NL: zwijgenSynoniemen: stilte, stilzwijgen, , mondhouden
DE: das Stillschweigen, das Schweigen
EN: the silence
ES: el silencio
FR: le silence, le mutisme
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezwegen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zwijg jij zwijgt hij zwijgt wij zwijgen jullie zwijgen zij zwijgen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezwegen jij hebt gezwegen hij heeft gezwegen wij hebben gezwegen jullie hebben gezwegen zij hebben gezwegen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zweeg jij zweeg hij zweeg wij zwegen jullie zwegen zij zwegen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezwegen jij had gezwegen hij had gezwegen wij hadden gezwegen jullie hadden gezwegen zij hadden gezwegen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zwijgen jij zult zwijgen hij zal zwijgen wij zullen zwijgen jullie zullen zwijgen zij zullen zwijgen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezwegen hebben jij zult gezwegen hebben hij zal gezwegen hebben wij zullen gezwegen hebben jullie zullen gezwegen hebben zij zullen gezwegen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zwijgen jij zou zwijgen hij zou zwijgen wij zouden zwijgen jullie zouden zwijgen zij zouden zwijgen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezwegen hebben jij zou gezwegen hebben hij zou gezwegen hebben wij zouden gezwegen hebben jullie zouden gezwegen hebben zij zouden gezwegen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zwijg
|