NL: zijnSynoniemen: ben, bent, is, aanwezig zijn, bedragen, behoren aan, gebeuren, leven, vertegenwoordigen, bestaan, existeren, uithangen
DE: sein
EN: to be
ES: ser, estar
FR: y, avoir
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geweest
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ben jij bent hij is wij zijn jullie zijn zij zijn
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik ben geweest jij bent geweest hij is geweest wij zijn geweest jullie zijn geweest zij zijn geweest
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik was jij was hij was wij waren jullie waren zij waren
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik was geweest jij was geweest hij was geweest wij waren geweest jullie waren geweest zij waren geweest
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zijn jij zult zijn hij zal zijn wij zullen zijn jullie zullen zijn zij zullen zijn
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geweest zijn jij zult geweest zijn hij zal geweest zijn wij zullen geweest zijn jullie zullen geweest zijn zij zullen geweest zijn
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zijn jij zou zijn hij zou zijn wij zouden zijn jullie zouden zijn zij zouden zijn
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geweest zijn jij zou geweest zijn hij zou geweest zijn wij zouden geweest zijn jullie zouden geweest zijn zij zouden geweest zijn
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wees
|