NL: zwijmelenDE: zwijmelen (in katzwijm vallen): in Ohnmacht fallen, Ohnmächtig werden
EN: zwijmelen (in katzwijm vallen): swoon, faint
ES: zwijmelen (in katzwijm vallen): desvanecerse, desmayarse
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezwijmeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zwijmel jij zwijmelt hij zwijmelt wij zwijmelen jullie zwijmelen zij zwijmelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezwijmeld jij hebt gezwijmeld hij heeft gezwijmeld wij hebben gezwijmeld jullie hebben gezwijmeld zij hebben gezwijmeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zwijmelde jij zwijmelde hij zwijmelde wij zwijmelden jullie zwijmelden zij zwijmelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezwijmeld jij had gezwijmeld hij had gezwijmeld wij hadden gezwijmeld jullie hadden gezwijmeld zij hadden gezwijmeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zwijmelen jij zult zwijmelen hij zal zwijmelen wij zullen zwijmelen jullie zullen zwijmelen zij zullen zwijmelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezwijmeld hebben jij zult gezwijmeld hebben hij zal gezwijmeld hebben wij zullen gezwijmeld hebben jullie zullen gezwijmeld hebben zij zullen gezwijmeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zwijmelen jij zou zwijmelen hij zou zwijmelen wij zouden zwijmelen jullie zouden zwijmelen zij zouden zwijmelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezwijmeld hebben jij zou gezwijmeld hebben hij zou gezwijmeld hebben wij zouden gezwijmeld hebben jullie zouden gezwijmeld hebben zij zouden gezwijmeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zwijmel
|