NL: wemelenSynoniemen: barsten, krioelen, wriemelen, zwermen, krielen, kruipen
DE: wemelen (krioelen): kriechen, wimmeln, kribbeln, quirlen
EN: wemelen (krioelen): crawl with, swarm, teem with
ES: wemelen (krioelen): hormiguear
FR: wemelen (krioelen): fourmiller, grouiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gewemeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik wemel jij wemelt hij wemelt wij wemelen jullie wemelen zij wemelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gewemeld jij hebt gewemeld hij heeft gewemeld wij hebben gewemeld jullie hebben gewemeld zij hebben gewemeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik wemelde jij wemelde hij wemelde wij wemelden jullie wemelden zij wemelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gewemeld jij had gewemeld hij had gewemeld wij hadden gewemeld jullie hadden gewemeld zij hadden gewemeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wemelen jij zult wemelen hij zal wemelen wij zullen wemelen jullie zullen wemelen zij zullen wemelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gewemeld hebben jij zult gewemeld hebben hij zal gewemeld hebben wij zullen gewemeld hebben jullie zullen gewemeld hebben zij zullen gewemeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wemelen jij zou wemelen hij zou wemelen wij zouden wemelen jullie zouden wemelen zij zouden wemelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gewemeld hebben jij zou gewemeld hebben hij zou gewemeld hebben wij zouden gewemeld hebben jullie zouden gewemeld hebben zij zouden gewemeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
wemel
|