NL: wortelenSynoniemen: wortschieten, vastgroeien
DE: wortelen (wortel schieten): wurzeln, festwachsen, einwachsen
EN: wortelen (wortel schieten): root, be rooted, take root
ES: wortelen (wortel schieten): echar raíces, radicar, arraigar
FR: wortelen (wortel schieten): être enraciné, s'attacher, s'enraciner, prendre racine
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geworteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wortel jij wortelt hij wortelt wij wortelen jullie wortelen zij wortelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geworteld jij hebt geworteld hij heeft geworteld wij hebben geworteld jullie hebben geworteld zij hebben geworteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wortelde jij wortelde hij wortelde wij wortelden jullie wortelden zij wortelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geworteld jij had geworteld hij had geworteld wij hadden geworteld jullie hadden geworteld zij hadden geworteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wortelen jij zult wortelen hij zal wortelen wij zullen wortelen jullie zullen wortelen zij zullen wortelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geworteld hebben jij zult geworteld hebben hij zal geworteld hebben wij zullen geworteld hebben jullie zullen geworteld hebben zij zullen geworteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wortelen jij zou wortelen hij zou wortelen wij zouden wortelen jullie zouden wortelen zij zouden wortelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geworteld hebben jij zou geworteld hebben hij zou geworteld hebben wij zouden geworteld hebben jullie zouden geworteld hebben zij zouden geworteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wortel
|