NL: zaaienSynoniemen: inzaaien, strooien, teweegbrengen, bezaaien
DE: saën, einsäen, aussäen, bestreuen, streuen, ausstreuen, besäen
EN: sow
ES: salpicar, sembrar
FR: semer, saupoudrer, éparpiller, épandre
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gezaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik zaai jij zaait hij zaait wij zaaien jullie zaaien zij zaaien
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gezaaid jij hebt gezaaid hij heeft gezaaid wij hebben gezaaid jullie hebben gezaaid zij hebben gezaaid
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik zaaide jij zaaide hij zaaide wij zaaiden jullie zaaiden zij zaaiden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gezaaid jij had gezaaid hij had gezaaid wij hadden gezaaid jullie hadden gezaaid zij hadden gezaaid
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal zaaien jij zult zaaien hij zal zaaien wij zullen zaaien jullie zullen zaaien zij zullen zaaien
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gezaaid hebben jij zult gezaaid hebben hij zal gezaaid hebben wij zullen gezaaid hebben jullie zullen gezaaid hebben zij zullen gezaaid hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou zaaien jij zou zaaien hij zou zaaien wij zouden zaaien jullie zouden zaaien zij zouden zaaien
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gezaaid hebben jij zou gezaaid hebben hij zou gezaaid hebben wij zouden gezaaid hebben jullie zouden gezaaid hebben zij zouden gezaaid hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
zaai
|