NL: wijsmakenSynoniemen: aanpraten
DE: erzählen, vormachen, aufhängen
EN: deceive, fool, kid
FR: faire croire, en faire accroire
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
wijsgemaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik maak wijs jij maakt wijs hij maakt wijs wij maken wijs jullie maken wijs zij maken wijs
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb wijsgemaakt jij hebt wijsgemaakt hij heeft wijsgemaakt wij hebben wijsgemaakt jullie hebben wijsgemaakt zij hebben wijsgemaakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik maakte wijs jij maakte wijs hij maakte wijs wij maakten wijs jullie maakten wijs zij maakten wijs
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had wijsgemaakt jij had wijsgemaakt hij had wijsgemaakt wij hadden wijsgemaakt jullie hadden wijsgemaakt zij hadden wijsgemaakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wijsmaken jij zult wijsmaken hij zal wijsmaken wij zullen wijsmaken jullie zullen wijsmaken zij zullen wijsmaken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal wijsgemaakt hebben jij zult wijsgemaakt hebben hij zal wijsgemaakt hebben wij zullen wijsgemaakt hebben jullie zullen wijsgemaakt hebben zij zullen wijsgemaakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wijsmaken jij zou wijsmaken hij zou wijsmaken wij zouden wijsmaken jullie zouden wijsmaken zij zouden wijsmaken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou wijsgemaakt hebben jij zou wijsgemaakt hebben hij zou wijsgemaakt hebben wij zouden wijsgemaakt hebben jullie zouden wijsgemaakt hebben zij zouden wijsgemaakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
maak wijs
|