NL: wegdenken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
weggedacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik denk weg jij denkt weg hij denkt weg wij denken weg jullie denken weg zij denken weg
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb weggedacht jij hebt weggedacht hij heeft weggedacht wij hebben weggedacht jullie hebben weggedacht zij hebben weggedacht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik dacht weg jij dacht weg hij dacht weg wij dachten weg jullie dachten weg zij dachten weg
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had weggedacht jij had weggedacht hij had weggedacht wij hadden weggedacht jullie hadden weggedacht zij hadden weggedacht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal wegdenken jij zult wegdenken hij zal wegdenken wij zullen wegdenken jullie zullen wegdenken zij zullen wegdenken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal weggedacht hebben jij zult weggedacht hebben hij zal weggedacht hebben wij zullen weggedacht hebben jullie zullen weggedacht hebben zij zullen weggedacht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou wegdenken jij zou wegdenken hij zou wegdenken wij zouden wegdenken jullie zouden wegdenken zij zouden wegdenken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou weggedacht hebben jij zou weggedacht hebben hij zou weggedacht hebben wij zouden weggedacht hebben jullie zouden weggedacht hebben zij zouden weggedacht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
denk weg
|
DE: wegdenken| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
weggedacht wegdenkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich denke weg du denkst weg er denkt weg wir denken weg ihr denkt weg sie; Sie denken weg
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe weggedacht du hast weggedacht er hat weggedacht wir haben weggedacht ihr habt weggedacht sie; Sie haben weggedacht
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich dachte weg du dachtest weg er dachte weg wir dachten weg ihr dachtet weg sie; Sie dachten weg
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte weggedacht du hattest weggedacht er hatte weggedacht wir hatten weggedacht ihr hattet weggedacht sie; Sie hatten weggedacht
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde wegdenken du wirst wegdenken er wird wegdenken wir werden wegdenken ihr werdet wegdenken sie; Sie werden wegdenken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde weggedacht haben du wirst weggedacht haben er wird weggedacht haben wir werden weggedacht haben ihr werdet weggedacht haben sie; Sie werden weggedacht haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich denke weg du denkest weg er denke weg wir denken weg ihr denket weg sie; Sie denken weg
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe weggedacht du habest weggedacht er habe weggedacht wir haben weggedacht ihr habet weggedacht sie; Sie haben weggedacht
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich dächte weg du dächtest weg er dächte weg wir dächten weg ihr dächtet weg sie; Sie dächten weg
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte weggedacht du hättest weggedacht er hätte weggedacht wir hätten weggedacht ihr hättet weggedacht sie; Sie hätten weggedacht
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde wegdenken du würdest wegdenken er würde wegdenken wir würden wegdenken ihr würdet wegdenken sie; Sie würden wegdenken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde weggedacht haben du würdest weggedacht haben er würde weggedacht haben wir würden weggedacht haben ihr würdet weggedacht haben sie; Sie würden weggedacht haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du denke weg
|