NL: weerleggenSynoniemen: bestrijden, ontkrachten, ontzenuwen
DE: weerleggen (ontkrachten): widerlegen, entkräften
EN: weerleggen (ontkrachten): invalidate, take the edge of
ES: weerleggen (ontkrachten): rebatir, refutar
FR: weerleggen (ontkrachten): affaiblir, infirmer, neutraliser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
weerlegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik weerleg jij weerlegt hij weerlegt wij weerleggen jullie weerleggen zij weerleggen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb weerlegd jij hebt weerlegd hij heeft weerlegd wij hebben weerlegd jullie hebben weerlegd zij hebben weerlegd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik weerlegde jij weerlegde hij weerlegde wij weerlegden jullie weerlegden zij weerlegden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had weerlegd jij had weerlegd hij had weerlegd wij hadden weerlegd jullie hadden weerlegd zij hadden weerlegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal weerleggen jij zult weerleggen hij zal weerleggen wij zullen weerleggen jullie zullen weerleggen zij zullen weerleggen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal weerlegd hebben jij zult weerlegd hebben hij zal weerlegd hebben wij zullen weerlegd hebben jullie zullen weerlegd hebben zij zullen weerlegd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou weerleggen jij zou weerleggen hij zou weerleggen wij zouden weerleggen jullie zouden weerleggen zij zouden weerleggen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou weerlegd hebben jij zou weerlegd hebben hij zou weerlegd hebben wij zouden weerlegd hebben jullie zouden weerlegd hebben zij zouden weerlegd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
weerleg
|