NL: wittenSynoniemen: witte, sausen, kalken
DE: streichen, kalken, tünchen
EN: whitewash
FR: saucer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewit
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wit jij wit hij wit wij witten jullie witten zij witten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewit jij hebt gewit hij heeft gewit wij hebben gewit jullie hebben gewit zij hebben gewit
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik witte jij witte hij witte wij witten jullie witten zij witten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewit jij had gewit hij had gewit wij hadden gewit jullie hadden gewit zij hadden gewit
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal witten jij zult witten hij zal witten wij zullen witten jullie zullen witten zij zullen witten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewit hebben jij zult gewit hebben hij zal gewit hebben wij zullen gewit hebben jullie zullen gewit hebben zij zullen gewit hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou witten jij zou witten hij zou witten wij zouden witten jullie zouden witten zij zouden witten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewit hebben jij zou gewit hebben hij zou gewit hebben wij zouden gewit hebben jullie zouden gewit hebben zij zouden gewit hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wit
|