NL: zwichtenSynoniemen: opzij gaan
DE: erliegen, nachgeben, unterliegen, weichen, zugeben
EN: submit, give in to, yield to
ES: someterse
FR: céder
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezwicht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zwicht jij zwicht hij zwicht wij zwichten jullie zwichten zij zwichten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezwicht jij hebt gezwicht hij heeft gezwicht wij hebben gezwicht jullie hebben gezwicht zij hebben gezwicht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zwichtte jij zwichtte hij zwichtte wij zwichtten jullie zwichtten zij zwichtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezwicht jij had gezwicht hij had gezwicht wij hadden gezwicht jullie hadden gezwicht zij hadden gezwicht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zwichten jij zult zwichten hij zal zwichten wij zullen zwichten jullie zullen zwichten zij zullen zwichten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezwicht hebben jij zult gezwicht hebben hij zal gezwicht hebben wij zullen gezwicht hebben jullie zullen gezwicht hebben zij zullen gezwicht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zwichten jij zou zwichten hij zou zwichten wij zouden zwichten jullie zouden zwichten zij zouden zwichten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezwicht hebben jij zou gezwicht hebben hij zou gezwicht hebben wij zouden gezwicht hebben jullie zouden gezwicht hebben zij zouden gezwicht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zwicht
|