NL: zoetenSynoniemen: zoetmaken
DE: zoeten (zoetmaken): zuckern, einzuckern, süß machen
EN: zoeten (zoetmaken): candy, sweeten, sugar, make sweet
ES: zoeten (zoetmaken): azucarar, endulzar, edulcorar
FR: zoeten (zoetmaken): édulcorer, confire, sucrer, dulcifier
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezoet
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zoet jij zoet hij zoet wij zoeten jullie zoeten zij zoeten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezoet jij hebt gezoet hij heeft gezoet wij hebben gezoet jullie hebben gezoet zij hebben gezoet
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zoette jij zoette hij zoette wij zoetten jullie zoetten zij zoetten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezoet jij had gezoet hij had gezoet wij hadden gezoet jullie hadden gezoet zij hadden gezoet
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zoeten jij zult zoeten hij zal zoeten wij zullen zoeten jullie zullen zoeten zij zullen zoeten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezoet hebben jij zult gezoet hebben hij zal gezoet hebben wij zullen gezoet hebben jullie zullen gezoet hebben zij zullen gezoet hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zoeten jij zou zoeten hij zou zoeten wij zouden zoeten jullie zouden zoeten zij zouden zoeten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezoet hebben jij zou gezoet hebben hij zou gezoet hebben wij zouden gezoet hebben jullie zouden gezoet hebben zij zouden gezoet hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zoet
|