NL: zoevenSynoniemen: suizen, razen, juist, zojuist, zonet
DE: surren
EN: zoom
ES: zumbar
FR: filer, siffler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezoefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zoef jij zoeft hij zoeft wij zoeven jullie zoeven zij zoeven
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezoefd jij hebt gezoefd hij heeft gezoefd wij hebben gezoefd jullie hebben gezoefd zij hebben gezoefd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zoefde jij zoefde hij zoefde wij zoefden jullie zoefden zij zoefden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezoefd jij had gezoefd hij had gezoefd wij hadden gezoefd jullie hadden gezoefd zij hadden gezoefd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zoeven jij zult zoeven hij zal zoeven wij zullen zoeven jullie zullen zoeven zij zullen zoeven
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezoefd hebben jij zult gezoefd hebben hij zal gezoefd hebben wij zullen gezoefd hebben jullie zullen gezoefd hebben zij zullen gezoefd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zoeven jij zou zoeven hij zou zoeven wij zouden zoeven jullie zouden zoeven zij zouden zoeven
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezoefd hebben jij zou gezoefd hebben hij zou gezoefd hebben wij zouden gezoefd hebben jullie zouden gezoefd hebben zij zouden gezoefd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zoef
|