NL: zwerenSynoniemen: beloven, etteren
DE: das Abschwören, der Findling
EN: the sore, the ulcer
ES: el abscesos
FR: la suppuration, la pyorrhée
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezworen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zweer jij zweert hij zweert wij zweren jullie zweren zij zweren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezworen jij hebt gezworen hij heeft gezworen wij hebben gezworen jullie hebben gezworen zij hebben gezworen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zwoor; zwoer; zweerde jij zwoor; zwoer; zweerde hij zwoor; zwoer; zweerde wij zworen; zwoeren; zweerden jullie zworen; zwoeren; zweerden zij zworen; zwoeren; zweerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezworen jij had gezworen hij had gezworen wij hadden gezworen jullie hadden gezworen zij hadden gezworen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zweren jij zult zweren hij zal zweren wij zullen zweren jullie zullen zweren zij zullen zweren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezworen hebben jij zult gezworen hebben hij zal gezworen hebben wij zullen gezworen hebben jullie zullen gezworen hebben zij zullen gezworen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zweren jij zou zweren hij zou zweren wij zouden zweren jullie zouden zweren zij zouden zweren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezworen hebben jij zou gezworen hebben hij zou gezworen hebben wij zouden gezworen hebben jullie zouden gezworen hebben zij zouden gezworen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zweer
|