Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

zegelen vervoegen




NL: zegelen

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gezegeld
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik zegel
jij zegelt
hij zegelt
wij zegelen
jullie zegelen
zij zegelen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gezegeld
jij hebt gezegeld
hij heeft gezegeld
wij hebben gezegeld
jullie hebben gezegeld
zij hebben gezegeld
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik zegelde
jij zegelde
hij zegelde
wij zegelden
jullie zegelden
zij zegelden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gezegeld
jij had gezegeld
hij had gezegeld
wij hadden gezegeld
jullie hadden gezegeld
zij hadden gezegeld
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal zegelen
jij zult zegelen
hij zal zegelen
wij zullen zegelen
jullie zullen zegelen
zij zullen zegelen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gezegeld hebben
jij zult gezegeld hebben
hij zal gezegeld hebben
wij zullen gezegeld hebben
jullie zullen gezegeld hebben
zij zullen gezegeld hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou zegelen
jij zou zegelen
hij zou zegelen
wij zouden zegelen
jullie zouden zegelen
zij zouden zegelen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gezegeld hebben
jij zou gezegeld hebben
hij zou gezegeld hebben
wij zouden gezegeld hebben
jullie zouden gezegeld hebben
zij zouden gezegeld hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
zegel

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/zegelen

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald