NL: zaalhockeyen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezaalhockeyd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zaalhockey jij zaalhockeyt hij zaalhockeyt wij zaalhockeyen jullie zaalhockeyen zij zaalhockeyen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezaalhockeyd jij hebt gezaalhockeyd hij heeft gezaalhockeyd wij hebben gezaalhockeyd jullie hebben gezaalhockeyd zij hebben gezaalhockeyd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zaalhockeyde jij zaalhockeyde hij zaalhockeyde wij zaalhockeyden jullie zaalhockeyden zij zaalhockeyden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezaalhockeyd jij had gezaalhockeyd hij had gezaalhockeyd wij hadden gezaalhockeyd jullie hadden gezaalhockeyd zij hadden gezaalhockeyd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zaalhockeyen jij zult zaalhockeyen hij zal zaalhockeyen wij zullen zaalhockeyen jullie zullen zaalhockeyen zij zullen zaalhockeyen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezaalhockeyd hebben jij zult gezaalhockeyd hebben hij zal gezaalhockeyd hebben wij zullen gezaalhockeyd hebben jullie zullen gezaalhockeyd hebben zij zullen gezaalhockeyd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zaalhockeyen jij zou zaalhockeyen hij zou zaalhockeyen wij zouden zaalhockeyen jullie zouden zaalhockeyen zij zouden zaalhockeyen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezaalhockeyd hebben jij zou gezaalhockeyd hebben hij zou gezaalhockeyd hebben wij zouden gezaalhockeyd hebben jullie zouden gezaalhockeyd hebben zij zouden gezaalhockeyd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zaalhockey
|