NL: wegvallenSynoniemen: uitgevallen, doodgaan, uitvallen, vallen, sterven, sneuvelen, overlijden, omkomen, inslapen, heengaan, bezwijken
DE: der Ausfall, der Wegfall, der Fortfall
EN: the dropping out, the ceasing, the withdrawing
FR: le abandon
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
weggevallen
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik val weg jij valt weg hij valt weg wij vallen weg jullie vallen weg zij vallen weg
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb weggevallen jij hebt weggevallen hij heeft weggevallen wij hebben weggevallen jullie hebben weggevallen zij hebben weggevallen
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik viel weg jij viel weg hij viel weg wij vielen weg jullie vielen weg zij vielen weg
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had weggevallen jij had weggevallen hij had weggevallen wij hadden weggevallen jullie hadden weggevallen zij hadden weggevallen
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wegvallen jij zult wegvallen hij zal wegvallen wij zullen wegvallen jullie zullen wegvallen zij zullen wegvallen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal weggevallen hebben jij zult weggevallen hebben hij zal weggevallen hebben wij zullen weggevallen hebben jullie zullen weggevallen hebben zij zullen weggevallen hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wegvallen jij zou wegvallen hij zou wegvallen wij zouden wegvallen jullie zouden wegvallen zij zouden wegvallen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou weggevallen hebben jij zou weggevallen hebben hij zou weggevallen hebben wij zouden weggevallen hebben jullie zouden weggevallen hebben zij zouden weggevallen hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
val weg
|