NL: zwoegenSynoniemen: hijgen, slaven, sloven, sappelen, ploeteren, afsloven, afjakkeren, afbeulen
DE: zwoegen (zich afsloven): schuften, sich abmühen, sich abrackern, sich abarbeiten
EN: zwoegen (zich afsloven): drudge, slave away, work to pieces, work oneself to the bone, slave, put oneself out, go out of one's way
ES: zwoegen (zich afsloven): afanarse, trajinar, ajetrearse
FR: zwoegen (zich afsloven): épuiser, peiner, besogner, se tuer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezwoegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zwoeg jij zwoegt hij zwoegt wij zwoegen jullie zwoegen zij zwoegen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezwoegd jij hebt gezwoegd hij heeft gezwoegd wij hebben gezwoegd jullie hebben gezwoegd zij hebben gezwoegd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zwoegde jij zwoegde hij zwoegde wij zwoegden jullie zwoegden zij zwoegden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezwoegd jij had gezwoegd hij had gezwoegd wij hadden gezwoegd jullie hadden gezwoegd zij hadden gezwoegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zwoegen jij zult zwoegen hij zal zwoegen wij zullen zwoegen jullie zullen zwoegen zij zullen zwoegen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezwoegd hebben jij zult gezwoegd hebben hij zal gezwoegd hebben wij zullen gezwoegd hebben jullie zullen gezwoegd hebben zij zullen gezwoegd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zwoegen jij zou zwoegen hij zou zwoegen wij zouden zwoegen jullie zouden zwoegen zij zouden zwoegen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezwoegd hebben jij zou gezwoegd hebben hij zou gezwoegd hebben wij zouden gezwoegd hebben jullie zouden gezwoegd hebben zij zouden gezwoegd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zwoeg
|