NL: wiekenDE: die Flügel
EN: the sweeps, the wicks, the pennons, the wings
ES: la aspas
FR: la ailes, la ailes à moulin
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewiekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wiek jij wiekt hij wiekt wij wieken jullie wieken zij wieken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewiekt jij hebt gewiekt hij heeft gewiekt wij hebben gewiekt jullie hebben gewiekt zij hebben gewiekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wiekte jij wiekte hij wiekte wij wiekten jullie wiekten zij wiekten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewiekt jij had gewiekt hij had gewiekt wij hadden gewiekt jullie hadden gewiekt zij hadden gewiekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wieken jij zult wieken hij zal wieken wij zullen wieken jullie zullen wieken zij zullen wieken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewiekt hebben jij zult gewiekt hebben hij zal gewiekt hebben wij zullen gewiekt hebben jullie zullen gewiekt hebben zij zullen gewiekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wieken jij zou wieken hij zou wieken wij zouden wieken jullie zouden wieken zij zouden wieken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewiekt hebben jij zou gewiekt hebben hij zou gewiekt hebben wij zouden gewiekt hebben jullie zouden gewiekt hebben zij zouden gewiekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wiek
|