NL: zomeren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezomerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zomer jij zomert hij zomert wij zomeren jullie zomeren zij zomeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezomerd jij hebt gezomerd hij heeft gezomerd wij hebben gezomerd jullie hebben gezomerd zij hebben gezomerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zomerde jij zomerde hij zomerde wij zomerden jullie zomerden zij zomerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezomerd jij had gezomerd hij had gezomerd wij hadden gezomerd jullie hadden gezomerd zij hadden gezomerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zomeren jij zult zomeren hij zal zomeren wij zullen zomeren jullie zullen zomeren zij zullen zomeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezomerd hebben jij zult gezomerd hebben hij zal gezomerd hebben wij zullen gezomerd hebben jullie zullen gezomerd hebben zij zullen gezomerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zomeren jij zou zomeren hij zou zomeren wij zouden zomeren jullie zouden zomeren zij zouden zomeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezomerd hebben jij zou gezomerd hebben hij zou gezomerd hebben wij zouden gezomerd hebben jullie zouden gezomerd hebben zij zouden gezomerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zomer
|