NL: wekenSynoniemen: inweken, zachtmaken, verweken, ontharden
DE: das Weichen, das Einweichen
EN: the soaking, the softening
ES: el remojar
FR: le trempage
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geweekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik week jij weekt hij weekt wij weken jullie weken zij weken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geweekt jij hebt geweekt hij heeft geweekt wij hebben geweekt jullie hebben geweekt zij hebben geweekt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik weekte jij weekte hij weekte wij weekten jullie weekten zij weekten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geweekt jij had geweekt hij had geweekt wij hadden geweekt jullie hadden geweekt zij hadden geweekt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal weken jij zult weken hij zal weken wij zullen weken jullie zullen weken zij zullen weken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geweekt hebben jij zult geweekt hebben hij zal geweekt hebben wij zullen geweekt hebben jullie zullen geweekt hebben zij zullen geweekt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou weken jij zou weken hij zou weken wij zouden weken jullie zouden weken zij zouden weken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geweekt hebben jij zou geweekt hebben hij zou geweekt hebben wij zouden geweekt hebben jullie zouden geweekt hebben zij zouden geweekt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
week
|