NL: worstelenSynoniemen: dringen, touwtrekken, vechten, vechtsport, spartelen
DE: klemmen, drücken, wringen, drehen, kämpfen, schwingen, ringen, winden, mit jemandem ringen
EN: wrestle
ES: luchar, torcer, pelear, escurrir, pugnar, retorcer
FR: lutter, catcher
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geworsteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik worstel jij worstelt hij worstelt wij worstelen jullie worstelen zij worstelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geworsteld jij hebt geworsteld hij heeft geworsteld wij hebben geworsteld jullie hebben geworsteld zij hebben geworsteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik worstelde jij worstelde hij worstelde wij worstelden jullie worstelden zij worstelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geworsteld jij had geworsteld hij had geworsteld wij hadden geworsteld jullie hadden geworsteld zij hadden geworsteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal worstelen jij zult worstelen hij zal worstelen wij zullen worstelen jullie zullen worstelen zij zullen worstelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geworsteld hebben jij zult geworsteld hebben hij zal geworsteld hebben wij zullen geworsteld hebben jullie zullen geworsteld hebben zij zullen geworsteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou worstelen jij zou worstelen hij zou worstelen wij zouden worstelen jullie zouden worstelen zij zouden worstelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geworsteld hebben jij zou geworsteld hebben hij zou geworsteld hebben wij zouden geworsteld hebben jullie zouden geworsteld hebben zij zouden geworsteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
worstel
|