NL: zwevenSynoniemen: drijven, hangen, planeren, schommelen
DE: hängen, schweben, gleiteen
EN: float, hover
ES: flotar
FR: voler, flotter, planer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezweefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zweef jij zweeft hij zweeft wij zweven jullie zweven zij zweven
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezweefd jij hebt gezweefd hij heeft gezweefd wij hebben gezweefd jullie hebben gezweefd zij hebben gezweefd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zweefde jij zweefde hij zweefde wij zweefden jullie zweefden zij zweefden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezweefd jij had gezweefd hij had gezweefd wij hadden gezweefd jullie hadden gezweefd zij hadden gezweefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zweven jij zult zweven hij zal zweven wij zullen zweven jullie zullen zweven zij zullen zweven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezweefd hebben jij zult gezweefd hebben hij zal gezweefd hebben wij zullen gezweefd hebben jullie zullen gezweefd hebben zij zullen gezweefd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zweven jij zou zweven hij zou zweven wij zouden zweven jullie zouden zweven zij zouden zweven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezweefd hebben jij zou gezweefd hebben hij zou gezweefd hebben wij zouden gezweefd hebben jullie zouden gezweefd hebben zij zouden gezweefd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zweef
|