NL: zwaaienSynoniemen: maaien, slingeren, wuiven, zwenken, swingen, zwaai, trilling, slingering, schommeling
DE: zwaaien (met de hand groeten): winken, mit der Hand grüßen
EN: zwaaien (met de hand groeten): wave
ES: zwaaien (met de hand groeten): arrojar, saludar con la mano, agitar, ondear, blandir, renguear, moverse continuamente, ondularse, dar bandazos, borbotear por, borbotear de
FR: zwaaien (met de hand groeten): faire au revoir de la main, saluer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezwaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zwaai jij zwaait hij zwaait wij zwaaien jullie zwaaien zij zwaaien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezwaaid jij hebt gezwaaid hij heeft gezwaaid wij hebben gezwaaid jullie hebben gezwaaid zij hebben gezwaaid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zwaaide jij zwaaide hij zwaaide wij zwaaiden jullie zwaaiden zij zwaaiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezwaaid jij had gezwaaid hij had gezwaaid wij hadden gezwaaid jullie hadden gezwaaid zij hadden gezwaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zwaaien jij zult zwaaien hij zal zwaaien wij zullen zwaaien jullie zullen zwaaien zij zullen zwaaien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezwaaid hebben jij zult gezwaaid hebben hij zal gezwaaid hebben wij zullen gezwaaid hebben jullie zullen gezwaaid hebben zij zullen gezwaaid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zwaaien jij zou zwaaien hij zou zwaaien wij zouden zwaaien jullie zouden zwaaien zij zouden zwaaien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezwaaid hebben jij zou gezwaaid hebben hij zou gezwaaid hebben wij zouden gezwaaid hebben jullie zouden gezwaaid hebben zij zouden gezwaaid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zwaai
|