NL: ziekenSynoniemen: sarren, zeuren, uitdagen, treiteren, tergen, tarten, stangen, plagen, pesten, jennen
DE: zieken (sarren): ärgern, provozieren, triezen, striezen, piesacken, schikanieren, zusetzen, reizen
EN: zieken (sarren): nag
FR: zieken (sarren): harceler, taquiner, irriter, enquiquiner, asticoter, agacer
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geziekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik ziek jij ziekt hij ziekt wij zieken jullie zieken zij zieken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geziekt jij hebt geziekt hij heeft geziekt wij hebben geziekt jullie hebben geziekt zij hebben geziekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ziekte jij ziekte hij ziekte wij ziekten jullie ziekten zij ziekten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geziekt jij had geziekt hij had geziekt wij hadden geziekt jullie hadden geziekt zij hadden geziekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zieken jij zult zieken hij zal zieken wij zullen zieken jullie zullen zieken zij zullen zieken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geziekt hebben jij zult geziekt hebben hij zal geziekt hebben wij zullen geziekt hebben jullie zullen geziekt hebben zij zullen geziekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zieken jij zou zieken hij zou zieken wij zouden zieken jullie zouden zieken zij zouden zieken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geziekt hebben jij zou geziekt hebben hij zou geziekt hebben wij zouden geziekt hebben jullie zouden geziekt hebben zij zouden geziekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
ziek
|