| Vervoegen: wegrennen |
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
| weggerend |
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
| ik ren weg jij rent weg hij rent weg wij rennen weg jullie rennen weg zij rennen weg |
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
| ik heb weggerend jij hebt weggerend hij heeft weggerend wij hebben weggerend jullie hebben weggerend zij hebben weggerend |
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
| ik rende weg jij rende weg hij rende weg wij renden weg jullie renden weg zij renden weg |
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
| ik had weggerend jij had weggerend hij had weggerend wij hadden weggerend jullie hadden weggerend zij hadden weggerend |
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
| ik zal wegrennen jij zult wegrennen hij zal wegrennen wij zullen wegrennen jullie zullen wegrennen zij zullen wegrennen |
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
| ik zal weggerend hebben jij zult weggerend hebben hij zal weggerend hebben wij zullen weggerend hebben jullie zullen weggerend hebben zij zullen weggerend hebben |
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
| ik zou wegrennen jij zou wegrennen hij zou wegrennen wij zouden wegrennen jullie zouden wegrennen zij zouden wegrennen |
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
| ik zou weggerend hebben jij zou weggerend hebben hij zou weggerend hebben wij zouden weggerend hebben jullie zouden weggerend hebben zij zouden weggerend hebben |
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
| ren weg |
| Partizip Perfekt & Präsens |
| `Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
| weggerannt wegrennend |
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich renne weg du rennst weg er rennt weg wir rennen weg ihr rennt weg sie; Sie rennen weg |
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich bin weggerannt du bist weggerannt er ist weggerannt wir sind weggerannt ihr seid weggerannt sie; Sie sind weggerannt |
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich rannte weg du ranntest weg er rannte weg wir rannten weg ihr ranntet weg sie; Sie rannten weg |
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich war weggerannt du warst weggerannt er war weggerannt wir waren weggerannt ihr wart weggerannt sie; Sie waren weggerannt |
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich werde wegrennen du wirst wegrennen er wird wegrennen wir werden wegrennen ihr werdet wegrennen sie; Sie werden wegrennen |
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
| ich werde weggerannt sein du wirst weggerannt sein er wird weggerannt sein wir werden weggerannt sein ihr werdet weggerannt sein sie; Sie werden weggerannt sein |
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich renne weg du rennest weg er renne weg wir rennen weg ihr rennet weg sie; Sie rennen weg |
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich sei weggerannt du seiest weggerannt er sei weggerannt wir seien weggerannt ihr seiet weggerannt sie; Sie seien weggerannt |
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich rennte weg du renntest weg er rennte weg wir rennten weg ihr renntet weg sie; Sie rennten weg |
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich wäre weggerannt du wärest weggerannt er wäre weggerannt wir wären weggerannt ihr wäret weggerannt sie; Sie wären weggerannt |
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich würde wegrennen du würdest wegrennen er würde wegrennen wir würden wegrennen ihr würdet wegrennen sie; Sie würden wegrennen |
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
| ich würde weggerannt sein du würdest weggerannt sein er würde weggerannt sein wir würden weggerannt sein ihr würdet weggerannt sein sie; Sie würden weggerannt sein |
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
| du renne weg |