilbasseng
thuistaas
tinnen drinkbekersnel
toffe vent(ne) sjikke-n tip
tongzoenéén binnedrein
TorenToan
tot ziensààt óech
traag wandelentjaffelen
TreiteraarÀtfrèèter
trouwringtrarenk
truivaruis
truigolf
TruiVareus, varuis
truiwàmmes
tuttersuts

U

uoech
UiDzjaan
uitgeputafgetoekt
uwóer

V

vaatdoekschoutelvod
vaginnapraam
vals spelertruggeleer
valsspeler (nen) tuistereer
van de uwevanoeglings
vashiel
veeartskaamiester
veelvoul
veel drinkenzaape
veiligheidsspeldtaaspèl
ventielsepap
verkerenkerreseire
verklikkerlangtoeng
vermoeid zijnsùts en mùts
verpleegstereifremieire
verrichtenpotkeire
vetersnistels
vlaamse gaai (ne) blauwen honne
vliegerplatte vougel
vliegerplattte vougel
vlierbessenstruikaulenteer
vlinderpiepel
vogelkooigajoeël
VooraanVavuir
voorhoofdvuiruut
voormiddagvuirdenoen
voorruitvuirrout
voorschortveurk
vooruitalei, arei
vorkverket
vreemdgaandee is aonet flikkeflooien
vrijenKerreseren
vrouwvroumes
vuilvaal
vuiléngekraast
vuile mens (ne) zwatzak

W

waar?moe?
wabliefeh
washandjeen èèske
wasmandleivetbaast
wasmandlijvetbaast
wat een zeurwa en pèèp
wat je daar zegt verbaast mewol kust mich na men kloéte
waterwatter, wòter
waterketelmoeër
wcùiske, kàbbenet, schèètùiske
wckabinet
wc stoelkakkedoure
weegschaalpuingel, woog, bàskul
WellustelingIeëte bóelie
Wenkbrauwenwèènschelle
wenkbrouwwèènskil
wetenweite
wezelmaasùntje
wiedenschoefele
wijfee
wijfeelings
wisselenmangelen
woensdaggoenesdag
woensdagwoenesdag
WoordenboekDiksjónèèr
wortelenpoeëte
wortelsoeppoeëtesop

Z

zaag (werktuig)zeeg
zagen, zanikenzoage, pèèpe
zaktès
zakdoek (nen) tesnuisink
zakdoekmalsdoek (?)
zakdoeknen tesnuijzink
zakdoekneusdoek (?)
zakdoektesneusdoek
zakdoektèsnuizink
zaterdagzoterdag
zegeltummer
zeurpietzoagbòs, zoagemàn
zeveraarzieëvereer
zeveraarsterzeiktrien
zich kwetsenoech verneujken blesseiren
zuigensùtse
zwakke sporter (ne) krabber
zwaluwzwèllever
zwartezwatte
zwavelstokjestekske
zweetvoetenstinkpateikes
zwembadzwùmdok

4 opmerkingen

  1. Het Sintrùins wordt gesproken in Sint-Truiden (zonder Zepperen),Nieuwerkerken, Rummen Herk-de-Stad, Gingelom, Walshoutem en Walsbets.
  2. In het Sint-Truidens dialect wordt geen `h` gebruikt
  3. bibak: enkel gebruikt om aan te geven naar bed te gaan, zoals ik lig goed in mijn bed, ik ga naar bed
  4. braane poater
    als de paasklok bruine hard gekookte eitjes bracht kwamen die van de minderbroeders (zij droegen een bruine pij) werd aan de kinderen verteld