NL: wringenDE: ringen, auswringen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewrongen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wring jij wringt hij wringt wij wringen jullie wringen zij wringen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewrongen jij hebt gewrongen hij heeft gewrongen wij hebben gewrongen jullie hebben gewrongen zij hebben gewrongen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wrong jij wrong hij wrong wij wrongen jullie wrongen zij wrongen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewrongen jij had gewrongen hij had gewrongen wij hadden gewrongen jullie hadden gewrongen zij hadden gewrongen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wringen jij zult wringen hij zal wringen wij zullen wringen jullie zullen wringen zij zullen wringen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewrongen hebben jij zult gewrongen hebben hij zal gewrongen hebben wij zullen gewrongen hebben jullie zullen gewrongen hebben zij zullen gewrongen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wringen jij zou wringen hij zou wringen wij zouden wringen jullie zouden wringen zij zouden wringen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewrongen hebben jij zou gewrongen hebben hij zou gewrongen hebben wij zouden gewrongen hebben jullie zouden gewrongen hebben zij zouden gewrongen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wring
|
DE: wringenSynoniemen: ringen, auswringen
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gewrungen wringend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich wringe du wringst er wringt wir wringen ihr wringt sie; Sie wringen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gewrungen du hast gewrungen er hat gewrungen wir haben gewrungen ihr habt gewrungen sie; Sie haben gewrungen
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich wrang du wrangst er wrang wir wrangen ihr wrangt sie; Sie wrangen
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gewrungen du hattest gewrungen er hatte gewrungen wir hatten gewrungen ihr hattet gewrungen sie; Sie hatten gewrungen
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde wringen du wirst wringen er wird wringen wir werden wringen ihr werdet wringen sie; Sie werden wringen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gewrungen haben du wirst gewrungen haben er wird gewrungen haben wir werden gewrungen haben ihr werdet gewrungen haben sie; Sie werden gewrungen haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich wringe du wringest er wringe wir wringen ihr wringet sie; Sie wringen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gewrungen du habest gewrungen er habe gewrungen wir haben gewrungen ihr habet gewrungen sie; Sie haben gewrungen
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich wränge du wrängest er wränge wir wrängen ihr wränget sie; Sie wrängen
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gewrungen du hättest gewrungen er hätte gewrungen wir hätten gewrungen ihr hättet gewrungen sie; Sie hätten gewrungen
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde wringen du würdest wringen er würde wringen wir würden wringen ihr würdet wringen sie; Sie würden wringen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gewrungen haben du würdest gewrungen haben er würde gewrungen haben wir würden gewrungen haben ihr würdet gewrungen haben sie; Sie würden gewrungen haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du wringe; wring
|