NL: zaligen U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezaligd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zalig jij zaligt hij zaligt wij zaligen jullie zaligen zij zaligen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezaligd jij hebt gezaligd hij heeft gezaligd wij hebben gezaligd jullie hebben gezaligd zij hebben gezaligd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zaligde jij zaligde hij zaligde wij zaligden jullie zaligden zij zaligden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezaligd jij had gezaligd hij had gezaligd wij hadden gezaligd jullie hadden gezaligd zij hadden gezaligd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zaligen jij zult zaligen hij zal zaligen wij zullen zaligen jullie zullen zaligen zij zullen zaligen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezaligd hebben jij zult gezaligd hebben hij zal gezaligd hebben wij zullen gezaligd hebben jullie zullen gezaligd hebben zij zullen gezaligd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zaligen jij zou zaligen hij zou zaligen wij zouden zaligen jullie zouden zaligen zij zouden zaligen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezaligd hebben jij zou gezaligd hebben hij zou gezaligd hebben wij zouden gezaligd hebben jullie zouden gezaligd hebben zij zouden gezaligd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zalig
|